Ministerie kent het geheim van goed onderzoek niet

In het onderwijsbeleid wisselen centralisatie en decentralisatie elkaar met grote regelmaat af. Na enkele jaren waarin decentralisatie van de onderzoeksmiddelen het credo was, zitten we nu weer in een centralisatiegolf. De recente Miljoenennota spreekt wat dat betreft duidelijke taal.

Vanaf volgend jaar zal 20 procent van de universtaire onderzoeksgelden eerst worden geoormerkt naar politiek gewenste doelen en vervolgens zullen ze aan de universiteiten worden teruggegeven onder voorwaarde dat ze conform die doelstellingen worden besteed. Dat lijkt weldoordacht, maar de praktijk van het onderzoek wijst uit dat dit een contra-productief plan is.

Een ander voorbeeld van de verdergaande concentratie van onderzoeksmiddelen zijn de 'top-onderzoekinstituten'. Door gericht hoger-onderwijsbeleid kent Nederland nu al meer dan 100 onderzoeksscholen. Op zich is daar niets mis mee, maar oorspronkelijk was het de bedoeling dat alleen internationaal erkende toponderzoeksgroepen het label onderzoeksschool zouden krijgen. Nu zoveel groepen dat etiket hebben ontvangen is de betekenis van het woordje 'top' lichtelijk verwaterd. Dit heeft de beleidsmakers in Zoetermeer ertoe bewogen om de omvangrijke stapel onderwijsplannen nog verder te laten groeien. De mannen van het beleid hebben de geboorte van het 'top-onderzoeksinstituut'aangekondigd. Het doel van deze nieuwe plannen is om door schaalvergroting in het onderzoek de kwaliteit een definitieve impuls richting wereldtop te geven. Grootse ambities voor een klein land.

Maar het is de vraag of de ingeslagen weg inderdaad tot zulke mooie prestaties leidt. De plannenmakers gaan uit van het idee dat onderzoek op korte termijn maakbaar is en dat er schaalvoordelen te behalen zijn. Volgens die ideeën leidt de bundeling van groepen in opgetooide instituten tot het soort kritische massa waarmee alles mogelijk wordt.

Inderdaad zijn er takken van wetenschap waar de investeringen in hardware dermate omvangrijk zijn dat er van schaalvoordelen sprake is. Daarbij gaat het vooral om onderzoek in de natuurwetenschappen, zoals deeltjesonderzoek, dat omvangrijke uitgaven aan laboratoria en apparatuur met zich mee brengt. In de meeste wetenschappen is hiervan echter geen sprake, en wijst de dagelijkse praktijk uit dat er eerder sprake is van schaalnadelen.

Voorbeelden van succesvolle onderzoeksgroepen in binnen- en buitenland laten zien dat het niet draait om de groepsgrootte. In ons eigen vakgebied, economie, zijn de succesvolste groepen meestal klein. Wereldberoemde onderzoeksgroepen in de Verenigde Staten bestaan vaak uit minder dan tien mensen. Zo bestaat de prestigieuze financieringsgroep in Yale uit zes mensen. Ook in eigen land blijkt dat kwaliteit en schaal weinig met elkaar te maken hebben. Naar buiten toe wordt vaak de indruk gewekt dat belangrijke onderzoek afkomstig is van omvangrijke groepen, maar in werkelijkheid zijn er meestal maar vijf of zes mensen echt bij de kernactiviteiten betrokken. Een kleine schaal blijkt in de praktijk helemaal geen nadeel. Kwaliteit wordt gedreven door zaken waarop beleidsmakers weinig of geen greep hebben, zoals de chemie in de groep, inspirerend leiderschap en een duidelijke onderzoeksagenda. De nadruk die het huidige beleid legt op groepsgrootte leidt tot niet veel meer dan papierschuiven en hete lucht.

Om een goede onderzoeksomgeving te creëren zijn slechts enkele eenvoudige randvoorwaarden nodig. Waar het vooral om draait, is intensief dagelijks contact tussen de leden van een groep, zowel tussen de leden van de vaste staf als tussen de staf en de promovendi. Veel contact is een katalysator voor onderzoeksideeën.

In een grote groep is dagelijks contact moeilijk te realiseren. Groepen waarvan de leden veel thuis werken, hetgeen op veel faculteiten nog aan de orde van de dag is, zijn dan ook gedoemd tot wetenschappelijke mislukking. Ook het idee om de promovendi van meer universiteiten te bundelen in een onderzoeksschool teneinde de onderlinge kennisuitwisseling te verbeteren is onzalig, omdat het de kennisuitwisseling tussen promotor en promovendus frustreert. Door promovendi fysiek weg te halen bij hun promotor wordt deze gebrekkige begeleiding geïnstitutionaliseerd.

Daarnaast is voor goed onderzoek nodig dat alleen productief gedrag beloond wordt. Mensen en groepen moeten weten dat ze worden afgerekend op hu prestaties. Daarvoor is nodig dat er welomschreven doelstellingen worden gehanteerd en dat er een duidelijke relatie moet liggen tussen de onderwijs- en onderzoeksprestaties van een groep of een persoon en het te ontvangen budget. Cruciaal daarbij is dat de beoordeling plaatsvindt op het niveau waar het werk plaatsvindt en niet in Zoetermeer. Als de middelenverdeling op die manier is geregeld wordt er geen premie meer gezet op politiek gedrag. In de huidige universitaire praktijk is er vaak een continue strijd om de middelen en liggen de spelregels niet vast. Om in het politiek proces niet het onderspit te delven brengen teveel goede onderzoekers hun dagen door aan de vergadertafel. Dat zal alleen maar erger worden als de plannen ter centralisatie van de onderzoeksmiddelen waarover te miljoenennota spreekt hun beslag krijgen.

Achter de meeste plannen uit Zoetermeer zit de impliciete gedachte dat onderzoek maakbaar en schaal cruciaal is. Beide ideeën zijn gebaseerd op drijfzand, en zullen slechts leiden tot geldverspilling. Kennis is een grote bakstenen muur. Iedere wetenschapper legt af en toe een steentje op die van de voorgangers, maar het is geen enkel individu en geen enkele onderzoeksgroep gegeven om een hele muur te bouwen. Daar kunnen 1000 beleidsmakers niets aan veranderen.

Waar het om gaat, is ervoor te zorgen dat wetenschappers ongehinderd hun steentjes kunnen leggen. Dan volgen de maatschappelijke baten vanzelf.