Vijf meter Harris Tweed per uur

Niemand om mee te lachen niemand om op de vloeken Harris Tweed, zo degelijk en zo warm, heeft zijn beste tijd gehad. Gelukkig heeft de stof nog enig snob appeal, al was het alleen maar omdat zij met de hand geweven wordt. Zo kunnen de bewoners van enkele winderige eilanden hun broodwinning nog net behouden. Maar wie, het eentonige werk meer dan zat, een elektromotor op zijn weefgetouw zet, die wordt verbannen.

Wat hebben mode-ontwerpers als Vivienne Westwood, Christopher Reed, Ally Capellino en Julian Dominique gemeen? Allemaal maken ze gebruik van Harris Tweed, de handgeweven kaardgaren wollen stof van de Schotse Buiten Hebriden. Daarmee dragen ze niet alleen bij tot het behoud van een regionale economie die voor een belangrijk deel afhankelijk is van de tweedindustrie. Ze helpen ook een landelijke manier van leven in stand te houden. In honderden afgelegen schuurtjes op het ongerepte eiland van Harris en Lewis ratelen de houten weefgetouwen, het gehijg van de wind en het geblaat van de schapen overstemmend. Zonder Harris Tweed hadden de wevers het eindeloze, zacht glooiend landschap vol grillige meertjes allang moeten verruilen voor het stadse oerwoud van Aberdeen of Glasgow. Zonder Harris Tweed waren veel eilandbewoners allang uit hun aardse paradijs verjaagd.

Tweed mag elke textielbedrijf het wollen weefsel noemen dat geschuurd, geruwd is en geschoren. De naam komt van de rivier de Tweed die de natuurlijke grens vormt tussen Engeland en Schotland en waar langs de oevers tijdens de Industriële Revolutie de eerste tweedfabrieken zijn ontstaan. Tweed is een soortnaam, net zoals linnen en katoen.

Maar Harris Tweed is een beschermde eretitel, de grootste schat van de Buiten Hebriden, de reddingsboei van een verzuipende thuisindustrie. Het gerenommeerde handelsmerk dat het Maltezer Kruis en een rijksappel combineert, stamt uit de jaren van voor de Eerste Wereldoorlog. Fabrikanten hadden geleerd dat ze zich door labels en logo's konden onderscheiden. Maar de markt werd nog niet door merken geregeerd.

De definitie is twee keer veranderd in de afgelopen negentig jaar. Om Harris Tweed te mogen heten moest de stof aanvankelijk met de hand gesponnen, met de hand geweven en ook geverfd zijn op de Buiten Hebriden, van uitsluitend Schotse wol. Maar toen aan het eind van de jaren twintig de vraag naar Harris Tweed sterk toenam, meenden ook fabrikanten op het vasteland van Schotland en in Yorkshire, Canada en Japan zich op de lucratieve markt te moeten storten. Het handelsmerk dreigde zijn waarde te verliezen en zijn beschermende kracht.

De ware leveranciers van Harris Tweed leken het onderspit te delven. Hun met de hand gesponnen tweed kon in prijs onmogelijk opboksen tegen de machinaal gesponnen weefsels van de concurrenten. Dat gebeurde op een kritiek moment in de economische geschiedenis van de Buiten Hebriden. Eeuwenlang hadden de eilanders mede geleefd van de visvangst. Maar in de jaren twintig waren de haringen grotendeels uit de Schotse wateren verdwenen. Tot hun afgrijzen merkten de bewoners dat ze vrijwel afhankelijk waren van een bedrijfstak die met de ondergang bedreigd werd: de tweedindustrie.

Betere bescherming van het handelsmerk en aanpassing van de definitie bezwoeren voorlopig het gevaar. Geschrapt werd in 1934 de bepaling dat de tweed met de hand moet zijn gesponnen. Spinmachines deden hun intree op het eiland dat van onderen Harris heet en van boven Lewis. In één jaar tijd vervijftienvoudigde de produktie tot bijna 1,5 miljoen yards.

