Jan Pronk over markt en mensenrechten in de Derde Wereld; 'Afrika kan zijn fouten niet langer verwijten aan het Westen'

Minister Pronk geniet het vertrouwen van nieuwe Afrikaanse leiders, maar praat hen niet naar de mond. Een tiers-mondiste schetst onderweg in Afrika de evolutie van zijn denken. 'Ik heb meer afstand genomen van machthebbers en ben het belang gaan inzien van behoorlijk bestuur.'

Met ruim een uur vertraging arriveert de karavaan ambassade-auto's bij de ingang van Hôtel des Mille Collines. Jan Pronk is terug aan het ziekbed van zijn zorgenkind Rwanda. Hij doet het land voor de elfde keer aan sinds de volkerenmoord in 1994; dit is het eerste langere bezoek sinds de stroom Hutu-vluchtelingen in november terugkeerde uit Oost-Zaïre (nu Congo). Voor rustig overleg tussen de delegatie en de ambassadestaf is nauwelijks tijd meer, want de chefs de mission van de Europese Unie wachten op minister Pronk in de ambtswoning van de Nederlandse zaakgelastigde. Zij zijn de buitenlandse artsen die de patiënt van nabij observeren en Pronk popelt om hun diagnose te vernemen. Want de jongste berichten stemmen somber.

De met bloed doordrenkte heuvels rond de hoofdstad Kigali ogen lieflijk als vanouds, het drama is onzichtbaar geworden. Aan de tafeltjes rond het zwembad van 'Mille Collines' zitten weer buitenlandse hulpverleners, hoewel hun aantal is geslonken, en op de parkeerplaats wemelt het van de Toyota 4 x 4's met antennes en internationale emblemen.

In Kigali wijst alleen het gehavende parlementsgebouw nog op hetgeen zich hier heeft afgespeeld. Het deed in 1994 dienst als voorlopig onderkomen van het Rwandese Patriottische Leger (RPA) onder commando van - nu - vice-president Paul Kagame. Artillerievuur van moorddadige Hutu-milities gaf het een pokdalig aanzien. De bevolking van de hoofdstad is sindsdien voor negentig procent van samenstelling veranderd. Hutu's, de grootste bevolkingsgroep van Rwanda, zijn er in de minderheid en de Tutsi-remigranten uit Oeganda geven de toon aan. Ze brachten geld en ondernemerszin mee en oud-Kigaligangers zeggen dat ze nog nooit zoveel luxe auto's in de straten hebben gezien.

Op vrijdag trekt Pronk het land in. Een colonne dienstauto's van het UNDP, de Nederlandse vrijwilligersorganisatie SNV en de ambassade begeleidt de minister naar Gitarama, een prefectuur in het hart van Rwanda. Pronk luistert met nauw verholen ongeduld naar het welkomstwoord van de plaatsvervangende prefect en vuurt dan een salvo vragen af. Over de huisvestingssituatie na de terugkeer van de vluchtelingen en het lot van de vele duizenden gevangen die in Gitarama vastzitten op beschuldiging van deelname aan de genocide. Pronk wil weten, de tijd dringt en hij worstelt met tegenstrijdige signalen.

In diplomatiek Kigali circuleert een recent artikel van de Franse historicus en Rwanda-kenner Gérard Prunier, die in 1994 in de jeep van Kagame Kigali binnenreed. Prunier heeft zijn standaardwerk over de genocide demonstratief in het Engels gepubliceerd en niet in zijn moedertaal. Zijn sympathie voor het nieuwe Rwanda blijkt danig bekoeld. Pruniers jongste artikel, dat onlangs op het internet verscheen, werd Pronk vorige week met de handgeschreven wenk “Zeer belangwekkend!” door diplomaten ter hand gesteld.

Prunier constateert een versmalling van Kagame's sociale basis. Ministers en legerofficieren uit de gematigde Hutu-groep worden steeds vaker naar huis gestuurd en soms gemolesteerd. Hutu-president Pasteur Bizimungu zou onder grote druk staan. Zijn kroost wordt op school uitgescholden voor 'kinderen van de Protector' (een plaatselijk merk condoom), een toespeling op de rol die deze Hutu wordt toegeschreven als schild van een gedoodverfd Tutsi-bewind. Prunier constateert verder een proces van maatschappelijke segregatie: Hutu's verlaten de hoofdzakelijk door overlevende en geremigreerde Tutsi's bevolkte steden, de enige kernen van economische groei, en het vooral door Hutu's bewoonde platteland raakt buiten de geldeconomie verzeild.

