Een bouwput

Het blijft een van de mooiste stadsgezichten: de bouwput. Breitner heeft ze geschilderd, de rechthoekige diepten in het drassige veen, de 'heikar', de zwarte ketel met de schoorsteen en de tweecilinder stoommachine, de hoge vijfbenige stelling en de heibaas met zijn mannen, reuzen uit de diepte van het bouwen. Daar begint het. In Nederland is die mooie machine op wielen vervangen door de stoomhamer, heiblok en machine in één. Of er daarna nog ontwikkelingen zijn geweest is me ontgaan, want ik kom niet meer langs bouwputten - tenzij je de op- en omgravingen op het Museumplein een bouwput wilt noemen.

Maar nu is er weer een die je in de Michelingids zou willen opnemen: mérite un détour. Deze bezienswaardigheid ligt op de hoek van de 8ste Avenue en de 42ste Straat schuin tegenover het grote busstation. Er wordt niet geheid want New York is op rotsgrond gebouwd. Op het ogenblik is men daar, twee tot drie meter beneden straatniveau bezig, de laatste fundamenten van wat er heeft gestaan, weg te ruimen; dat zijn de resten van een vorige stad. Aan de overkant staat nog zo'n paleis uit het gouden decennium van de zwart-witfilm. Een majestueus entree, pilaren, ornamenten, een tempel. Het pleisterwerk is gebladderd, het steen gehavend alsof er een replica van Pompei mee bedoeld is. Toch doet het je nog denken aan de glorietijd, de filmreportage van een première. Het heeft geregend, glimmend asfalt. Daar komen de sterren in hun Lasalles, Cadillacs en Continentals. Het publiek dringt op, Clark Gable zwaait, Ginger Rogers, Bette Davis en Mae West werpen een kushand. Over een paar maanden is die film ook in Nederland te zien, in dergelijke paleizen hoewel wat kleiner: Tuschinski in Amsterdam, Lumière, het Grand Theater in Rotterdam. Die twee zijn veel eerder verdwenen dan dit laatste monument aan de 42ste Straat.

Waar beroemdheden met enige regelmaat verschijnen, komen de toeristen kijken. De zwart-witfilm verdween, voor de technicolor werden andere paleizen verderop gebouwd, aan Times Square. De toeristen veranderden ook. Als ze niet gingen kijken naar de paleizen waar de sterren hun triomfen vierden, wilden ze iets anders doen. Souvenirs kopen, natuurlijk, maar ook bleken er steeds meer een onverzadigbare behoefte te hebben aan slag- en steekwapens, porno en hamburgers. In de 42ste Straat tussen Times Square en de 8ste Avenue vestigden zich zoveel ondernemers uit deze drie branches dat er de anderen in de minderheid raakten en het veld ruimden. Het leek Amsterdam wel, tussen het Centraal Station, de Wallen, de Spuistraat en het Rembrandtplein; maar kleiner. De hoofdstad van Nederland had op dit gebied de hoofdstad van de wereld verslagen.

Het gemeentebestuur van Manhattan vond dat er iets anders moest gebeuren. Er werden plannen gemaakt, investeerders gevonden, het BID werd opgericht, het Business Improvement District. Op 1 januari 1992 is het met zijn werk begonnen. Nu zijn ze aan de noordkant bezig, het laatste deel van het oude blok te slopen. De zon schijnt in de bouwput en op de tegenover liggende muur met de sporen van het ancien régime. Ergens waar een vijfde verdieping is geweest, hangt nog een spiegel. Het ligt voor de hand: maar hoe graag zou je iets willen zien van wat die spiegel heeft weerkaatst. Een spiegel bewaart niets. In de put zijn graafmachines en bulldozers aan het werk: een bezienswaardigheid van de eerste orde, vooral als je weet wat er vroeger heeft gestaan. Een bolwerk van klein gespuis in de laatste fase van de sloop.

Wordt daarmee het wezen van de wereldstad geen geweld aangedaan? Als je gelooft dat slechte verlichting, smerig plaveisel, veel winkels met knuppels en messen, veel zakkenrollers, veel beroving met geweld onmisbaar voor de wereldstad zijn, ja, dan staat het er met Times Square en omgeving bedenkelijk voor. Ik vind dat het er de laatste jaren aardig is opgeknapt.

Een grote stad zou dat niet zijn als iedereen daar zich altijd allerbraafst gedroeg. Het ongebruikelijke in al zijn vormen maakt een stad tot metropool. Ongebruikelijk zijn de talenten die zich er thuis voelen en de 'gauners en racketeers' zoals Harry Mulisch ze noemt, die er ook hun werkterrein vinden. Op het platteland heeft het ongebruikelijke niets te zoeken of te vinden. Maar dat is iets anders dan dat je de onderwereld van het ongebruikelijke als onmisbaar voor de metropool zou zien in plaats van als een onvermijdelijk bijverschijnsel dat dag in dag uit het bestrijden waard is. Als je, als stad, de onderwereld openlijk of tersluiks met je dienstvaardige tolerantie zegent, verdwijnt op den duur het veelsoortig talent waaraan de stad te danken had dat ze metropool was. Een halve eeuw Times Square en 42ste Straat laat zien wat had kunnen gebeuren als niet bijtijds de onderwereld de oorlog was verklaard.