Column

Fax aan Bert Haanstra

Lieve Bert

Ik was een mannetje van amper twaalf jaar en ging elke veertien dagen naar Ajax. Van mijn moeder kreeg ik geld voor de bus en het jongenskaartje (50 cent!!). Ze stopte me altijd iets extra's toe om wat lekkers te kopen. Cola heette toen nog een flesje. Jongenskaartjes werden vanaf twaalf uur uitsluitend aan het loket verkocht. Wilde je een plaatsje bemachtigen dan moest je er, zeker bij topwedstrijden, al om half tien staan. Toen had je aan het bezoeken van een voetbalwedstrijd nog een dagtaak. Boterhammen mee. Al snel had ik door dat ik, als ik ging liften, het geld voor de bus kon versnoepen.

Op een dag stond ik na een wedstrijd op de hoek Gooiseweg / Middenweg naast een auto met daarin de op dat moment wereldberoemde Bert Haanstra. Je was samen met Pim Jacobs en in mijn herinnering zaten jullie in een donkerrode Jaguar. Dat laatste weet ik niet zeker. Je keek me aan en gebaarde dat ik in kon stappen. Ik was sprakeloos. Twaalf en dan meeliften met Bert Haanstra. Vijftien kilometer lang bij Bert Haanstra in de auto. Je stelde me ook nog een vraag, maar ik kwam niet verder dan een hortend en stotend stamelen. Bij ons thuis was je een god. Hoe vaak hadden ze het niet over Fanfare gehad. Ik had die toen nog niet gezien.

Alleman was mijn eerste en die herinner ik me nog als de dag van gisteren. Samen met wat broers en zusjes in de verpauperde bioscoop Novum aan de Bussumse Vlietlaan. Eerste bioscoopbezoek, de geur van warm celluloid, het stof in de lichtbundel van de projector, de tekenfilms in het voorprogramma, de Biobus in de pauze....je film verpletterde mij. En nu zat ik achterin de auto van de maker van dit meesterwerk zelf. Je bood me aan om mij thuis af te zetten, maar ik zei dat dat niet hoefde. Alleen al de angst dat mijn ouders erachter zouden komen dat ik gelift had. Totaal in de war kwam ik thuis en het ergste was: ik kon het niet vertellen. Ik kon aan niemand kwijt dat ik bij de grote Bert Haanstra himself in de auto had gezeten. Ik wou het schreeuwen, op de muren krijten, met stroop op mijn pannenkoek schrijven, maar het kon niet. Ik dacht dat ik gek werd. Een broer nam ik in vertrouwen en die geloofde mij niet. Dat was nog erger.

De tweede keer dat ik je zag zat je bij mij in de zaal. In het Larense Singer. Ik was pikkie nougat, zette mijn eerste stappen op het podium en was bijna onthutst dat je zo hard zat te lachen. Rij vier in het midden, ik weet het nog precies. Ik heb de hele avond op je gelet. We zijn nog wat gaan drinken in café Het Bonte Paard en daar gaf je me nog twee handige tips. Iets over tempo en timing. Ik zweefde die avond naar huis. Bert Haanstra, een van mijn absolute helden, had het mooi gevonden. Jij wist niet dat ik op dat moment een vat was dat bijna explodeerde van de twijfel. Ik wist niet of ik wel door moest gaan met het spelen voor die halfvolle zaaltjes. Onbewust trok en duwde jij mij over de streep. Natuurlijk heb je dat nooit geweten, maar vergis je niet wat voor impact jouw bezoek op mijn voorstelling had. Je held in de zaal. Later heb je bijna al mijn programma's gezien en elke keer had je na afloop iets dat ik kon gebruiken, waar ik iets aan had. Dankjewel daarvoor.

En elke keer als ik je had gesproken dacht ik: wat ben je toch een schat van een man. Maar dat wist ik eigenlijk al. Iemand die een voetbalsupportertje van amper twaalf een lift naar huis geeft deugt van binnen en van buiten. Zondag bij Ajax-Feyenoord zal ik even zachtjes mijn hoed voor je afnemen. Dank je voor veel.