De opkomst van de Surinaamse middenklasse; Wit denken

De statistische vooruitgang van de Surinamers in Nederland is relatief. Ze komen weliswaar ver vóór de Turken en Marokkanen, maar blijven ver achter bij de autochtone Nederlander. De Surinaamse middenklasse probeert intussen niet op te vallen. Ze kijken met argusogen naar hun sociaal zwakkere landgenoten en gaan in hun gedrag steeds meer op blanken lijken. Gevangen tussen boeman en white men's bitch.

In de zaal staat een blonde man op. Noemt zijn naam en zijn beroep, huisarts, en trekt cirkels rond wat hij zeggen wil. Hij heeft een grote groep Surinamers in zijn praktijk, begint hij te vertellen. Hij luistert naar hen en zij luisteren naar hem. Dan concludeert hij daaruit dat hij op zijn minst 'neutraal' en waarschijnlijk zelfs 'welwillend' naar deze discussie-avond is gekomen. Maar ten slotte moet hij toch zeggen wat hij zeggen moet. Wat een agressie heeft hij vanavond geproefd. Wat een haat tegen Nederlanders.

Een discussie-avond in Amsterdam. Thema: Suriname-Nederland. Het panel, vier Nederlanders met een Surinaamse achtergrond, was het in grote lijnen eens. 'Gierig' is Nederland tegenover zijn voormalige kolonie, en 'paternalistisch'. 'Zwarte deskundigheid' wordt buitengesloten. De 'psychische dekolonisatie' moet nog beginnen. En de lakmoesproef voor werkelijk respect - altijd weer dat woord - werd ook al aangekondigd: herdenkt Nederland volgend jaar de afschaffing van de slavernij van 1863? De zaal reageerde instemmend. Behalve de blanke dokter dan.

Na zijn woorden is het of het publiek in één teug ademhaalt. Dan rijst een kolossale Surinamer van zijn stoel en dondert: “Ik eis excuses van die meneer. Als er één volk is dat ons haat dan bent u het.”

Soms lijkt het wel of Surinamers in Nederland steeds zwarter worden. Of het nu de 'kabel' van voetballers is, die liever alleen met elkaar zouden spelen omdat ze te weinig grani (respect) merken van blank voetballend Nederland. Of de redacteuren van het Surinaamse blad Obsession, die Kluivert c.s. deze uitspraken ontlokten en de heftige reactie pareerden door te zeggen: het was ook helemaal niet voor jullie, Nederlands publiek, bedoeld, dit was een artikel van en voor Surinamers onder elkaar. Of dat het de politici in de Amsterdamse Bijlmermeer zijn, die hun politieke partijen hebben opengebroken om in het Zwart Beraad met elkaar 'zwarte' belangen te behartigen.

Dat zijn gewoon de mensen met het hoogste woord, zegt Patricia Remak, de enige zwarte VVD-wethouder in Nederland. Zodat het net lijkt of zij de spreekbuis zijn van de Surinaamse gemeenschap. Terwijl je dat andere deel nooit hoort. “De Surinamers die goed geïntegreerd zijn en die het voor de wind gaat.”

Waar is dat andere deel dan? Wie vormen die onzichtbare midden- en hogere klasse van Surinamers in Nederland? En hoe denken zij over de positie van Surinamers in een dominant blank-Nederlandse maatschappij?

Aan de bar van racketclub Casino in Noordwijk aan Zee hangen drie tennissers te niksen. Achter hen bruist het. Surinaamse muziek, Surinaams eten en Surinaamse mensen in trainingspak. De Haagse sociëteit De Waterkant viert haar jaarlijkse sportdag.

Hier zou een bezoeker de hoogste Surinaamse politiecommissaris in Nederland kunnen tegenkomen. Een handvol politici. Artsen, veel artsen - daar staat er één te tennissen tegen een advocaat. En uit de squashzaal komt zwetend een van de hoogste ambtenaren van Binnenlandse Zaken. Hij stapt, in korte broek nog, in zijn auto en rijdt naar huis, voor het natafelen begint. Er wordt bier gedronken en rijst met saté gegeten. De Nederlandse taal voert de boventoon.

De sociëteit komt twee keer per maand bijeen voor de Surinaamse gezelligheid, zegt de secretaris, de arts S. Mahesh. Om andere Surinamers te zien, want de 180 leden zijn allemaal doorgedrongen in een witte werkomgeving. Maar ze komen ook om samen te netwerken en te lobbyen. De gemeente-ambtenaar en de jurist. De ingenieur en de politicus. Hier wordt kennis gedeeld tussen mensen die elkaar vertrouwen. In witte netwerken wordt een allochtoon zomaar niet vertrouwd, had Iwan Leeuwin, kaderlid van de AbvaKabo al uitgelegd. “Tegenover mij is men zuinig met informatie.” Of, met een zegswijze die in vele varianten opduikt bij Surinaamse gesprekspartners: 'Surinamers spreken wel Nederlands, maar Nederlanders spreken ook nog Hollands.'

