Een ideale hutspot; Socioloog Johan Goudsblom over figuraties en de zin van het leven

'Het leven stelt je voortdurend voor verrassingen', aldus socioloog Goudsblom. Kortgeleden hield hij zijn afscheidscollege.

WAT IS DE menselijke samenleving? “Een wirwar van zich herhalende 'cyclische' processen, die zijn opgenomen in een zich niet herhalende 'evolutionaire' ontwikkeling, die uit de cyclische processen voortkomt en deze vervolgens weer bepaalt”, aldus sprak op 10 oktober jongstleden Johan Goudsblom (1932), hoogleraar sociologie te Amsterdam, in zijn afscheidscollege. Goudsblom is de grand old man van de sterk historisch gerichte 'Amsterdamse school' in de sociologie. 'Alles verandert', luidde het thema van zijn rede.

Goudsblom pleit voor 'sociologische dynamica', zoals de biologie de schier oneindige variatie van het leven kan ordenen en verklaren met Darwin's evolutietheorie. Al sinds het begin van zijn wetenschappelijke carrière zoekt Goudsblom het centrale ordenings- en verklaringsprincipe in de figuratiesociologie van Norbert Elias (1897-1990). In de loop van de geschiedenis zijn steeds meer mensen van elkaar afhankelijk geworden, aldus een van de kerngedachten van Elias' sociologie. En deze groeiende onderlinge afhankelijkheid ging samen met steeds grotere disciplinering van het gedrag.

Goudsblom ontrukte in de jaren zestig Elias en zijn hoofdwerk Über den Prozess der Zivilisation (1939) aan de vergetelheid en haalde de Duits-Engelse socioloog later ook naar de Universiteit van Amsterdam. Behalve met zijn 'propaganda' voor Elias, verwierf Goudsblom faam met zijn theoretisch werk Balans der Sociologie (1974), waarin hij onder meer hamert op de noodzaak sociologisch onderzoek in breed historisch perspectief te zetten. In Vuur en beschaving (1992) beschrijft hij de rol van het vuur in de geschiedenis van de mensheid.

Goudsbloms werkkamer thuis in Amsterdam ziet eruit zoals het een erudiete historisch socioloog past: afgeladen vol met boeken. Zelfs de vele delen van het Woordenboek der Nederlandsche Taal ontbreken niet. Die aanwezigheid is typerend voor de taalgevoeligheid van Goudsblom. Beneden, op het zelfde adres, is de Norbert Elias Stichting gevestigd.

Voor de buitenwacht bent u vooral de man die het werk van Elias verspreid heeft. Krijgt u daar niet eens genoeg van, altijd maar die associatie met Elias?

“Nee, ik heb er toch zelf voor gekozen? Bram de Swaan schreef in het Liber Amicorum dat ik kreeg: 'Pas in de indirecte rede vond Joop Goudsblom zijn eigen stem'. En dat is zo. Voor zover ik reclame maak voor mezelf doe ik dat door reclame te maken voor mensen die ik bewonder. Ik heb me op die manier sterk gemaakt voor Norbert Elias, ik heb me sterk gemaakt voor de wereldhistoricus William McNeill. En nu probeer ik de aandacht te vestigen op Randall Collins, die nog onderschat wordt.

“Mijn rol in de verspreiding van de ideeën van Elias wordt ook vaak overdreven, hoor. Ik bekijk dat sociologisch. Als ik het niet had gedaan, was er wel een ander geweest. Er bestonden in Nederland twee rijke tradities waarin Elias' boek een goede reputatie had: een die terug gaat op literator/journalist Menno ter Braak (1902-1940), en een die teruggaat op politicus/socioloog W.A. Bonger (1876-1940). Omdat ik in beide tradities zat, heb ik het ook opgepikt. Als ik op mijn twintigste onder de tram was gekomen, waren mijn boeken Nihilisme en cultuur en Vuur en beschaving natuurlijk nooit geschreven. Maar het werk van Elias was ook zonder mij wel in vruchtbare aarde gevallen.”