Pronk distantieert zich van die analyse: “Ik ben het oneens met Prunier als hij achter deze tendenzen een strategie meent te zien. De jongste wijzigingen in de regering zie ik als een streven naar eenheid van beleidsvisie. In dat proces zijn minder competente figuren vervangen. Die segregatieverschijnselen zijn niet het gevolg van bewust beleid, maar van autonome processen.” Hij noemt allereerst de terugkeer. De armsten onder de Hutu-vluchtelingen van 1994 trekken naar het platteland en de rijksten uit de Tutsi-diaspora (die ontstond na de Hutu-'revolutie' van 1959) vestigen zich in de stad. De minister wijst erop dat Rwanda altijd een duale sociale opbouw en een feodale sociale structuur heeft gekend. Pronk: “De uit de genocide oprijzende samenleving vertoont datzelfde dualisme, maar dat mag je niet uitleggen als bewust beleid.” De minister komt gaandeweg tot een andere slotsom: “Ik acht het inmiddels tijd om het niet te laten bij hulp aan rehabilitatie en overweeg over te gaan tot ontwikkelingsbijstand om de integratie die deze regering zegt voor te staan te helpen bevorderen.”

De basisvorm

Pronk wikt en weegt en brengt zijn meereizende staf tot wanhoop met onvoorspelbare gevolgtrekkingen. 's Avonds in het hotel leggen we hem de vraag voor hoe hij een evenwicht vindt in de beoordeling van een uit het lood geslagen samenleving als Rwanda. “Voor landen die door gewelddadige conflicten zijn heengegaan kun je nauwelijks Westerse maatstaven aanleggen. De Nederlandse positie tegenover Rwanda is aldus: kritische solidariteit met wat er hier gebeurt, vragen blijven stellen, niet goedgelovig zijn. Wel de context van de genocide zeer zwaar laten wegen, niet duwen in de richting van een te snelle normalisering. Je moet hier nu niet met partijen wier leiders verantwoordelijk worden geacht voor de genocide, praten over verkiezingen, verzoening of onderhandelingen.”

Blijft er dan nog iets te beoordelen over? “Jawel. Eén criterium blijft universeel gelden, en dat stel ik ook aan de orde in mijn gesprekken met Kagame. Dat zijn de rechten van de mens teruggebracht tot hun basisvorm: het recht om te overleven, dus je leven niet beëindigd te zien, noch door anderen noch door de staat, het recht om dat leven enigszins zinvol te kunnen leiden en zelf te bepalen wat de zin daarvan is. Dat is het begin van democratie. Dat basiscriterium is de marge voor kritiek en van daaruit kun je verder bouwen aan pluriformiteit en een zekere mate van vrijheid. Rwanda zegt te streven naar één natie, een einde van de straffeloosheid, vrede. Welnu, zeg ik dan, dat is niet mogelijk wanneer men dezelfde dingen doet die men anderen verwijt en de straffeloosheid doorgaat. Dan vervallen we in een spiraal van wraak.”

Pronk vindt het “razend moeilijk” om zich een betrouwbaar beeld te vormen van de jongste gebeurtenissen in Midden-Afrika. “Neem Kivu in Oost-Congo. Mijn Belgische collega Moreels zei in februari: er vindt hier een tweede genocide plaats. Ik was niet geneigd om dat aan te nemen. Ik dacht: er zullen ongetwijfeld velen zijn omgebracht, maar genocide gaat me te ver.” Toen Pronk in maart heel kort in Oost-Congo was, sprak hij met priesters, niet-gouvernementele organisaties en de plaatselijke bevolking. “Ik kreeg toen geen enkele aanwijzing dat er iets speelde. Daarna, in april, nadat de stad Kisangani in handen was gevallen van Kabila's oprukkende rebellen, hebben Rwandese troepen een en ander aangericht. Niemand weet precies wat. Ik vind een onderzoek naar de toedracht dus hard nodig. Je moet in geweldssituaties vragen blijven stellen, want je bevindingen van maandag zijn niet dezelfde als die van dinsdag.”

Goedgelovig

De Jan Pronk van 1997, stellen we vast, is niet dezelfde als die van 1977. Hij was bijna twaalf jaar minister van ontwikkelingssamenwerking, vier jaar in het kabinet-Den Uyl (1973-1977), vier jaar onder Lubbers (1990-1994) en nu onder Kok. Wat waren de ernstigste beoordelingsfouten van de eerste periode? “Terugkijkend op het beleid dat we in de jaren zeventig hebben gevoerd, waren we te goedgelovig met betrekking tot Cuba en Vietnam. Ik dacht dat we door een solidaire positie in te nemen, een gesprekspartner waren die kon bijdragen tot verbetering van de mensenrechten. Dat was volstrekt niet het geval. Er werd totaal niet geluisterd, maar de hulp werd wel geïncasseerd.”

