De TGA-acteurs lijken precies te weten wat ze doen

Voorstelling: Haar leven, haar doden van Martin Crimp door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Falk Richter. Vert. Janine Brogt. Decor: Paul Gallis. Spel: Hans Kesting, Marjon Brandsma e.a. Gezien: 24/10, Transformatorhuis, Amsterdam. Herh. aldaar t/m 15/11. Inl. 020-6279070.

“In het theater”, zo verluidt het in het toneelstuk Haar leven, haar doden van de Engelse schrijver Martin Crimp (1956), “krijgen we achterhaalde conventies van dialogen en zogenaamde personages die moeizaam de gênante ontknoping halen.” De regel klinkt als een beginselverklaring - en is dat ongetwijfeld ook. Personages komen in Crimps stuk niet voor, zomin als een verhaal en van traditionele dialogen is ook al geen sprake. De enige figuur waarop we enigszins zicht krijgen is de vrouw, ene Ann, waarnaar de titel verwijst. Maar haar krijgen we nooit te zien.

Ze bestaat uitsluitend uit wat ongedefinieerde, anonieme anderen over haar loslaten. In de enscenering bij Toneelgroep Amsterdam, van de Duitse regisseur Falk Richter, zijn die anderen negen spelers; hun stemmen en teksten zijn vergelijkbaar met die op het antwoordapparaat van Ann, dat aan het begin van de voorstelling wordt afgedraaid. We kunnen hooguit vermoeden wat die boodschappen betekenen en in welke relatie de sprekers tot Ann staan en uit die willekeur doemen ook zekere contouren op van Ann zelf.

Direct na deze door een machine verwoorde proloog volgt een tweede vingerwijzing voor de manier waarop we Haar leven, haar doden kunnen kijken. De spelers, door Carin Eilers betekenisvol in modieuze, nét 'verkeerde' kleren gestoken, groepen samen en lijken een filmscenario door te nemen. Vlotjes, met het nodige jargon beraadslagen ze over de 'basiselementen' van een 'grootse tragedie', waarin Ann, actrice kennelijk, een hoofdrol speelt. De volgende scènes, zeventien in totaal, hebben ze het over steeds weer ander verschijningen van Ann: als kunstenares, als vrouw van de zoon die na lange tijd zijn moeder weer opzoekt, als terroriste, porno-ster, politiek vluchtelinge. Ann bestaat uit scenario's, mogelijke levens van archetypes.

Crimp schreef zijn stuk begin dit jaar. Het is in zekere zin profetisch, zo onmiskenbaar zijn de verwijzingen naar de figuur van de onlangs verongelukte prinses Diana, van wie na haar dood pas goed bleek hoezeer zij object was van speculatie, media-manipulatie, marketing en imago-vorming. Mega-ster en jetset-beroemdheid, maar ook martelares en madonna: ze werd een eclectisch produkt van collectieve verbeelding, van massa's die haar helemaal niet hebben gekend.

De spelers van Toneelgroep Amsterdam schijnen pas door de dood van Diana en de massale reacties begrepen te hebben waar Crimps 'Ann' voor staat en die reële gebeurtenis en de ongekende gevolgen maken het ook voor de toeschouwer toegankelijk, al blijft er nog genoeg onduidelijk en raadselachtig. Maar storen doet dat laatste niet: Richter en de acteurs slagen er althans in de indruk te wekken dat ze precies weten wat ze doen.

Hun voorstelling heeft een bewonderenswaardig dwingende allure en vanzelfsprekendheid; Richter suggereert met behulp van door Paul Gallis ontworpen flexibele wanden en zetstukken voortdurend wisselende locaties en situaties. Hij maakt op de overigens kale toneelvloer van het Transformatorhuis snelle, nauwelijks naar enige realiteit verwijzende schetsen, met licht en camera's en verrijdbare monitors - tableaus die door de acteurs op overtuigende wijze leven worden ingeblazen. Nu dat een andere regisseur dan artistiek leider Gerardjan Rijnders een met diens montage-voorstellingen vergelijkbare produktie maakt, blijkt ten volle hoe goed de TGA-acteurs dit avontuurlijke werk aankunnen. Hoe onnavolgbaar hun teksten vaak ook zijn, iedere stemverbuiging, iedere beweging lijkt logisch. De anderen niet te na gesproken, geven met name Hans Kesting, Marjon Brandsma en Marieke Heebink hun spel zoveel frivoliteit en lichtheid, dat wat gemakkelijk een ondoorgrondelijk experiment had kunnen worden, sprankelt van vitaliteit.