Zonder u was er wel een ander geweest. Dat antwoord leidt tot de klassieke vraag aan een socioloog: hoe belangrijk is het persoonlijke element? Bestaat er zoiets als een vrije wil?

“Een van de belangrijkste weerstanden tegen sociale wetenschappen, en een die de sociologie het hardst treft, is dat mensen zich aangetast voelen in hun vrije wil. Studenten komen er ook vaak mee aan. Zulk soort vragen kun je het beste sociologiseren, vind ik: analyseren waaròm mensen zich deze vraag stellen. Want de marges die individuen - overigens niet ten onrechte - voor hun vrije wil opeisen, zijn allemaal bepaald door de tijd en plaats waarin ze leven. De invloed van sociale klasse, de generatie, de sekse: het is allemaal niet weg te denken. In mijn afscheidscollege heb ik een zin van Michael Frayne gestopt die ik al heel lang bij me draag, uit het toneelstuk Clockwise: 'Who you are depends on where you are and when you are.' Dat heeft Frayne, denk ik, grappig bedoeld, maar het slaat de sociologische spijker op zijn kop.”

De sociologie kan die sociale bepaaldheid wel verkondigen, maar ze is nog altijd niet in staat om àl die beperkende omstandigheden nauwkeurig te omschrijven en te verklaren. Je kunt je dan afvragen wat er nog zo dwingend aan is.

“Inderdaad, de omstandigheden waaronder mensen leven zijn aan alle kanten voor meerdere uitleg vatbaar. Daarom vind ik de uitgangspunten van Herbert Blumer, het symbolisch interactionisme, onovertroffen. Die drie punten zijn zó simpel. Punt een is dat de objectieve werkelijkheid niet zonder meer is gegeven, het is altijd een kwestie van interpretatie en betekenis geven. Dit hier is een koffiekopje, maar je zou het ook kunnen definiëren als een stuk aardewerk, of een kunstvoorwerp: als van alles en nog wat. Punt twee is: die betekenisgeving komt tot stand in een proces van wat Blumer noemt 'sociale interactie', via symbolen, via taal. Dat is een sociaal proces, waaraan mensen deelnemen en dat ze maar gedeeltelijk zelf in de hand hebben. De duidelijkste voorbeelden zijn objectief gemaakte sociale symbolen als tijd en geld. En het derde axioma van het symbolisch interactionisme is dat hoe dwingend die werking ook is, het iedere keer toch weer individuen zijn die het besluit nemen om wel of niet aan de betekenisgeving mee te doen. Dat verklaart bijvoorbeeld een plotseling op hol slaande inflatie. Dan is plotseling het symbool ontkracht. Of neem een bank. Men komt daar binnen om geld te halen of te brengen: volgens standaardprocedures. Een enkele keer komt het voor dat iemand geld komt halen met een afwijkende procedure. Dan zegt die persoon: dit is een overval. Maar ook daarvoor gelden weer regels en codes, zoals het vertoon van een wapen. Er bestaat een beschrijving van een bankoverval die mislukt omdat de mensen in die hal de slappe lach krijgen. De overvallers hadden iemand die stond te lachen overhoop kunnen schieten, maar dat ging ze kennelijk te ver.

“Als je deze drie regels van het symbolisch interactionisme in je achterhoofd hebt, kun je meer algemene vragen als over de vrije wil, alleen maar relativeren. Je kunt ze niet oplossen. Je kunt alleen maar herformuleren. Dat wil niet zeggen dat er totaal geen marge is voor de vrije wil. Maar het gedragsrepertoire van ieder mens is beperkt en zelfs binnen die marges heb je de consequenties van je gedrag niet in de hand. Je kunt het woord maar beter vermijden vind ik.”

Is er dan nog wel zoiets als 'originaliteit' in het menselijk leven? En, bestaat er zoiets als een zin van het leven?