De minister wijt dit aan de gelijkgeschakelde, autoritaire samenleving. “Er is geen aanspreekpunt, via welke je een ontwikkeling van binnenuit kunt ondersteunen. Wat Afrika betreft, heb ik mijn goedgelovigheid laten varen. Het gekke is dat er nu in Europa een bijna kritiekloze verering bestaat voor president Museveni van Oeganda en zijn pupillen, de 'nieuwe leiders'. Kagame is er één van. Ik vind het goed dat ze er zijn en ik heb enkele jaren geleden als één van de eerste Europese politici een behoorlijke relatie met hen opgebouwd. Ik blijf alleen denken: het kan fout lopen.”

Het bezoek aan Rwanda zit erop en het gezelschap begeeft zich aan boord van een Keniaans charter-vliegtuig met bestemming Kinshasa, de hoofdstad van Congo. Hoog boven het Congolese regenwoud vragen we of de ideoloog Jan Pronk in de loop der jaren van gedachten is veranderd over het Noord-Zuidvraagstuk. Hij zuigt bedachtzaam op een toffee en steekt dan van wal. “Ik ben altijd een aanhanger van Tinbergen gebleven, iemand die gelooft in een internationale rechtsorde met een belangrijke publieke sector die zorgt voor degenen die onvoldoende toegang hebben tot markt en macht. Ontwikkelingssamenwerking is eigenlijk de vertaling van onze Westeuropese verzorgingsstaat met zijn belastingen en sociale zekerheid, naar een internationaal niveau in een wereld die meer en meer één huishouden vormt. Zowel landen die het goed hebben als ontwikkelingslanden hebben belang bij een sociale wereldorde. Dat vond ik in de jaren zestig en dat vind ik nog steeds.”

Toch bespeurt hij een belangrijke verandering. “Ik ben een kind van het dekolonisatietijdperk. In mijn studententijd kwam de beweging van niet-gebonden landen op, met figuren als Soekarno, Nehru, Nasser. Ik vond dat die een juiste weg uitstippelden en was voorstander van een snelle dekolonisatie - dat was hun recht. Ik voelde me verwant met degenen die in Frankrijk opkwamen tegen de oorlog in Algerije. Dat maakte me in de jaren zeventig een tiers-mondiste: zij hadden zichzelf van ons koloniale juk bevrijd en hadden dus het recht om ons te bekritiseren. Veel fouten die men ginds maakt, vond ik toen, zijn onze fouten. Dat betekende dat je hun wat eerder het voordeel van de twijfel gunde en minder kritiek uitoefende. Welnu, daar ben ik overheen.”

Pronk, zegt hij zelf, is veel meer afstand gaan nemen van machthebbers. “Ik ben gaan begrijpen dat iedere nieuwe leider, ook als die de samenleving terecht heeft afgeholpen van een vorige leider, in exact dezelfde fouten kan vervallen. Er zijn structuren en systemen die maken dat men in voetstappen van zijn voorgangers treedt. Geef, zeg ik tegen mezelf, geen onbeperkt vertrouwen. Geef hun het voordeel van de twijfel, maar blijf altijd twijfelen en vragen stellen. Daarom leg ik rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch ook niet terzijde. Daarom ligt nu de nadruk op behoorlijk bestuur, mensenrechten, democratisering en corruptiebestrijding.”

En de hypotheek van het kolonialisme, is die inmiddels afgelost? “Daarvan zeg ik: dat is nu mooi geweest. Men kan de fouten die ginds gemaakt worden niet langer verwijten aan het Westen. Dat is een afleidingsmanoeuvre die leidt tot continuering van slecht beleid. Je mag wel kritiek hebben op neokoloniale verhoudingen, maar niet meer op het imperialisme van vroeger.”

Homo economicus

De oudere Pronk, gerijpt door ervaring, heeft niet alleen de aanvechting tot solidariteit in de hand gekregen, hij heeft nog meer geleerd. De diep ingevreten haatgevoelens tussen Hutu's en Tutsi's in Rwanda laten zich niet verklaren uit de berekeningen van de homo economicus. “Ik heb veel meer inzicht gekregen in het belang van culturele factoren. Daar had ik in de jaren zestig nauwelijks oog voor. Een louter economistische verklaring van maatschappelijke verandering vind ik inmiddels naïef, of die nu marxistisch of kapitalistisch is. Tegen collega-ontwikkelingsdeskundigen houd ik vol dat etnische en religieuze tegenstellingen van groot belang zijn en dat je die niet tot economische tegenstellingen kunt reduceren. Daarbij komt geweld, conflicten. Mijn model is veel gecompliceerder geworden.”

Het einde van de Koude Oorlog heeft ontwikkelingslanden bevrijd uit de houdgreep van neokoloniale invloedssferen en dat, vindt Pronk, is een kans die men moet grijpen. Nu komt het Westen echter met nieuwe, dwingende recepten. De invoering van een meerpartijenstelsel wordt Afrika voorgehouden als gulden norm. Is dit niet wat mechanisch? “Zo geformuleerd wel. In mijn discussies met die landen praat ik over pluriformiteit, democratisering, begrippen die op meerdere manieren kunnen worden ingevuld.”

