Kalfshuid, ponsbanden, ascii en een ganzenveer

Het IJslandse Homilieboek ('Homiliu-bók') geldt als het oudste boek in het Oud-IJslands of Oud-Noords. Het werd rond 1200 geschreven, maar waar en door wie is onbekend. Het omvat 62 teksten, merendeels preken en religieuze teksten, geschreven op 102 vellen perkament, gemaakt van kalfshuid, en gebonden in zeehondenhuid.

Over de vroegste geschiedenis van het boek is niets bekend. In 1682 kocht een zekere Jón Eggertsson het boek in IJsland voor twee riksdalers en drie marken voor het Zweedse Antiqvitets-Collegiet. Bijna een eeuw later werd het eigendom van de Koninklijke Bibliotheek in Stockholm, waar het zich nu nog bevindt. De preken in het boek die voor een klein deel ook voorkomen in een iets jonger Oud-Noors boek, dienden waarschijnlijk om de IJslanders bekend te maken met de leer van de kerk in de eerste eeuwen na de bekering tot het christendom rond het jaar 1000.

Het Homilieboek is twee keer volledig uitgegeven in de vorm van een transcriptie. De oude handgeschreven teksten zijn soms moeilijk leesbaar en bevatten woorden en afkortingen (en vrijheden of fouten in de spelling) die zonder nadere toelichting niet of moeilijk te begrijpen zijn. De eerste editie, met een oplage van slechts 200 exemplaren, dateert van 1872 en werd verzorgd door de Zweedse taalgeleerde Theodor Wisén. In 1993 volgde een tweede editie, uitgegeven door het Árni Magnússon Instituut in Reykjavik. Dit boek bestaat uit de (gefotografeerde) originele bladzijden die, per bladzijde, worden gevolgd door een transcriptie die het handschrift regel voor regel en teken voor teken volgt. Bij deze uitgave behoort een ruim 200 pagina's tellende introductie en een wetenschappelijke toelichting met een uitvoerige beschrijving van spelling en vormleer, verzorgd door de taalkundige Andrea de Leeuw van Weenen, die hiermee al in 1977 in Utrecht promoveerde aan de faculteit der letteren.

De fraai verzorgde uitgave van 1993 is te koop bij het IJslandse Árni Magnússon Instituut voor 25.000 IJslandse kronen, ruim 700 gulden. “De prijs is zo hoog als gevolg van de moeilijkheden die zich bij de productie hebben voorgedaan”, aldus mevrouw De Leeuw van Weenen, die is verbonden aan de vakgroep vergelijkende taalwetenschappen van de Universiteit van Leiden. “De eerste uitgave van 200 exemplaren was na 45 jaar nog niet uitverkocht. Ook de tweede editie met vooralsnog een oplage van 500 stuks, kan dus wel een tijd mee.”

De studie van oude IJslandse manuscripten is het gevolg van een toeval, vertelt De Leeuw van Weenen, die in 1965 afstudeerde in wiskunde. “Mijn echtgenoot kreeg in 1971 een tijdelijke betrekking in IJsland. Hoewel we twee kleine kinderen hadden, besloot ik de landstaal te leren aan de universiteit van Reykjavik. Eind 1973 voltooide ik de studie met succes. Toen bleek dat we nog een jaar langer op IJsland zouden blijven. Het Árni Magnússon Instituut waar ik werd geïntroduceerd, stelde mij voor een nieuwe editie te maken van het Homilieboek. In 1975 en '76, terug in Nederland, heb ik de uitgave in getypte versie voltooid.”

De feitelijke productie van het boek leverde echter veel problemen op. In de originele tekst staan tal van letters en tekens die niet in gewoon zetwerk voorkomen en dus speciaal ontworpen moesten worden, een kostbare aangelegenheid. In 1979 leek een IJslandse drukkerij de oplossing te hebben gevonden: met een Harris fotozetmachine konden de benodigde tekens worden gemaakt. In 1982 waren de eerste 160 pagina's gereed voor het 'proeflezen'. Volgens de wetenschappelijke mores van het Instituut kwamen daar drie experts aan te pas. Nadat hiermee drie jaar waren verstreken, schakelde de drukkerij over op een ander zetsysteem (Bobst). Omdat conversie van de op ponsband bewaarde tekst niet mogelijk bleek, moest alles opnieuw gezet worden. Dit keer kreeg De Leeuw van Weenen op haar aandringen een kopie van de gezette teksten op floppy's. Met enige moeite (alle speciale zetaanwijzingen moesten worden verwijderd) converteerde ze de teksten zekerheidshalve in ASCII-files.