“Voor het slapen lees ik nu 'De bekentenissen van Zeno', van de Italiaanse auteur Italo Svevo. Toevallig las ik gisteren dat Zeno midden in een gesprek zegt: 'Het leven is origineel'. En inderdaad, het menselijk leven stelt je voortdurend voor verrassingen en dwingt je voortdurend tot improvisaties en tot nieuw leren. Dat is de originaliteit van het leven.

“Dat we zo nadenken over het zin van het leven, komt omdat we van jongsaf aan geleerd hebben dat àlles om ons heen een zin heeft. Je groeit op in een zinvolle wereld. 'Wat is de zin van deze boom, pappa?' 'Dat er appels aan groeien, die kun je opeten'. Later krijg je te maken met dingen waar de zin niet onmiddellijk duidelijk is. Maar je hebt geleerd die vraag te stellen. En dus vraag je: 'wat is de zin van het leven'. Ook de vraag naar de zin van het leven moet je contextualiseren.”

U sprak zojuist over Randall Collins. Waarom propageert u deze socioloog?

“Collins is van 1944, een academische generatie jonger dus dan ik zelf ben. Bij hem vind ik eigenlijk hetzelfde als bij de Fransman Pierre Bourdieu. Collins is in staat tot een grondige sociologisering van vrijwel ieder onderwerp. Zijn centrale idee is het netwerk: achter alles wat er in een samenleving gebeurt, zitten netwerken die bestaan uit mensen die elkaar kennen, die elkaar de hand reiken of zich juist tegen elkaar afzetten, maar die in ieder geval van elkaar afweten en op elkaar letten. Neem dit gesprek. Collins zou dit opvatten als een ontmoeting tussen de wereld van de journalistiek en de sociale wetenschap. Dat is des te interessanter, omdat de sociale wetenschap zich bij haar ontstaan heeft moeten afzetten tegen de literatuur en de journalistiek, omdat die zich eigenlijk met hetzelfde bezig houden. In termen van Bourdieu: het is een ontmoeting van sociale velden. De krant probeert een stukje sociologie in te lijven in het veld van de journalistiek. Macht en wederzijdse afhankelijkheid spelen daarbij een belangrijke rol.”

Is zo'n soort analyse nu wel de beste manier om te begrijpen en te voorspellen hoe interacties tussen mensen - zoals dit interview - zullen aflopen?

“Ja, al heb ik het liever over verklaren en begrijpen dan over voorspellen. Ik ben een heel slechte voorspeller. En verder, ik vind het bij dit soort analyses vaak heel moeilijk - en ook niet zo vruchtbaar meer - om de individuele namen van sociologen uit elkaar te houden. Ik maak een soort potpourri van Collins en Bourdieu. Die potpourri kun je weer heel goed vermengen met Elias en dan krijg je, vind ik, een ideale sociologische hutspot.“In Balans van de sociologie heb ik geprobeerd een paar fundamentele grondstellingen te formuleren. 1. Mensen zijn door en door sociaal. Ze zijn wederzijds afhankelijk. Ze worden geboren in, brengen hun leven door in, en worden gevormd door sociale figuraties. 2. Die sociale figuraties veranderen, ze zijn voortdurend aan processen onderhevig. 3. De veranderingen op lange termijn van sociale figuraties zijn over het algemeen ongepland en onbedoeld. 4. Dit alles geldt ook voor de sociologie. Dit viertal uitspraken is nog sterk door Elias geïnspireerd, hoewel het mijn eigen woorden zijn. En daar kun je dat Bourdieu-Collins-mengsel aan toevoegen, om het begrip 'sociale figuraties' nader in te vullen. Je kunt dan allerlei verschillende velden herkennen waarin mensen bezig zijn en binnen die velden kan je weer netwerken aanwijzen. Zo zit het apparaatje in elkaar.

Deze figuraties zijn cruciaal voor uw denken. Maar wat zijn het nu precies?

