Een gekoesterde schat; Taal is voor IJslanders de enige verbinding met het verre verleden

In vrijwel elke IJslandse huiskamer staat een rijtje boeken met de twaalfde- en dertiende-eeuwse saga's. IJsland is een land dat trots is op zijn literatuur en zijn taal. De officieel afgeschafte letter z leeft er nog steeds voort.

HET ZAL NIET VAAK zijn voorgekomen dat duizenden mensen op de been waren om de aankomst van twee boeken te vieren. Dat gebeurde op woensdag 21 april 1971, een historische dag voor IJsland. De winkels waren gesloten, de scholen hadden vrij en overal wapperde de nationale vlag. Zo'n vijftienduizend mensen waren uitgelopen naar de haven van Reykjavik om de terugkeer te begroeten van twee IJslandse handschriften uit de Middeleeuwen.

Een vaartuig van de Deense kustwacht, de Vaedderen, bracht de laat-twaalfde-eeuwse Codex Regius en het tegen het eind van de dertiende eeuw geschreven Flateyjarbók terug uit Kopenhagen, de hoofdstad van het Deense koninkrijk waar IJsland eeuwen lang deel van uitmaakte. De Codex Regius en het Flateyjarbók, een middeleeuws prachtboek, zijn sindsdien het trotse bezit van het Instituut in Reykjavik dat is vernoemd naar de man die de handschriften, nu bijna drie eeuwen geleden, naar Kopenhagen bracht. Aan Árni Magnússon, een IJslandse geleerde, is meer dan aan wie ook te danken dat talloze oude geschriften, waaronder de beroemde IJslandse saga's, voor het nageslacht bewaard zijn gebleven.

Árni Magnússon ondernam in 1701 een dienstreis naar zijn vaderland, toen al enkele eeuwen een Deense kolonie, om de gegevens van de landregisters te controleren. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om oude handschriften te verzamelen. Hij kocht ze van de boeren die de meeste verhalen toch wel uit het hoofd kenden en soms weinig betekenis hechtten aan de geschriften. Verhalen vertellen en schrijven was de enige vorm van cultureel vermaak in de donkere eeuwen van de Deense overheersing die tot 1904 duurde toen IJsland 'home rule' kreeg. Magnússon nam zelfs de kleinste snippers perkament mee en keerde met vijftig kisten vol geschriften terug naar Kopenhagen.

Een groot deel van de verzameling die hij in de jaren na zijn reis naar IJsland nog had aangevuld, ging in 1728 verloren in de grote brand die de Deense hoofdstad teisterde. Deze slag kwam Magnússon niet te boven, hij stierf twee jaar later. Zijn manuscripten liet hij na aan de universiteit van Kopenhagen die ze onderbracht in een naar hem genoemde stichting, het Arnamagneaanse Instituut, dat tot op de huidige dag voortbestaat.

In IJsland is de taal de enige verbinding met het verre verleden. Er zijn geen kastelen of markante gebouwen of zelfs maar eenvoudige huizen uit vroeger eeuwen. De IJslanders waren altijd straatarm en hun land werd door de eeuwen heen geteisterd door ziekten, vulkaanuitbarstingen en andere natuurrampen. Nog maar enkele generaties geleden leefden de mensen er in een soort hutten die in de grond werden uitgegraven en een dak van graszoden hadden. Natuurlijke hulpbronnen zijn er niet behalve heet water uit de vulkanische bodem. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde IJsland zich tot de welvaartsstaat die het nu is.

De enige herinnering aan het verre verleden is de taal, die nog even archaïsch is als het Oud-Noords dat werd gesproken door de eerste Noorse kolonisten die zich in 874 op IJsland vestigden. De saga's die in de twaalfde en dertiende eeuw op IJsland werden geschreven, en waarvan sommige tot de wereldliteratuur worden gerekend (Njalls saga), zijn de trots van de natie. Nadat IJsland in 1944 de laatste band met Denemarken, de personele unie met de Deense koning, had verbroken en volledig onafhankelijk werd, drong het aan op teruggave van de oude IJslandse handschriften. Achtereenvolgende Deense regeringen hadden daar begrip voor, maar het Árni Magnússon Instituut en de universiteit van Kopenhagen, die ook een aantal manuscripten in bezit had, verzetten zich. Het Deense parlement sprak zich uiteindelijk uit voor teruggave, maar de tegenstanders begonnen processen die voor jaren vertraging zorgden. Toen de Vaedderen, het schip van de Deense kustwacht, in 1971 vertrok om de Codex Regius en het Flateyjarbók naar Reykjavik te brengen, hees de Koninklijke Bibliotheek in Kopenhagen de vlag halfstok.