Nadat het proeflezen voor de tweede keer was begonnen - een zware taak voor de kleine groep experts van het Instituut - ging de drukker andermaal op nieuwe apparatuur over. “Het leek alsof de proefleescyclus gedoemd was voor altijd achter de snelheid van de technologische vooruitgang aan te hinken”, aldus De Leeuw van Weenen in haar voorwoord bij de wetenschappelijke introductie. De conversie van de reeds beschikbare teksten naar het nieuwe systeem leverde problemen op. “Het wemelde van de fouten.” De ASCII-files die De Leeuw van Weenen had bewaard, leken uitkomst te brengen, maar opnieuw leverde de omzetting in het nieuwe systeem veel fouten op. De technische problemen bleken onoplosbaar, vooral door de 'terminologische verwarring in vier talen' - want het zetwerk vond plaats in IJsland, de conversie gebeurde in Denemarken en de auteur bevond zich in Nederland - “en we probeerden er in het Engels over te praten”. Uiteindelijk bood het computerprogramma TEX de oplossing. Mevrouw De Leeuw van Weenen zette de ASCII-versie van de tekst om in TEX, waarbij andermaal allerlei tekens moesten worden ontworpen in METAFONT. De in Nederland vervaardigde cameraready kopie werd vervolgens naar IJsland gestuurd om daar gedrukt te worden.

Aan de eerste editie van de Zweed Wisén is een opmerkelijk verhaal verbonden dat van belang is voor de editie die De Leeuw van Weenen verzorgde. In 1887, vijftien jaar na de publicatie van Wisén, publiceerde de Zweed Ludvig Larsson zijn 'Studier över de Stockholmska Homilieboken I-II' waarin hij stelde dat Wisén in zijn transcriptie maar liefst 2.000 fouten had gemaakt. Deze vernietigende kritiek leidde tot een onverkwikkelijke controverse. Wisén ontzag zich niet om Larsson op grove wijze van repliek te dienen. Deze bleef bij zijn standpunt. Het duurde tot 1975 toen een andere Zweedse geleerde, Gustav Lindblad, een onderzoek publiceerde over 1350 punten waarover Larsson en Wisen het oneens waren. Lindblad concludeerde dat Larsson in 1200 gevallen gelijk had. In de overige 150 gevallen was Larssons opvatting dubieus of incorrect. Verder onderzoek bracht aan het licht dat achter de controverse een ordinair schandaal schuil ging. Lindblad vergeleek de 150 'fouten' van Larsson met de tekst van het manuscript en stelde vast dat in de tekst was geknoeid. Zoals alle oude IJslandse geschriften is het Homilieboek geschreven met ganzeveren. De gebruikte inkt was van een bijzondere samenstelling (bepaalde bessen die op IJsland voorkomen, vormden een van de grondstoffen). Uit de vorm van de veranderingen die in het boek waren aangebracht en de pennen en inkt die daarbij kennelijk waren gebruikt, kon worden afgeleid dat de 'correcties' van recente datum waren. In de jaren zeventig werd in Larssons nalatenschap een lijst van 125 veranderingen aangetroffen die naar zijn oordeel kennelijk na 1886 waren aangebracht. Waarschijnlijk is dat gebeurd in de periode tussen Larssons eerste kritiek en Wiséns eerste beledigende reactie.

Als alle 'correcties' in acht worden genomen, heeft Larsson slechts in tien van de 2.000 gevallen niet gelijk en zelfs dat is dubieus, aldus De Leeuw van Weenen. Zij heeft zich uiteraard gebaseerd op de tekst van vóór 1886, voorzover die als oorspronkelijk vast staat. “Er is echter reden aan te nemen dat er nog meer met de tekst is gemanipuleerd dan Larsson en Lindblad hebben vastgesteld”, stelt zij in haar overzicht van de geschiedenis van het boek, dat onderwerp is geweest van talloze taalkundige en letterkundige studies.