“Je hebt wel het paspoort, maar je bent eigenlijk geen Nederlander.” De Haagse advocaat Boycy Teunis is voorzitter van De Waterkant. Hij is voor een ruim percentage 'echt' Nederlands, hij heeft een afkomst zoals die alleen in Suriname voorkomt, met Nederlands, Creools, Chinees bloed door elkaar. Moksi Watra, een mix.

Het is dat een sociëteitslid mij bij hem heeft geïntroduceerd, anders had Teunis vast afgezegd. “De meeste Surinamers die ik ken, die een bepaalde functie bekleden, willen liever geen publiciteit. Ons zul je zelden horen als ergens op gereageerd wordt door 'de Surinaamse gemeenschap'.”

Teunis heeft een bloeiende praktijk in de Haagse Archipelbuurt, gespecialiseerd in het familierecht en sociale zekerheid. En dan is hij er nog op achteruitgegaan. In Suriname was hij een veelgevraagde commerciële advocaat. “Maar hier kreeg ik heus geen bank als cliënt.”

Hij vertelt hoe hij in Nederland kwam studeren. In 1962, toen een student nog een zeldzaamheid was. “Toen was het standsverschil zodanig dat ik als student, als Surinaamse student, boven de zoon van de melkboer, de Nederlandse melkboer stond. Toen die een keertje in mijn studieboeken bladerde, zei z'n moeder: Sla dat maar gauw dicht, dat begrijp je van zijn levensdagen niet.” Die mensen, zegt hij, kenden je te goed om je te discrimineren.

Het huis van Elisa Carter zou je een rijtjesvilla kunnen noemen. De directeur van de plaatselijke RIAGG woont in een met dik groen belegde wijk van Maastricht. Mensen die haar komen opzoeken, vertelt ze, rijden vaak drie keer haar oprit voorbij. Degenen die een zwarte vrouw zoeken, vinden het huis kennelijk te groot. Zij die de directeur moeten hebben, verwachten kennelijk een kast van een huis.

Is dat discriminatie? Ach wat, discriminatie? Carter was verpleegkundige toen ze in 1979 naar Nederland verhuisde om hier te worden wat ze in Suriname niet kon worden: leidinggevende. “Bij promoties in Suriname gingen hindostaanse vrouwen meestal vóór.” Na zes maanden verliep haar verblijfsvergunning. Illegaal was ze dus toen ze solliciteerde naar een baan bij de afdeling Anesthesie in een Rotterdams ziekenhuis. “En ik ben aangenomen. Door witte mensen. Die geloofden in mij. En waarom? Ik had helemaal niets.”

Discriminatie, dat lijken de succesvolle Surinamers vooral van horen zeggen te hebben. Ze weten dat het bestaat - “je draagt je paspoort op je gezicht”, zegt Carter - en iedereen is wel eens gevraagd 'hoe komt het dat u zo goed Nederlands spreekt?' Maar in hun carrière zijn ze eigenlijk geen barrières tegengekomen.

Politiecommissaris Roy Karg van Brabant-Noord - de enige niet-blanke in de leiding van een Nederlands korps - vertelt dat zijn zoontje onlangs helemaal bedroefd thuiskwam. Een medeleerling had hem op het schoolplein gezegd: 'Negers spelen niet mee.' Maar de school heeft het signaal meteen opgepikt, zegt Karg. Er is over gepraat en het is opgelost.

Ook de Nederlandse carrière van Boycy Teunis is rimpelloos verlopen. Kleine golfjes, soms. “Dat ik op de rechtbank kwam en een bode die mij nog niet kende, vroeg: 'Bent u de tolk?' Het glijdt van me af.” Het is de houding van de oudere man. Niet gelaten, maar wijs geworden. Er is nu eenmaal een rangorde van kleuren, van nationaliteiten in de wereld, afhankelijk van tijd en plaats. Teunis' grootste schok toen hij als student in Nederland kwam, was de aanblik van een blanke vuilnisophaler. Dat had hij echt niet verwacht.