“Het begrip figuraties is door Elias ingevoerd om een eigen woord te hebben voor de meest algemene structuur die je in de sociale werkelijkheid aantreft. Het is veel meer omvattend dan 'groep'. Wij met zijn tweeën vormen al een figuratie. Dat is een heel kleine figuratie, die je kunt uitbreiden. In Nederland vormen de werelden van sociologie en journalistiek aparte figuraties, maar samen vormen ze ook weer een figuratie. Voor mij is de meest omvattende figuratie die tussen mensen en andere dieren. Aan weerskanten is het gedrag mede gevormd door de machtsverhoudingen. Het meest spectaculaire is wel dat van de meeste andere dieren exemplaren zijn te vinden hier in Artis: achter tralies. Hier hebben we te maken met een figuratie die zich in de loop van duizenden generaties heeft ontwikkeld.”

Maar is het meer dan op een moeilijke manier zeggen dat u en ik met elkaar praten of dat mensen machtiger zijn dan dieren?

“Oh, als je zo'n betoog wilt afsteken zonder het woord figuratie te gebruiken, uitstekend. En als iemand vindt dat dat begrip 'figuratie' helemaal de verkeerde associaties opwekt, dan gun ik hem dat. Maar wanneer mensen tegen de gedachtengang zijn die in het begrip wordt uitgedrukt, bijvoorbeeld omdat zij vinden dat mensen fundamenteel vrij zijn en niet beïnvloed worden door andere mensen, dan zeg ik: dat klopt niet. Want met dat inzicht hebben we ons toch iets verwijderd van de absolute onwetendheid.”

Hoe ver gaat die kennis? Zijn er uit het werk van Elias sociologische wetmatigheden te destilleren? Toenemende afhankelijkheden tussen mensen leiden tot minder geweld, bijvoorbeeld. Dat is toch een mooie wet?

“Het merkwaardige is dat wanneer ik nu de civilisatietheorie van Elias parafraseer, ik dat altijd in de verleden tijd doe. Het gaat om empirische generalisaties over wat zich in Europa heeft voorgedaan in een tijdsverloop van vijf eeuwen: eenmalige ontwikkelingen. Je weet niet of het elders of in andere tijden ook zo zal gaan. De samenhang tussen geweld en interdepentie hoeft niet gelijk te worden verheven tot een sociologische wet, die voor alle tijden en alle plaatsen geldt. Neem alleen al de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Elias leefde in die tijd, maar zijn theorie ging in de eerste plaats over een vroegere fase.”

Maar gelooft u dan juist niet dat er een wetmatigheid bestaat in de manier waarop menselijke samenlevingen zich ontwikkelen?

“Jawel. Om met Elias te spreken: de leefeenheden van mensen zijn almaar groter geworden. Maar dat is pas iets van de laatste tienduizend jaar, in het bestaan van de mensheid is dat niet zo lang. En dan heeft het pas in de laatste honderd jaar een enorme versnelling gekregen. Dat is allemaal zeer korte termijn. Niettemin, het is die kant opgegaan en je kunt je nu niet meer een scenario voorstellen waarin zelfs na een paar hevige catastrofes de lijn toch niet weer opnieuw zal worden opgepakt. Het is bijvoorbeeld ondenkbaar dat mensen zouden kunnen leven zonder kernenergie. Dat vermogen is er. Er kan een verbod op komen, dat kan, maar dan zal dat verbod telkens opnieuw, van generatie op generatie moeten worden uitgevaardigd en gecontroleerd.”

Dat soort uitvindingen zijn dan zo'n beetje de motor van de geschiedenis waardoor mensen steeds meer met elkaar te maken krijgen?

“Ja. Ik kan dat in drie woorden zeggen: 'leren is aanstekelijk'. Als groep A iets geleerd heeft, moet groep B daar rekening mee houden. Die wordt gedwongen om ofwel het zelfde te leren, of om groep A te slim af te zijn. Dat is een heel simpel mechanisme, dat ikzelf waarschijnlijk weer van William McNeill heb overgenomen. Met die drie woorden heb ik geen wet uitgevaardigd waardoor alles op aarde als bij toverslag begrijpelijk wordt. Maar het is een verklarend principe. De snelheid van de veranderingsprocessen in de moderne samenleving kun je voor een belangrijk deel terugvoeren op deze leerdwang.”