Belastingdiensten in EU wisselen te weinig gegevens uit

DEN HAAG, 27 OKT. De belastingdiensten van de EU-lidstaten wisselen onderling onvoldoende gegevens uit om belastingfraude en -ontduiking te voorkomen. Ook de Nederlandse Belastingdienst raadpleegt buitenlandse diensten onvoldoende, terwijl hij daar wel behoefte aan heeft.

Dit oordeelt de Algemene Rekenkamer, die een onderzoek naar de internationale uitwisseling van belastinggegevens coördineerde onder twaalf van de vijftien rekenkamers van de lidstaten van de Europese Unie. Frankrijk, Griekenland en Luxemburg deden niet mee aan het onderzoek.

De Rekenkamer trok in 1992 dezelfde conclusie als nu na het onderzoek over de periode 1992-1995. De toenmalige staatssecretaris van Financiën, Van Amelsvoort (CDA), zegde in 1992 toe dat hij binnen de Nederlandse Belastingdienst meer bekendheid zou geven aan de mogelijkheden van internationale gegevensuitwisseling. De Rekenkamer concludeert nu dat van die toezeggingen niets terecht is gekomen.

Volgens de controleur van de Rijksfinanciën zijn de belastingdiensten wel geïnteresseerd in het uitwisselen van belastinggegevens om zo internationale fraude en ontduiking het hoofd te kunnen bieden. Wat dit betreft levert met name de werkwijze van de Nederlandse Belastingdienst volgens de Rekenkamer risico's op. Zo heeft de Belastingdienst twee keer zoveel tijd nodig om informatie uit het buitenland te verwerken als buitenlandse belastingdiensten nodig hebben om informatieverzoeken uit Nederland te behandelen.

Sinds 1977 bestaat een EU-richtlijn over de uitwisseling van belastinggegevens onder EU-lidstaten. Vijf van de onderzochte twaalf belastingdiensten konden volledige gegevens leveren over de manier waarop zij informatie uitwisselen.

Maar als eenmaal informatie is uitgewisseld, informeren lidstaten elkaar nauwelijks over wat het resultaat is van die uitwisseling.