Als je zit te praten op het Haagse advocatenkantoor van Teunis. Als drie telefoons je moeten doorverbinden met politiecommissaris Karg. Als je al die dassen, jasjes en koffertjes gezien hebt. Als je een stroblond buurjongetje aan de voordeur bij Carter met neergeslagen ogen hoort bedelen om een heitje voor een karweitje. Dan zou je haast vergeten dat je te maken had met mensen die categorisch tot een achterstandsgroep horen.

Dat déze Surinamers van de midden- en de hogere klasse - die naar beroepsniveau gemeten bijna zestig procent en naar inkomen meer dan de helft van alle Surinamers in Nederland uitmaken - geen of nauwelijks nog achterstand hebben in de maatschappij, is duidelijk. Maar betekent het ook dat de gehele Surinaamse bevolkingsgroep in Nederland zich langzamerhand uit de kansarmen-categorie emancipeert? Nee, zegt Fernandes Mendes, directeur Coördinatie Integratiebeleid Minderheden bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij ziet geen reden aan te nemen dat Surinamers binnenkort zonder de steun van de overheid zullen kunnen.

Het integratiebeleid (voorheen minderhedenbeleid) bestaat uit een reeks maatregelen op het terrein van onder meer de arbeidsmarkt, volkshuisvesting en onderwijs. Ze zijn specifiek gericht op de volgende bevolkingsgroepen: Surinamers, Antillianen/Arubanen, Turken, Marokkanen, Zuid-Europeanen, Molukkers, woonwagenbewoners en vluchtelingen - groepen met een achterstand op de rest van de Nederlandse bevolking. De bedoeling is die achterstand te verkleinen.

Drie jaar geleden rapporteerde de minister van Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer over de effecten van wat toen nog het minderhedenbeleid heette. De positie van de Zuid-Europeanen begon op dat moent die van autochtonen te benaderen. Ook Molukkers zouden hun integratieproces “op termijn wellicht op eigen kracht kunnen voltooien”. Bleven over, nu aan kop van de achterblijvers: de Antillianen en de Surinamers. Ver vóór de Turken en de Marokkanen, maar ver àchter de autochtone Nederlander.

De statistische vooruitgang van de Surinamers is vooral relatief. Er is een groep kanslozeren ònder hen gekomen. Turken, Marokkanen, Afrikanen, die de taal niet spreken. Zoals een surveillerende toezichthouder in de Bijlmer zegt: “Vroeger waren wij de boeman van Nederland, crimineel en werkloos, nu zijn de Marokkanen en de Ghanezen dat.” Nog altijd zijn Surinamers verreweg de grootste bevolkingsgroep in probleemwijk Amsterdam-Zuidoost, maar ze verhuizen naar de betere buurten daarbinnen: Reigersbos, Holendrecht, het pas geopende Gulden Kruis met zijn blije voortuintjes. Is dat emancipatie of niet?

AbvaKabo-kaderlid Leeuwin noemt die suggestie “een als compliment verpakte schijnvertoning. Onze voorsprong wordt juist kleiner”. Hij imiteert Nederlandse beleidsmakers als hij zegt: “Jullie zijn al zo lang in Nederland, wij kijken maar niet meer door de minderhedenbril naar Surinamers.”

Ook volgens Fernandes Mendes is de kans groot dat het in de naaste toekomst eerder slechter zal gaan met Surinaamse jongeren dan beter. Hij somt op: de afstand met hun Nederlandse leeftijdsgenoten is nog op vele fronten groot. Zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs is het gat met de Nederlanders nog betrekkelijk groot. Er zijn nog steeds te veel jongeren in gemarginaliseerde posities, in de criminaliteit. Er is een gesegregeerde jongerencultuur. De brug tussen onderwijs en arbeidsmarkt is zorgelijk. “Aan de ene kant zou je zeggen, dat ze welkom zijn. Aan de andere kant moet je constateren, vaak zìtten ze er niet bij.” De middenklasse zou hier “gigantisch belangrijk” kunnen zijn, zegt Fernandes Mendes. “Die kan de weerstanden wegnemen die er nog altijd bestaan.”

Wìl de middenklasse die weerstanden wel wegnemen? De houding van de Surinaamse midden- en hogere klasse ten aanzien van de lagere klassen is ambivalent. Het zijn landgenoten, dat bindt. Advocaat Teunis voelt een emotionele band “ook met de mensen uit de zogenaamde achterstandsgroep”; hij wordt regelmatig 'even' om advies gebeld. Elisa Carter drukt zich nog sterker uit: “Ze zijn mijn mensen. Ze hebben hun weg proberen te vinden en ze zijn gebeten.”

