De mens moet leren verwerken dat natuur fluctueert

Vijf jaar ligt een rij akkers in de Millingerwaard nu braak, zonder dat iemand er wat aan doet. In plaats van terug te blikken kijkt ecoloog Frans Vera vooruit: de Eik, de Appel, de Velduil en de Grauwe klauwier zitten in de wachtkamer.

BIJ HET BETREDEN van het gewezen weiland begint Frans Vera onmiddellijk over de patronen die daarin zijn uitgevreten door de grazende paarden en runderen: eilanden van brandnetels en andere ruigtekruiden te midden van gladgeschoren gazons. Grazers vormen een van Vera's grote thema's. Hij schreef mee aan het 'Plan Ooievaar' voor natuurontwikkeling in het rivierengebied, waarin grote planteneters werden aangewezen als scheppers van structuur in het landschap. In zijn recent verschenen proefschrift Metaforen voor de Wildernis stelt hij dat het halfopen landschap, dat door begrazing zou moeten ontstaan, van oudsher in grote delen van Europa heeft overheerst.

“Vlinders oriënteren zich visueel op structuren in het landschap”, meldt Vera. “Ze baltsen bijvoorbeeld bij overgangen van open naar dichte plantengroei, de veldzomen. De randen van de brandnetelhorsten hier zijn daar heel geschikt voor.”

Ook Vlaamse gaaien hebben iets met zomen: ze verstoppen er eikels, waarschijnlijk omdat ze deze dan makkelijk kunnen terugvinden. Zo hebben ze een reservevoorraad voor de winter. Vera: “Een Vlaamse gaai kan de plaats van wel 5.000 eikels onthouden. Een deel van de begraven eikels laten ze 's winters liggen. In het voorjaar gaan ze dan naar de ontkiemde eikels toe met hun jongen. Ze tillen het plantje iets op en voeren de kiembladeren uit het restant van de eikel aan de jongen. De eik heeft een lange penwortel dus die kan dat overleven.”

De veldzoom is niet voor niets een veldzoom - daar groeit iets wat de grazers niet believen, brandnetels of doornstruiken - en de opgroeiende eik is automatisch beschermd. Zo zorgt de Vlaamse gaai voor nieuwe eiken. Vera verwacht binnen enkele jaren de eerste eiken rond de brandnetelhorsten in het weiland. Een andere functie van de brandnetels is beschutting bieden aan koudbloedigen. “Reptielen kunnen in een dergelijk gevarieerd terrein aan thermoregulatie doen. Er is zowel zon als schaduw. Op egaal grasland kan dat niet, daar is het alles of niets.” Volgens terreinbeheerder Johan Bekhuis is het verwilderde boerenland nog niet door reptielen gekoloniseerd maar gaat Vera's verhaal wel op voor amfibieën. “Die zitten overdag in de koelte en 's avonds gaan ze op de insecten af.”

Zwolse anjer

Nu grote grazers vrij algemeen zijn geaccepteerd als instrument voor natuurbeheerders blijkt Vera de kudde alweer vooruit te zijn gesneld: “Hier zouden dus varkens moeten lopen”, merkt hij op. “Paarden graven wortels uit door te schrapen met hun hoeven, zwijnen wroeten en draaien hele zoden om. Dat schept weer andere kiemomstandigheden. Ik heb in Spanje eens een strook gezien waar varkens bezig waren geweest en daar groeiden bijvoorbeeld zeldzame soorten als Knolsteenbreek en Zwolse anjer.” De natuurscene kan alvast richting veemarkt. Dat het met die grote beesten vrij nauw luistert, legt Vera uit als hij een losgeschraapte plek ontdekt in het gras van het ex-weiland. “Schrapen is bij runderen een vorm van sociale interactie. Dat krijg je alleen als je twee stieren hebt met een meningsverschil. Om de juiste omstandigheden te maken voor een dynamische vegetatie heb je dus niet genoeg aan een kudde met één stier.”

Ook een klodder ganzepoep brengt Vera op het onderwerp 'grote grazers': “Zo zie je dat ganzen niet alleen op puur grasland kunnen leven. De grazers maken het terrein geschikt voor bomen en struiken maar ook voor andere beesten. Voor veel mensen is het cultuurland nog steeds het referentiebeeld. Omdat ze weidevogels als kievit en grutto kennen van agrarisch land denken ze dat je agrarisch land nodig hebt om zulke vogels te hebben. Het is blijkbaar moeilijk te beseffen dat soorten uit het cultuurland ooit een natuurlijk biotoop hebben gehad.”

Een goed voorbeeld daarvan is volgens Bekhuis de kwartelkoning, zijn troetelkind, een vogel die hier ruim twee jaar geleden voor het eerst opdook en het nu heeft gebracht tot drie broedparen. Handhaaft zich prima zonder speciale maatregelen. Hoewel: “De kwartelkoning is een erratische soort, wat wil zeggen dat er vrij grote fluctuaties kunnen optreden. Daar doe je weinig aan. Maar als hier volgend jaar geen kwartelkoningen zitten krijg ik als beheerder wel de schuld. Dan heb ik het niet goed gedaan.”

