Graatjes en gaatjes

HET ZAL BEGIN november 1982 geweest zijn, in Cambridge, Massachusetts. Vanaf ons gebouw op de campus van MIT, het Massachusetts Institute of Technology, ploeterde ik met een Italiaan, een Bask, een Ier en twee Amerikanen langs het onherbergzame verkeersriool dat in de wandeling Mass-av genoemd wordt, de autochtone aanduiding voor 'Massachusetts Avenue'.

Een schrale, ijskoude wind blies vanaf het vermaledijde Harvard, aan het andere eind van die eindeloze straat, recht op ons in. Maar wij zetten door. Ons doel was een Chinees restaurant even voorbij Central Square, waar volgens de boomlange Ier de hemel op aarde geserveerd werd: 'Yu-Shiang Whole Fish'. Zoals de naam al doet vermoeden, bleek deze hemelse schotel uit een complete, uit de kluiten gewassen vis te bestaan, een grijzig soort barbeel, als ik me goed herinner, gestoofd in een pot met saus. Dat zal die Yu-Shiang dan wel geweest zijn. Al ras bleek me dat de aantrekkingskracht ervan meer zat in 'hele vis' dan in 'heel lekker', want ook tijdens de maaltijd werd vooral de gunstige prijs-volumeverhouding van het geheel geroemd.

Ik besloot Ieren voortaan niet meer zomaar op hun culinaire woord te geloven, en zette de vis bij op het kerkhof van onbeduidende belevenissen, om rustig vergeten te worden. En dat gebeurde, totdat van de week plotseling de Yu-Shiang Whole Fish ineens opspartelde uit de diepe wateren van het Internet. Hij blijkt een geheel eigen leven te zijn gaan leiden als excentrieke hackers-term voor de griekse letter gamma, die met de hand geschreven wel wat lijkt op een visje dat naar beneden zwemt. Toeval? Niks toeval. Een beetje zoeken leerde dat die idiote benaming inderdaad binnen MIT ontstaan is, waar men ooit een computer gebouwd had die dit tekentje op het scherm kon weergeven. En dus is het vermoedelijk echt de naam van dat befaamde goedkoop-een-volle-maag gerecht van die Chinees in Cambridge. Toeval betekende in dit geval vooral de smalle beurs van een of andere hongerige, melige AIO.

De weg tussen verschijnselen en hun oorzaken is wel vaker grillig, ook als het om heel gewone, geaccepteerde standaarden gaat. De standaard regelbreedte op een doodgewoon computerbeeldscherm bijvoorbeeld. Zo'n ouderwets karaktergeoriënteerd scherm bevat al sinds jaar en dag standaard tachtig tekens per regel. Er bestaan ook wel andere formaten, bijvoorbeeld veertig tekens, de helft van tachtig, maar tachtig is veruit het meest gebruikelijk. Wie zou vermoeden dat aan die ogenschijnlijk volkomen toevallige keuze (immers, waarom geen negentig, of drieënzeventig) uiteindelijk het weefgetouw, de treinconducteur en de grondwet van de Verenigde Staten ten grondslag liggen?

De textielindustrie kun je met recht en reden beschouwen als de bakermat van wat we nu automatisering noemen. Rond 1800 werden er al weefgetouwen ontwikkeld die in staat waren om min of meer op eigen kracht bepaalde weefpatronen te maken. Dat ging op basis van kartonnen kaarten, waarin de instructies voor het patroon met gaatjes waren aangegeven. Een beetje op de manier waarop ook draaiorgels en pianola's werken. Gaatjes knippen werd in de loop van de negentiende eeuw ook heel populair bij de Amerikaanse spoorwegen. Niet alleen knipten die gaatjes in de rand van kaartjes om ze 'gebruikt' te verklaren, ook waren er inknipvakjes om eigenschappen als de kleur haar en ogen van de bezitter aan te geven, om het (her)gebruik van gestolen en verloren kaartjes tegen te gaan.

En dan was er de Amerikaanse grondwet, die voorschreef dat er elke tien jaar een volkstelling gehouden moest worden. In de tweede helft van de negentiende eeuw groeide die bepaling uit tot een groot probleem. De bevolking groeide zo hard, van 23 miljoen in 1850 tot 63 miljoen in 1890, dat bij de telling van 1880 het punt bereikt was waarbij de gegevens nauwelijks meer verwerkt konden worden voordat de volgende telling zou plaatsvinden. Zo kon het niet verder. Een jonge ingenieur, Herman Hollerith, die aan de verwerking van de telling van 1880 werkte, bedacht met wat collega's dat automatische verwerking de oplossing zou zijn. Uiteindelijk kwam hij, volgens eigen zeggen geïnspireerd door de knippende treinconducteur en de uit de weverijen bekende gaatjesboeken, op de gedachte van de ponskaart: een kaart die hij patenteerde als een kaart van ongeveer 215 mm lang en 90 mm hoog, met daarin tachtig kolommen hokjes, die al of niet opengeponst konden worden. Er hoorde een machine bij, met een raster van pinnetjes onder stroom, waarop de kaarten gelegd werden. Dichte vakjes drukten het pinnetje eronder in een bakje kwik, dat als contactje dienst deed. Het patroon van stroompjes dat zo ontstond, werd afgelezen op een wijzerpaneel.

Met behulp van Holleriths apparaten en kaarten werden de gegevens van de telling van 1890 in zeven jaar verwerkt, twee jaar minder dan de beperktere telling van 1880 had gekost. Wel waren de kosten van de telling van 1890 dubbel zo hoog, een verschijnsel dat, alle latere besparingsrethoriek ten spijt, inherent is gebleven aan automatiseringsprojecten. Ook ponskaarten bestaan nog steeds, al lijkt de apparatuur die ze verwerkt nauwelijks meer op de oorspronkelijke Hollerith-machine met zijn giftige kwik, en de tachtig kolommen zijn al evenzeer op de standaard ponskaart gebleven, en van daar op het beeldscherm terechtgekomen. Zo was computeruitvoer via een beeldscherm immers net zo 'gemakkelijk' te lezen als de ponskaarten die als invoer dienden.

Misschien zijn de afmetingen van de ponskaart zelf al evenmin toevallig. Een mooi, maar volgens velen apocrief verhaal zegt dat ze zo gekozen zijn opdat de kaarten in de vakken van de toenmalige kasregisters zouden passen, die op maat gemaakt waren voor de dollars van toen, die groter waren dan ze nu zijn. Hoe dat ook zij, met Hollerith en zijn machines is het prima afgelopen. Hollerith verhuurde in 1890 zijn machines aan de Amerikaanse overheid voor de volkstelling, voor $750.000, een regelrecht fortuin. Andere klanten volgden, zowel overheden als particuliere bedrijven. Uit dat verhuurbedrijf is na heel wat gefuseer in 1924 IBM voortgekomen.