Anderzijds is de sociale afstand groot. “Nederland is een tamelijk eenvormige, tamelijk klassenloze maatschappij”, zegt Fernandes Mendes. “Suriname is dat veel minder. Het geloof in winti bijvoorbeeld is een fenomeen uit de volksklasse. Voor sommige Surinamers is het vervelend om daar door Nederlanders mee geassocieerd te worden.”

De eerste Surinamers die naar Nederland emigreerden, waren overwegend afkomstig uit de sociale bovenlaag. Zij waren in Suriname klaargestoomd voor een toekomst in Nederland en kwamen hier studeren. Sommigen keerden terug naar hun vaderland, anderen bleven in Nederland, trouwden hier, in veel gevallen met een niet-Surinaamse vrouw.

Vlak voor en na de door het kabinet-Den Uyl opgedrongen onafhankelijkheid in 1975 kwam plots een emigratiegolf van een sociaal zwakkere groep. Slecht opgeleid, niet voorbereid op Nederland, met een taalachterstand. Die grote groep heeft al snel het beeld van Surinamers in Nederland bepaald. Dat zijn de 'boemannen' waar de toezichthouder uit de Bijlmer het over had. Ten slotte is na Bouterses coup in 1980 een nieuwe stroom uit de bovenlaag naar Nederland gekomen, nu op de vlucht voor de politieke instabiliteit.

Voor Surinamers van de 'eerste' groep immigranten was de komst van de tweede groep geen onverdeeld genoegen. Waterkant-secretaris Mahesh (in 1971 naar Nederland gekomen) spreekt zich duidelijk uit: “Als een grote groep allochtonen binnenkomt met dezelfde afkomst, dan is dat bedreigend - niet alleen voor de Nederlandse bevolking, ook voor de reeds aanwezige vertegenwoordigers van die groep. Die nieuwe instroom heeft invloed op onze positie. Wij worden daarop aangekeken.” Hij voelde, zegt hij, “in 1974 geen grote mate van solidariteit met nieuwe groepen”. Teunis valt zijn secretaris indirect bij: “Ik heb niet zozeer de drang om voor anderen als voorbeeld te dienen van 'mensen uit een Derde-Wereldland die het hier hebben gemaakt'. Dat is niet aan de orde.”

Een belangrijke karakteristiek van elke middenklasse is dat ze niet wil opvallen. Associatie met een groep die te veel opvalt, is onwenselijk. Fernandes Mendes ziet daarmee een belangrijk instrument voor integratie onbruikbaar worden. “Er is een geringe bereidheid van de middenklasse om de kar te helpen trekken. Niet uit desinteresse, maar uit voorzichtigheid. De angst dat de verantwoordelijkheid die je neemt, door bijvoorbeeld in het bestuur van een voetbalclub te gaan zitten, zich als een boemerang tegen je keert.”

Hij kent ook wel een paar vervelende voorbeelden, al wil hij niet ingaan op bijvoorbeeld de affaire van de hoge Amsterdamse ambtenaar die van zijn dienst even geld leende om de begroting van een stichting voor hulp aan de 'allerarmsten' in Suriname sluitend te krijgen. Meer in het algemeen zegt Fernandes Mendes: “Bij gebrek aan bestuurlijk kader, wordt het aanwezige kader overbelast. De implicaties van wat je doet kunnen een onverwachts gevolg krijgen. Een politieman als Roy Karg moet zich twintig keer bedenken voor hij tot een bestuur toetreedt.”

Die voorzichtigheid heeft ook te maken met de scherpte van de Surinaamse politiek sinds 1980. Alle Surinamers uit de hogere klassen zijn trots op hun afkomst, maar de meesten hebben weinig op met de politieke machthebbers. Fernandes Mendes: “Door hun functie en hun niveau willen ze niet meer geassocieerd worden met negatieve zaken uit Suriname. Maar door kringen om hen heen worden ze er nog steeds op aangesproken. Als er iets over Suriname in de krant staat, dan stelt je omgeving daar vragen over.”

Politiek is daarom een veelverzwegen thema. Een van de geïnterviewden had een onderdeel geschreven van het program van een politieke partij in Suriname. Dat moest liever niet in het artikel worden vermeld. Politiek is een verboden onderwerp voor de lezingen die sociëteit De Waterkant elke maand organiseert. En een van de weinige keren dat een voorgedragen lid door de ballotage-commissie werd afgewezen, in de tien jaar dat de sociëteit bestaat, ging het om iemand van wie bekend was dat hij politiek in de sociëteit wilde bedrijven.