In Oeganda maakt men die invulling zelf. De Verenigde Staten zijn kritisch en zeggen: als er geen competitie is tussen politieke partijen, is er geen echte democratie. “Ik vind de 'geen-partijendemocratie' van Museveni een interessant experiment. Men zegt mij dat het in ieder geval op lokaal niveau werkt. Ik vind niet dat je een systeem dat in de tweede helft van de negentiende eeuw in het Westen is ontstaan, meteen elders moet invoeren. Zeker niet als bepaalde religieuze of tribale tegenstellingen worden versterkt door partijvorming op die grondslagen. En al helemaal niet in een praktijk van the winner takes all. Dan haalt een bepaalde tribale of godsdienstige groep de hele buit binnen en wordt de rest gemarginaliseerd. Als een land zegt: ons stadium van natievorming laat dit niet toe, dan zou ik ze wat ruimte willen geven. Ze moeten wel duidelijk maken dat ze streven naar een zekere mate van pluriformiteit en vrijheid van meningsuiting. Maar ik zeg niet: het moet zoals bij ons.”

In de loop van twintig jaar theorie en praktijk is zijn visie op de voors en tegens van de markt veranderd. “Ik had in de jaren zeventig onvoldoende door dat de markt een zuiverende werking heeft op bureaucratische excessen. De bureaucratie wordt niet gecontroleerd en als je productieve activiteiten in die handen legt, open je de deur voor corruptie en zelfverrijking. Om die reden vind ik nu dat men handel en industrie meer aan de markt moet overlaten. Want staatsbedrijven zijn bijna overal mislukt. Je moet alleen voorkomen dat door marktwerking lokale ondernemers worden verdrongen door buitenlandse ondernemers. Dus betekent marktwerking ook mededingingsbeleid.”

Pronks herwaardering van de markt geldt vooral het platteland; “Ik vind het van groot belang dat in de basissector van alle ontwikkelingslanden, de landbouw, marktwerking wordt verstevigd. Boeren moeten een zo sterk mogelijke prikkel krijgen om te produceren. Je zult dat met het oog op voedselzekerheid voorzichtig moeten doen. Een te plotselinge invoering van het marktproces kan betekenen dat de prijzen van de inputs zo gigantisch stijgen dat ze ver uitstijgen boven die van het product en boeren niet kunnen investeren. Zeker wanneer ze naar de bank worden verwezen en de facto geen toegang hebben tot krediet. Als je alles privatiseert en geen ontwikkelingskrediet voor boeren creëert, is dat ook het paard achter de wagen spannen.”

Toch houdt de sociaal-democraat in Pronk het laatste woord: “Er is een sterke overheid nodig om een markt goed te laten functioneren. Dat is iets anders dan marktwerking over de hele linie.”

In verhouding tot zijn vanouds grote belangstelling voor de allerarmsten heeft Pronk in de loop der jaren meer oog gekregen voor het belang van een middenklasse. “Dat heeft een politieke en een economische reden. Een goede middenklasse is een belangrijk draagvlak voor politiek evenwicht en pluriformiteit. Zonder middenklasse is er ook geen mogelijkheid voor economische groei en groei is nodig, ook voor armoedebestrijding.”

Het vliegtuigje boort zich schokkend door het dikke wolkendek boven Congo. Nu willen we nog weten hoe de minister de toekomst ziet van zijn directoraat-generaal na de verkiezingen. Is er leven voor OS na Jan Pronk? “De mogelijkheid wordt besproken om ontwikkelingssamenwerking aan een staatssecretaris te geven in plaats van aan een minister. Daar ben ik tegen. Mijn partij ook, dat staat in het ontwerp-verkiezingsprogramma. Een staatssecretaris wordt niet geacht mee te praten over aangelegenheden buiten zijn beperkte portefeuille.” Ruimte voor verandering in de huidige constellatie is er wel, niet in de laatste plaats omdat het buitenlandse beleid fysiek te zwaar, te complex is geworden voor één persoon. “Ik kan me voorstellen dat men eens naar andere landen in Europa kijkt en geleidelijk kiest voor een andere structuur. Een minister voor humanitaire samenwerking, bijvoorbeeld, of een combinatie met internationale economische betrekkingen. Daardoor kun je het beleid ten aanzien van de opkomende, minder arme ontwikkelingslanden in één hand leggen. Je kunt ook een element van de buitenlandse politiek koppelen aan OS: zuidelijke buitenlandse politiek of een deel daarvan. Maar ik moet voorzichtig zijn, want er wordt zo gauw gezegd: hij wil zijn competenties uitbreiden.”