Met ruim één miljoen yards was de afzet vorig jaar zo'n dertig procent lager dan in 1935. Ondanks een nieuwe revisie van de definitie vier jaar geleden die het mogelijk maakt om ook wol van buiten Schotland te gebruiken. Schotland levert niet meer voldoende van de fijne, hoogwaardige wol die vereist is voor de geraffineerde Harris Tweed.

Ook de instelling door het Britse parlement in 1993 van een speciale organisatie die zich over de bescherming en promotie van Harris Tweed moet ontfermen, heeft de neergang niet af kunnen wenden. Al heeft de Harris Tweed Authority wel belangrijke aanzetten tot modernisering gegeven, zegt hoofdinspecteur Calum Macaulay. Maar de introductie van een nieuwe generatie weefgetouwen, de ontwikkeling van lichtere tweedsoorten en een verhoogde aandacht voor het stofontwerp hebben nog niet voor de langverwachte kentering gezorgd “Met een jaarproduktie van twee miljoen yards zouden we goed kunnen leven”, zegt Macaulay bezorgd, in een jaren vijftig kantoor dat elke luxe ontbeert. Een industrie vecht voor het naakte voortbestaan. “De financiële reserves zijn op en geld om te investeren ontbreekt.”

Als jongen hielp Macaulay zijn vader na schooltijd met weven, zoals indertijd gebruikelijk was. Inmiddels is hij de vijftig voorbij maar hij herinnert zich nog goed wat een hekel hij had aan dat werk. Het was inspannend, geestdodend en smerig. De godganse dag de pedalen van een weefmachine in beweging houden. Voortdurend turen of de draad soms knapte. Niemand om mee te lachen. Niemand om op te vloeken. “Het is een eenzaam bestaan”, vindt hij nog steeds.

Maar het is ook een eerzaam bestaan dat past bij de godsvrucht van het eiland. Sober, simpel, van een tuchtigende strengheid. En hoe zouden de bewoners anders op de godverlaten uithoeken van het eiland kunnen overleven als ze de schapenteelt niet met weven combineerden, als de bestelauto van de fabriek niet wekelijks hun schuren aan het eind van ontelbare landwegen vond? “Fabricage van Harris Tweed is van levensbelang voor dit eiland”, trompettert Macaulay. Alsof daarover twijfel bestond.

Toen de hoofdinspecteur nog jong was, telde de bedrijfstak ruim 1.200 thuiswevers plus 2.000 werknemers in acht fabrieken. Dat waren de hoogtijjaren vijftig en zestig. De jaarproduktie schommelde rond de zes miljoen yards om in 1966 het recordniveau van ruim 7,6 miljoen yards te bereiken. Alles wat de wevers maakten, werd onmiddellijk tot overjassen en kostuums verwerkt. De vraag naar tweed leek onbeperkt in het tijdperk van de grijze, warme degelijkheid.

Zoals meer fabrieken in West-Europa die gefixeerd waren op produktie, verwaarloosden de bedrijven van Harris en Lewis de verkoop. Naar de gunst van de klanten werd niet eens gedongen. Harris Tweed verkocht toch steeds zichzelf. Modegrillen en het succes van goedkope, inferieure, synthetische stoffen troffen de bedrijfstak dan ook als natuurramp. In de jaren zeventig en beginjaren tachtig kon de schade met een jaarproduktie van vier miljoen yards nog worden beperkt. Maar in de jaren negentig kwam de vrije val. Inmiddels werken er in de hele industrie nog 600 mensen: 400 wevers en 200 fabrieksarbeiders, verspreid over drie bedrijven. De omzet bedroeg vorig jaar een schamele tien miljoen pond.

Harris Tweed past niet zo goed in de centraal verwarmde wegwerpmaatschappij, erkent Macaulay. Colberts van Harris Tweed gaan makkelijk twintig jaar mee. Ze houden de kou van het lijf maar daaraan heeft niemand meer behoefte in de moderne subtropische kantoren. Daarbij worstelde Harris Tweed met een stoffig imago. De stof riep net zo'n swingend, eigentijds, dynamisch beeld op als de bolknak en de lange onderbroek.