Rustig, Ramdhani, let op je rikketik.'' Elke vrijdagavond is er 'politiek café' in Rudi Speears Partycentrum - een woonkamer in de Bijlmerflat Hoptille, waar een bar is neergezet. Dit was de verhitte, maar vooral kameraadschappelijke kraamkamer van het Zwart Beraad, het informele overleg van zwarten uit alle partijen van deelraad Zuidoost. Alle partijen behalve de VVD - vandaar dat VVD-raadslid Stanley Ramdhani zich zo opwindt. Hij is hier op 'vijandelijk terrein'. Maar hij hoort wel bij de Bijlmerkabel, hoor, zegt een van zijn politieke opponenten liefdevol.

“Wij zwarten hebben te veel haast”, zegt Ramdhani. “Hoe lang zijn we nou helemaal in Nederland? Pas op de plaats, broeder.” De andere aanwezigen schieten vuur: “Zo doe je precies wat de witten willen.” En: “Als een Nederlander in een bepaald land komt, stoomt hij direct door naar de top. Hebben wij dat recht dan niet?”

Dit is nu precies waarom Surinamers in Nederland niet stemmen, zegt Iwan Leeuwin, behalve AbvaKabo-kaderlid tevens raadslid voor GroenLinks in Diemen, en een enkele vrijdag ook in het Partycentrum te vinden. “We zijn nu al zolang hier, en nog is er geen zwarte man aan de top gekomen.” Het verklaart volgens hem de vernieuwde politieke bewustwording van de Surinamers in de Bijlmer via het Zwart Beraad.

Buiten Amsterdam, en misschien zelfs buiten Amsterdam-Zuidoost, lijkt het Zwart Beraad weinig enthousiasme op te wekken. Elisa Carter, die geen politicus is, vindt: “Je moet het systeem niet bevechten, je moet het kopiëren, je moet deelnemen.”

Kopiëren, deelnemen - de enige zwarte VVD-wethouder in Nederland heeft dat geweten. Nog maar net was Patricia Remak in Amsterdam-Zuidoost aangetreden, of ze kreeg de volle laag vanuit 'de Surinaamse gemeenschap'. Met haar instemming werd een aantal welzijnssubsidies - die vooral aan Surinamers ten goede kwamen - in haar stadsdeel beëindigd.

Het was een kwestie van doelmatigheid, zegt ze. Het voorstel werd bovendien door een ruime meerderheid gesteund, ook door zwarte deelraadsleden. Opmerkingen, onder meer vanuit het Zwart Beraad, dat ze de Surinaamse gemeenschap verraden had, griefden haar diep. De gemeenschap gaat haar aan het hart, zegt ze, maar dan vooral die Surinamers die “gewoon keihard werken. En die een meerwaarde geven aan dit land”.

In het Partycentrum echoën de scheldkanonnades nog altijd na: white men's bitch, Bolkesteins lievelingetje of Bounty, de meest gebruikte term voor een Surinamer die van buiten wel bruin is, maar van binnen wit. Iwan Leeuwin doet niet mee aan de scheldpartij tegen Remak, maar hij ziet wel dat “sommige Surinamers zich distantiëren van de Surinaamse gemeenschap als ze een bepaalde positie hebben bereikt”. “Ik snap het wel. Je komt in een heel ander circuit terecht. De mentaliteit is daar: ik heb het toch ook zelf gemaakt. In hun hart distantiëren ze zich niet hoor. Totaal niet. Maar ze laten hun stem niet horen.”

Wit denken, wordt het genoemd, die distantie. De manier om je bij blanke Nederlanders verstaanbaar te maken. Om Hollands te praten. De Surinamers van de midden- en hogere klasse gaan steeds meer op blanken lijken, zegt topambtenaar Hugo Fernandes Mendes. Kan het ook anders, als vrijwel al je collega's en je kennissen blank zijn, en je je kinderen naar een witte school stuurt?

“Je moet je staande houden binnen de groep waarmee je functioneert”, zegt politiecommissaris Roy Karg. “Het is waar dat ik veel heb overgenomen. Anders kun je je ook niet handhaven. Maar ik voel me absoluut niet losser staan van mijn eigen bevolkingsgroep.” Wethouder Patricia Remak evenmin. In kleur denken vindt ze 'niet leuk'. “Er is een cultureel verschil. Dat is essentieel. Daar komt dit alles uit voort.”

Anderen zeggen dat ze de afstand wel degelijk voelen. Als ze even terugzijn in Suriname. Vijf jaar na zijn emigratie reisde Leeuwin voor het eerst terug. “Ik heb toen veel mensen gesproken. Niemand gaf me het gevoel dat ik welkom was.” “Met je rollende r en je zachte g word je daar als een bedreiging gezien”, zegt Carter. “Je bent een patata, zeggen ze dan, een aardappel, een betweter.”