Het Rode Leger is niet zo bedreigend

China wordt wel afgeschilderd als een nieuw 'Rijk van het Kwaad'. Maar ondanks verhoging van het budget, vormt het Rode Leger een efficiënt, noch uitgebalanceerd geheel.

ROTTERDAM, 25 OKT. De afgelopen 20 jaar moesten de Chinese strijdkrachten tweemaal constateren volkomen op het verkeerde been te staan. De eerste keer was in februari 1979 tijdens de 'strafexpeditie' tegen Vietnam omdat dat land Cambodja zou hebben 'bezet'. Hoewel een grote Chinese troepenmacht wist op te trekken tot aan de havenstad Haiphong, waren de verliezen vernederend groot. “Een Chinese divisie was toen even sterk als één van onze divisies in 1944,” zei een Amerikaanse analist. De Chinese doctrine was gebaseerd op massale infanterie-aanvallen, een tactiek die op het ervaren Vietnamese leger weinig indruk maakte.

China zette vervolgens alles in het werk om de bestaande wapensystemen - vooral in licentie gebouwde Sovjet-modellen uit de jaren '50 - te moderniseren; voor de aanschaf van nieuwe uitrusting was geen geld. Aan het eind van de jaren '80 was de upgrading een eind op streek, onder andere met behulp van Duitsland en Frankrijk, maar vooral van de Verenigde Staten. Het neerslaan van de demonstraties op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 gooide roet in het eten: Westerse technische hulpprogramma's werden gestopt.

De Golfoorlog bracht de volgende ontgoocheling. Het Iraakse leger vertrouwde aan de ene kant op simpele, robuuste tanks en pantservoertuigen van onder meer Chinese makelij. Aan de andere kant beschikte het over hoogwaardige Westerse luchtverdedigingssystemen en vliegtuigen, en het werd dan ook kwalitatief hoger aangeslagen dan de Chinese strijdkrachten. Maar tegen de haast naadloze integratie van geallieerde zijde van precisie-geleide wapens - geavanceerde command, control, communications and intelligence - bleek het Iraakse leger machteloos. Dat was ook voor de Chinese strategen een klap in het gezicht. Een technologisch overwicht laat zich vertalen in een absolute - militaire - overwinning, zo luidde de les.

Sinsdien is China op zoek naar geavanceerd wapentuig, maar door geldgebrek en Westerse terughoudendheid slaagt het land er maar zeer ten dele in zijn miljoenenleger op te waarderen. Alleen de van geld verstoken Russische defensie-industrie en, op bescheidener schaal, Israel leveren complete wapensystemen of technische hulp. Omdat een - Russische of Indiase - aanval over land uiterst onwaarschijnlijk is en China de geopolitieke blik meer in de richting van de Zuid-Chinese Zee richt, hebben luchtmacht en marine voorrang gekregen bij het moderniseringsprogramma.

De Chinese luchtmacht kocht in Rusland ten minste 50 Su-27 Flanker onderscheppingsjagers. Ook wordt onderhandeld over licentie-productie. Deze vliegtuigen hebben zo'n groot bereik dat ze vanaf het vasteland boven bijvoorbeeld de betwiste Spratly-eilanden kunnen patrouilleren. China probeert oude bommenwerpers om te bouwen tot tankervliegtuigen en over de aanschaf van vliegende radarposten zijn besprekingen gaande met zowel Rusland als Israel. Deze landen geven hulp bij de bouw van nieuwe gevechtsvliegtuigen.

De marine wordt intussen uitgebreid met fregatten, bevoorradingsschepen en amfibievaartuigen. Ook kocht China afgelopen jaren twee destroyers van de Russische Sovremny-klasse (uitgerust met supersone, zogeheten Sunburn-raketten) en twee moderne Kilo-onderzeeërs, eveneens uit Rusland. Over de aankoop van nog meer onderzeeboten wordt onderhandeld.

Maakt dit China nu tot een geduchte militaire macht, vergelijkbaar met die van de VS in de Stille Oceaan? Nee. Nog steeds zijn de doctrines en het gros van het wapentuig volstrekt verouderd. De luchtmacht bestaat voor meer dan 80 procent uit kopieën van toestellen die al in de jaren '50 in de Sovjet-Unie rondvlogen. Chinese piloten maken per jaar nog geen 100 vlieguren, hun Amerikaanse collega's tweemaal zoveel. Communicatiemiddelen zijn antiek.

Het Amerikaanse adviesbureau Rand Corporation heeft een studie verricht naar de capaciteit van de Chinese luchtmacht. In 2015 zou deze kunnen beschikken over 250 moderne Flankers en nog wat moderne vliegtuigen, aldus de conclusie. Ter vergelijking: Japan beschikt op dit moment al over zo'n 200 vliegtuigen van dergelijke kwaliteit. Van China gaat de komende 20 jaar geen militaire dreiging uit, ook al zouden er kwade intenties jegens de VS zijn, aldus het Rand-eindoordeel.

Voor de marine geldt hetzelfde. Zo is er één Chinese onderzeeboot met kernraketten in de vaart, wat in tegenspraak is met de regel die minstens vier onderzeeërs voorschrijft. Dit om altijd één boot paraat te hebben - dat wil zeggen: stil liggend op de zeebodem -, één terugkerend van het patrouillegebied, één op weg daarheen en één in revisie. De nieuw in de vaart genomen fregatten missen volgens het Britse International Instituut voor Strategische Studies (IISS) adequate luchtverdedigingssystemen. Daarom ook zouden twee Chinese oorlogsbodems enkele jaren terug in betwist zeegebied op de vlucht zijn geslagen toen zij twee onbewapende Filippijnse trainingsvliegtuigen op de radarschermen opmerkten. De twee Sovremny's, waarover de Amerikaanse pers hoog opgaf, zijn te vergelijken met schepen waarvan de Koninklijke Marine er alleen al 16 in dienst heeft.

Hebben de omringende landen dan iets te vrezen van de 'nieuwe' Chinese strijdkrachten? Ja en nee. De Japanse Selfdefence Forces zijn veel meer waard dan de naam suggereert: Chinese marine en luchtmacht zijn voor de Japanse hightech-uitrusting geen partij. China ontbeert tevens de amfibische capaciteit om Taiwan te veroveren: volgens het Londense IISS kan China eenmalig ongeveer 6.000 manschappen overzetten. Als álle landingsschepen inzetbaar zijn - en Taiwan niet terugschiet. Zoals in maart vorig jaar werd bewezen, kunnen Chinese raketten wel de 'afvallige provincie' bestrijken.

Voor Vietnam, Maleisië, de Filippijnen, Singapore, Brunei, Indonesië en Thailand - waarmee terriotoriale disputen bestaan over atollen en riffen in de Zuid-Chinese Zee - valt de militaire balans wel nadelig uit. Toch lopen deze landen hun militaire - numerieke - achterstand in door belangrijke investeringen in nieuwe uitrusting. Zij staan, doordat hun strijdkrachten minder omvangrijk zijn dan die van China, voor een relatief eenvoudige taak.