DE EDDA

De Codex Regius kwam al in 1662, dus nog voor Árni Magnússons dienstreis naar IJsland, in het bezit van de Deense koning. Het is een klein, 45 bladzijden tellend, beduimeld handschrift dat zijn betekenis ontleent aan de inhoud die bestaat uit de typisch IJslandse goden- en heldenliederen die beter bekend zijn als de Edda, of beter de poëzie-Edda omdat onder het verzamelbegrip Edda ook verhalen vallen. De eerste (beperkte) Latijnse Edda-uitgave dateert van 1665.

Het Flateyjarbók, dat van jongere datum is - het werd geschreven in de periode 1387-94 - is met oorspronkelijk 202 bladzijden (in de vijftien eeuw werden er nog 23 aan toegevoegd) het omvangrijkste manuscript in het IJslands of Oud-Noords.

Het grootste deel van het boek bestaat uit verhalen (saga's) over Noorse koningen. Er is ook een saga over de Groenlanders (Graenlendinga Saga) waarin gewag wordt gemaakt van de ontdekking van Amerika (Vinland). Het boek dat een IJslandse bisschop in 1656 aan de Deense koning Frederik III ten geschenke gaf, eindigt met een overzicht van de tijd 'dat Julius Caesar enig heerser van de wereld werd' tot het jaar 1394. Het Flateyjarbók geldt als het meest prestigieuze IJslandse geschrift, zegt Gudny Kolbeinsson, een voormalig medewerker van het Árni Magnússon Instituut. Dat was trouwens al het geval toen het boek werd gemaakt. “De bladzijden zijn van kalfshuid. Een huid was voldoende voor twee bladzijden. Omdat het boek ruim 200 bladzijden telt, moesten ten minste honderd kalveren worden geslacht. Dat was toen een enorm kapitaal.”

Nadat de Codex Regius en het Flateyjarbók in 1971 door de IJslanders als verloren zonen waren binnengehaald, volgden meer IJslandse middeleeuwse geschriften. Volgens de overeenkomst die de regeringen in Kopenhagen en Reykjavik na twintig jaar juridische procedures en onderhandelen sloten, kreeg IJsland alle handschriften terug waarvan onomstotelijk vast staat dat ze in IJsland zijn vervaardigd. De laatste zending arriveerde op 6 mei van dit jaar. Het ging onder meer om twee vellen die overgebleven zijn van een verzameling preken uit de twaalfde eeuw en wellicht de oudste teksten die in het IJslands zijn geschreven. In Kopenhagen zijn, onder andere in het Arnamagneaanse Instituut, nog 1350 andere teksten en boeken in het Oud-Noords die niet in IJsland zijn vervaardigd.

SPECIALE KASTEN

In het Árni Magnússen Instituut in Reykjavik zijn de Codex Regius en het Flateyjarbók en enkele andere kostbare geschriften, de meeste van latere datum, in speciale kasten tentoongesteld - de culturele erfenis van een natie die trots is op haar literatuur en haar taal. IJslanders kunnen de saga's die in de twaalfde en dertiende eeuw te boek werden gesteld, in een moderne transcriptie met enige inspanning lezen. In vrijwel elk huis op IJsland staat een rijtje boeken met de saga's.

De saga's en de andere middeleeuwse IJslandse geschriften zijn uiteraard ook onderwerp van wetenschappelijke studie. Enkele honderden letterkundigen en taalkundigen, vooral uit IJsland, de Scandinavische landen, Duitsland en uit het Engelse taalgebied, plegen elkaar om de drie jaar te ontmoeten op zogeheten saga-conferenties. De laatste was dit jaar in het Noorse Trondheim, de volgende is in 2000 in Sydney. De twee Arnamagneaanse Instituten in Reykjavik en Kopenhagen werken aan een plan om alle handschriften te digitaliseren en op Internet te zetten, zegt Steingrimur Steingrímsson, adjunct-directeur van het IJslandse instituut, waar twaalf specialisten werkzaam zijn. Wetenschappers uit alle delen van de wereld die nu naar IJsland moeten reizen om de teksten te kunnen inzien, kunnen zich dan via de elektronische weg veel kosten en moeite besparen. Het wachten is op een Europees-Amerikaanse standaard voor digitalisering en catalogisering van dit soort collecties, zegt Steingrímmson. En er is nog veel geld nodig voor de ontwikkeling van SAGANET dat de IJslandse geschriften in alle hoeken van de wereld toegankelijk moet maken.