Subsidiebeleid

In zijn artikel 'Subsidiebeleid nekt de echte kunstenaar' van 16 oktober geeft Ben Ide Min een interessant vervolg op de discussie die op 20 september geopend werd door Riki Simons. Zowel Simons als Min wijzen erop dat de particuliere kunstmarkt nauwelijks meer functioneert en dat 80 procent van het toch al niet ruime overheidsbudget beeldende kunst voor 20 procent uitverkorenen gereserveerd blijft. Min: “De publieke controle op de kunstmarkt is volledig verloren gegaan toen de overheid haar subsidiestromen geprivatiseerd heeft in de vorm van oncontroleerbare stichtingen.”

Kunstsubsidies hebben een sociaal en een cultureel doel: ze stellen kunstenaars in staat hun beroep uit te oefenen, en geven het altijd aanwezige talent gelegenheid zich vrij te ontwikkelen. Er komt echter nog een motief bij dat gewoonlijk niet wordt genoemd: ze moeten het geïnteresseerde (en belastingbetalende) publiek werken tonen in musea, de openbare ruimte en in openbare gebouwen, waar dat publiek graag naar blijft kijken. Een graadmeter voor die waardering is het bezoek aan de musea voor moderne kunst. Daarvoor worden, ter meerdere eer en glorie van hun directeuren, spectaculaire nieuwe gebouwen opgericht, in binnen- en buitenland.

Maar - Simons beschrijft dat uitvoerig in haar boek - na de feestelijke opening, waar genodigden vooral heengaan om gezien te worden, blijven die musea benauwend leeg. Tentoonstellingen van oude meesters zijn vol, ook tentoonstellingen van recenter werk dat vaktradities in genres en vormgevingsidealen hoog houdt, hebben een geïnteresseerd publiek, maar voor wat de goeroes van de zuivere eigentijdsheid als 'topkwaliteit' presenteren, zakt de belangstelling naar het nulpunt, ondanks voorlichting aan verveelde schoolkinderen en ondanks veel quasi diepzinnig krantengeneuzel.

Wat kan dat betekenen? Min schrijft: “De kunstbeschouwer bepaalt uiteindelijk wat kunst is en wat niet”. Na een zekere tijd is dat zeker juist. In de muziekwereld is het nu al zo. Symfonie-orkesten en opera worden gesubsidieerd, en de zalen zitten vol. Popconcerten zitten ook vol, met een heel ander publiek. Geen van beide maakt aanspraak op een monopoliepositie. In de hedendaagse beeldende kunst gaat het anders. Bij de presentatie van een rapport over het aankoopbeleid van de musea, een jaar of wat geleden, heb ik een directeur plechtig horen verklaren: “Moderne kunst is een specialisme, zoiets als kernenergie. Het grote publiek begrijpt het niet, kan het niet begrijpen, en dat hoeft ook niet. Wij als specialisten weten wat kwaliteit is.” Niemand in de zaal lachte of riep 'boe', hoewel daar toch aanleiding genoeg voor was.

Zou het niet tijd worden voor een objectief onderzoek, eventueel een parlementaire enquête, naar de juiste besteding van subsidies en aankoopbudgetten voor hedendaagse kunst?