Sinds mode-ontwerpers als Diana Friend, Spencer Railton en Betty Davis de tweed van de Buiten Hebriden hebben herontdekt en fabrikanten begonnen te experimenteren met gewaagde kleuren en ontwerpen, is de status van de stof weer aanzienlijk opgewaardeerd. Harris Tweed werd in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Japan zelfs tijdelijk als het toppunt van trendy beschouwd. Daarmee werd het exclusieve aureool van het handelsmerk weer eens versterkt dat altijd de grote kracht van Harris Tweed is geweest. Al sinds gravin Dunmore aan het eind van de vorige eeuw de eilandbewoners paaide om hoogwaardige tweed te weven voor de aanzienlijkste onder haar adellijke kennissen.

Klanten die zich in een Harris Tweed jasje hullen, kunnen zich gelukkig wanen omdat ter hoogte van hun hartstreek het befaamde profiel van Maltezer Kruis en rijksappel drukt. In de binnenzak vinden ze een brochure die toont hoe ambachtelijk het weefsel wordt vervaardigd. Een aandoenlijk geel-bruin vouwblad dat moet illustreren hoe bijzonder hun aankoop is. Tenslotte moet Harris Tweed het niet alleen hebben van zijn kwaliteit maar meer nog van zijn snob-appeal.

De tweedindustrie op de Buiten Hebriden heeft nooit voorop gelopen met vernieuwing. Maar dat wil niet zeggen dat de bedrijfstak altijd stilgezeten heeft. Innovatie in de laatste jaren is erop gericht geweest steeds lichtere, en dus ook steeds minder warme soorten tweed te fabriceren. Inclusief een vederlichte variant die voor soepel vallende dameskleding kan worden gebruikt. Op die manier wordt de aantrekkelijkheid en toepasbaarheid van het traditionele weefsel vergroot.

Verder zijn inmiddels 120 van de 400 thuiswevers overgeschakeld op een nieuwe generatie weefmachines. Met financiële steun uit het European Regional Development Fund zoals een blauw plakkaat voorzien van sterren op elk metalen apparaat getuigt. Die nieuwe machine heeft niet alleen het voordeel dat ze betere kwaliteit garandeert en complexere ontwerpen toestaat. In vergelijking met haar antiek aandoende voorgangster levert ze dubbele breedte: 150 centimeter. Dat is een maat die voor kledingbedrijven makkelijker is te verwerken dan de traditionele repen van 75 centimeter. Dat is een maat die Harris Tweed ook voor het bekleden van meubels bruikbaar maakt.

Aan de rand van Stornoway, de hoofdstad van Harris en Lewis, zit John MacKenzie in een houten keet ontspannen achter zijn nieuwe weeftoestel te fietsen. De houten orgelpedalen van het oude apparaat zijn vervangen door trappers. Bij elke nonchalante trap schiet de weefspoel schichtig heen en weer.

John MacKenzie vertelt dat hij in een uur gemiddeld bijna vijf meter Harris Tweed bij elkaar fietst. Intussen luistert hij op de radio naar Keltische volksmuziek. Sommige van zijn collega's, zegt hij, zitten de hele dag achter hun weeftoestel televisie te kijken. Breekt een draad dan blokkeert het apparaat zichzelf en snerpt een alarm dat zelfs de meest luidruchtige soap overstemt.

Hoofdinspecteur Macaulay geeft onmiddellijk toe dat het eenvoudig is om die arbeid te mechaniseren. Enkele wevers zijn ooit voor het leven uit de bedrijfstak verbannen nadat zij een elektromotor aan het vliegwiel hadden bevestigd. Een zware sanctie. Maar de Harris Tweed Authority kan onmogelijk toestaan dat er met de handmatigheid van het weefproces geknoeid wordt. Die ambachtelijkheid vormt juist het handelsmerk van Harris Tweed. “De enige rechtvaardiging voor de handarbeid is dat het werkgelegenheid oplevert”, erkent Macaulay.