LEPELAARS

Vera heeft na deze voorzet weinig aanmoediging meer nodig. “1996 was een droog jaar, en er zaten dat jaar in de Oostvaardersplassen geen lepelaars. Dat kan gebeuren. Het beheer kreeg de schuld en er werd geopperd om maar vossen te gaan schieten, omdat die op lepelaars jagen. Maar de lepelaars zochten andere plekken, zoals de Deense en Duitse Waddeneilanden. Die zitten nu vol lepelaars en bovendien zijn ze terug in de Oostvaardersplassen nu het niet meer droog is. Door dat moeilijke jaar is er dus netto winst gemaakt, wat niet zou zijn gebeurd als je met kunstgrepen had geprobeerd ze te houden waar ze waren.”

Een andere erratische soort is de velduil. De velduil duikt op waar zich een muizenplaag voordoet, en gaat daar dan onmiddellijk broeden, ook al is het winter. Dat gebeurde enkele tientallen jaren geleden in de Noord-Oostpolder, kort na het droogvallen. Een jonge velduil daarvandaan werd een half jaar later alweer 2.500 kilometer verderop, in Rusland, aangetroffen. Vera: “Een muizenplaag wil je in cultuurland niet, maar hier kan zich elk moment zoiets voordoen.” Bekhuis vult aan dat er muizen genoeg zijn, want er hangen zo'n 20 muizenetende roofvogels rond in de buurt van de voormalige akkers, bijvoorbeeld buizerds, blauwe kiekendieven en ransuilen. Als voorbijganger is de velduil ook al gesignaleerd. Dus we noteren als voorspelling: de velduil komt. Tijdelijk, daar is het een velduil voor.

In het gedeelte dat voorheen maïsakker was vallen onmiddellijk de doornstruiken op: de meidoorns, rozen en bramen. Volgens Frans Vera kunnen sleedoorns horsten vormen die zich met een meter per jaar uitbreiden. “Maar de jonge loten hebben geen doornen, net als bij de meidoorn, het duurt enige tijd voor de doorns uitharden. Bij intensieve begrazing ontwikkelen de struiken zich tot een soort bonsaiboompjes.” Ook de toppen van de bramen worden door het vee gegeten, dus verbraming ziet Vera niet als een probleem.

En nu is het Johan Bekhuis die de voorzet inkopt: “Als je een uitgangspunt hebt is al het andere een probleem. Vier jaar geleden kregen we te horen 'Wat gaan jullie doen aan al die distels?' Twee jaar geleden was het 'Wat gaan jullie doen aan al die brandnetels'. We hebben niets gedaan en het evenwicht kwam vanzelf terug. En nu komt al de vraag wat we gaan doen aan al die vlieren.” Vera: “Je kunt wel zien wie daar wat aan doet.” En hij toont aangevreten en omgetrapte vlieren - ondanks eerdere berichten in deze reeks van het tegendeel laten de planteneters in de Millingerwaard zich de vlieren goed smaken. Wat de vlieren overigens niet belet gestaag in aantal en omvang toe te nemen.

“Botanici vinden dat er kraak noch smaak is aan wat er hier groeit”, beseft Frans Vera. “Nou, dan moeten ze maar meer geduld hebben.” Waarop Bekhuis weer meldt dat 'interessante' soorten als Knikkende distel, Kruisdistel, Geel walstro en Cichorei, tot nu toe vooral te vinden op het nabijgelegen rivierduin, steeds meer opduiken op de vroegere maïsakkers, die stug doorgaan met verzanden en voedselarm worden. “Als je niet uitkijkt word je afgerekend op de eerste twee jaar”, aldus Vera. “Maar mogen we alsjeblieft het experiment doen? Mogen we ons eigen ongelijk aantonen?” En dan weer, tevreden kijkend naar de opschietende meidoorns: “Nog even en het wordt hier leuk voor de Grauwe klauwier.”

Wat we noteren als wéér een voorspelling. Zelfs appelbomen ziet Vera hier binnenkort opslaan, want in de bossen rondom staan ze, waar de runderen de vruchten kunnen eten, en een appelpitje kiemt nu eenmaal het liefst in een koeievlaai. Het liefste zou Vera alle meidoorns aflopen (volgens een telling dit voorjaar waren het er 111, maar het zijn er nu ongetwijfeld meer) om te kijken of er al loofboompjes opgroeien in de beschutting van de doorns.

ESDOORN

Wel komen we ergens een Esdoorn tegen, gedoemd om klein te blijven door de voortdurende vraat. “Maar stel alle paarden verdrinken een keer. Dan grijpt-ie z'n kans”, zegt Vera uitdagend. Bekhuis reageert: “Dan ben je diezelfde avond nog op het Journaal en is het experiment afgelopen.” En dan Vera weer: “Je zou het een keer kunnen simuleren. Als je ergens een nieuw terrein opent waar je grazers nodig hebt kun je de helft hier weghalen.”

Bekhuis is de pragmaticus voor wie de publieke opinie een gegeven is, al zijn er grenzen. “De mensen rond Kekerdom zeggen, de beesten hier hebben helemaal geen hooi, dus ze hebben niks te vreten”, vertelt hij grijnzend. Vera prefereert zendingswerk: “Honger drijft de grazers om de vegetatie te lijf te gaan. Honger houdt de populatie binnen de perken. In Afrika is het normaal dat het grazende wild van honger sterft - niet door leeuwen. Toch zegt niemand dat het natuurbeheer daar niet deugt. In Europa haalt 50 procent van de roodborstjes de eerste winter niet. Is dat erg? Ja, natuur is soms erg. Is dat te veel voor het publiek om te verwerken? Ach, het publiek heeft ook kunnen verwerken dat vrouwen stemrecht kregen.”