Lijster kijkt graag maar luistert nog liever naar wormen

Weinig vormen van diergedrag zijn zo vaak gadegeslagen en zo zelden onderzocht als die van de lijster en de worm. Met grote regelmaat stellen lezers van natuurtijdschriften de vraag, en al even vaak verzinnen geraadpleegde natuurkenners er dan maar wat op los: hoe achterhalen merels en andere lijsters hun prooien in de bodem?

Op het oog, het gehoor, via de reuk of via de poten die wellicht bodemtrillingen opvangen? Canadese biologen hebben nu aan alle onzekerheid een einde gemaakt (Animal Behaviour, 54, 143-155). Dankbaar onderwerp van voedseltesten waren enigszins hongerige Amerikaanse roodborstlijsters (Turdus migratorius). Dat zijn vogels die in levenshouding en uitstraling sterk met onze merel (Turdus merula) overeenkomen en in Noord-Amerika talrijk gazons bewandelen.

De eerste stap was simpel: de reuktest. Daarvoor volstond het verse, gedode en dus bewegingloze prooien te begraven, in dit geval meelwormen (keverlarven). En terwijl de dieren levende meelwormen wel zonder meer te pakken kregen, lieten ze dode prooien ongemoeid. Reukvermogen van vogels wordt vaak ten onrechte niet-bestaand geacht, maar in dit geval speelt het inderdaad geen rol.

Dan het voelen van trillingen. Dat had iets meer voeten in aarde: de vogels moesten in een apart bakje staan, terwijl in een belendend bakje, waarmee ieder voelcontact ontbrak, meelwormen waren begraven. Die achterhaalden de vogels heel makkelijk. Gehoor en zicht bleven dus over. Het derde proefstadium werd wat frustrerend voor de vogels. De wormen werden niet alleen onder aarde begraven, maar ook nog eens afgedekt met een stuk karton dat elk zicht ontnam. Desondanks pikten de vogels behoorlijk op de juiste plaatsen.

Pas toen de onderzoekers met de meelwormen een luidspreker begroeven, die een constante, 'witte' ruis met een breed spectrum voortbracht, werden de vogels veel minder trefzeker. Bovendien deden ze minder pogingen.

Het geïnteresseerd met een oog naar de grond kijken van merels, voorafgaande aan het toeslaan, is dus vooral exact luisteren. Daarbij maken de vogels wel weer gebruik van visuele informatie wanneer die er is. Hoe regenwormen klinken blijft nog even onbekend, maar over meelwormen geven de onderzoekers wel inlichtingen. De geluiden die zij bij het bewegen in de aarde maken lijken, wanneer versterkt, erg op die van een mens die over een grindpad loopt. Overigens geldt voor merels natuurlijk dat zij van oorsprong bosbewoners zijn - en dierenleven in bladgrond is nog veel luidruchtiger dan in een gazon.