Taaleigen

Wanneer een Belg in Nederland winkelt valt hem de overvloed aan neologismen op die de winkelpanden sieren. Een rondje langs enkele winkelstraten levert onder meer op: beautiek, sanisette, voetiek, bloemin, knipperie, shoetiek, kwalitaria, keukerij. Niet onmiddellijk spitsvondige woordvormingen.

Wie dan nog uitgenodigd wordt op een pre-wedding-party en later op een golf-clinic fronst toch even de wenkbrauwen. Taalverloedering in de richting van Ritzen die maar meteen naar het Engels wil overschakelen. Voor Franse invloeden is te weinig gevaar, want die liggen de Nederlander kennelijk niet. In bibliotheken daar worden rekken Franse romans afgeschreven en voor één gulden verkocht.

Kinderen van inwijkelingen hier hebben met die taal dan ook iets langere tijd last dan de autochtoon. Op middelbare scholen wordt Frans graag gemeden. De gevolgen laten zich raden voor wie even Frans gestudeerd heeft. Toen een Brussels politieagent aan een Nederlander vroeg: 'Pouvez-vous français?' antwoordde die 'Oui, je pouve', de gebrekkigheid nog wat beklemtonend.

Eens aanbeland in België valt het voor de Nederlandse inwijkeling allicht ook niet mee te wennen aan zeer courante dingen: hof (tuin), omnibus (stoptrein), beenhouwer (slager), schepen (wethouder), pistolet (broodje), sandwich (puntje) en zo kan men de rekken nog wat aanvullen.

Maar een woord als 'puntje' heeft een massa betekenissen.

Toen in het Belgisch parlement een vrouwelijk Kamerlid in een debat nog enkele aanvullingen wilde brengen, deed ze dat in dezer voege: “Dames en heren, ik heb hier nog twee puntjes die tot hiertoe niemand heeft aangeraakt”, waarna een bulderend gelach losbarstte. Punt!

Begripsverwarring is natuurlijk altijd mogelijk, zeker op taalgebied. Destijds voor zijn vertrek naar de Universiteit van Leuven kwam in Zaïre een student tot afscheid groeten. Ik vroeg hem: “En, hoe zit het met je intellectuele bagage?” Hij antwoordde: “Geen probleem als ik op het vliegtuig maar onder de 25 kilo blijf.” Punt!