Tweede kroniek Natasha Gerson; De ziel, een wapen

Natasha Gerson: De zielen van Midgard. Une histoire fin-de-millenaire. Van Gennep, 311 blz. ƒ 34,90

Eén van de meest curieuze figuren uit Couperus' fin-de-siècleroman De boeken der kleine zielen is Paul, een zoeker, iemand die het goede voorstaat. Hij wil zin geven aan het leven en bekent dat hij 'socialist' is. Paul, die temidden van de naar het leven getekende kleine zielen met hun ondergangsgedachten een bordkartonnen figuur is (juist in hem kon de schrijver zich niet verplaatsen) stond voor een heel scala aan optimistische wereldverbeteraars, die zich rond de eeuwwisseling in allerhande sektes stortten: van veganisme, thesofie en naaktloperij tot het leven in communes en Tolstojaans pacifisme.

Natasha Gerson (1969), die vorig jaar verraste met haar debuutroman Plaatstaal over de Amsterdamse kraakbeweging, heeft haar tweede roman De zielen van Midgard genoemd. Ook in de ondertitel (Une histoire fin-de-millénaire) is een echo van Couperus hoorbaar. Maar Gersons zielen zijn geen decadente Haagse mensen uit een milieu dat op zijn retour is. Het zijn de zielen van al dan niet identificeerbare doden. Deze zielen hebben zich genesteld in de hoofden van vitale jonge mensen, die elkaar - op zoek naar zingeving - uiteindelijk vinden in een commune in Drenthe.

De zielen van de gestorvenen geven de levenden kracht. Bovendien zorgen ze voor de broodnodige continuïteit in een wereld waarin kinderen opgroeien zonder vaders, of zelfs zonder ouders, een wereld waarin adolescenten om politieke redenen hun vaderland moeten ontvluchten en, losgeslagen van hun ankers, in den vreemde een bestaan moeten opbouwen. Gersons personages, althans de krachtigsten onder hen, beschikken allemaal over zo'n 'extra ziel', iemand die beslissingen voor hen neemt, iemand die troost, iemand vooral die hen boven zichzelf doet uitstijgen.

Het is een manier van uitdrukken, want je zou die 'iemand' ook als 'alter ego' of 'zelfbewustzijn' kunnen aanduiden. Maar Gersons personages noemen hun beschermengel 'ziel' of 'geest' om aan te geven dat ze op hun manier allemaal gelovig zijn. En om manieren van geloven gaat het in dit boek.

Het is tekenend voor Gersons ambitie dat zij met deze roman over de huidige eeuwwisseling een parallel wil trekken met Couperus' roman over de vorige. Net als Couperus' Boeken der kleine zielen zou je De zielen van Midgard als een tijdskroniek kunnen beschouwen, maar waar bij Couperus de romancier het altijd wint van de chroniqueur, is Gerson vooral verslaggeefster - maar wel een verslaggeefster die bij voorkeur veel human interest in haar verhaal stopt. De roman is opgebouwd als een serie fictionele reportages over actuele kwesties: de hongersnood in Ethiopië, de Bijlmerramp, problemen van Afrikaanse asielzoekers, het leven van een Amsterdamse bijstandsmoeder, 06-sekslijnen, houseparties, XTC en ander dope-gebruik en niet te vergeten het Zoeken naar Zingeving. Dat laatste is volgens velen, en kennelijk ook volgens Gerson, onlosmakelijk verbonden met fin-de-sièclecultuur.

De hoofdfiguren in de reportages leren elkaar pas tegen het einde van het verhaal kennen. Voor het zover is, krijgt de lezer gelegenheid zich in hen te verplaatsen dankzij Gersons formidabele verteltechniek en haar inlevingsvermogen. Een volkomen in zichzelf besloten eensgezins-sekte op de Drenthse hei zet ze even overtuigend neer als twee onderling sterk verschillende Ethiopische jongens in een Bijlmerflat of een doorgeflipte DJ. De figuur die waarschijnlijk het dichtst bij de schrijfster zelf staat - zoals Constance in de Kleine zielen het dichtst bij Couperus stond - is Nadine, een jonge bijstandsmoeder uit de Amsterdamse Pijp.

Nadine is één van de weinigen in wie geen ziel van een dode leeft, maar op haar beurt ontleent zij weer veel aan haar, toch ook bijna dode, dementerende Duits-joodse overgrootmoeder. Die oude vrouw, geboren in 1898, belichaamt de twintigste eeuw. Vaak is ze alles vergeten, maar van de Tweede Wereldoorlog, kan ze zich de kleinste details herinneren, wat haar alert en scherp houdt bij het volgen van de actualiteiten. Te scherp, want achter ieder beeld op haar televisie ziet ze de nazi's marcheren. In feite leeft ze in een voortdurende angst voor een herhaling van de holocaust. Nieuwe voortplantingstechnieken bijvoorbeeld bestempelt ze als 'Mengeles Wünschtraum' en ze voegt eraan toe: 'Maar niemand zal het tijdig herkennen voor wat het is. Es gibt keines Prezendent dieser technologische Endlösung'. Haar herkenbare angstvisioenen heeft ze overgedragen op haar achterkleinkind. In plaats van een extra ziel, een beschermengel, draagt Nadine continu de Angst met zich mee. De manieren van geloven waar het in de roman over gaat, zijn even zoveel manieren om zich van angsten te bevrijden.

De roman begint en eindigt dan ook met het geloof en wel met de variant van de profeet Arnzer. Diens leer verschilt in essentie niet van welke godsdienst dan ook, hij biedt behalve hoop ook een moraal, voorschriften en geboden. De leer van Arnzer wordt door de (vrijwel) enige navolger van Arnzer, Jacob Elderbach, op wel erg fundamentalistische wijze geïnterpreteerd. Op zijn ecologisch gerunde boerderij Midgard terroriseert hij vrouw en kinderen met zijn idiote godsdienstige voorschriften. Niets is geoorloofd, veel moet. Spijswetten worden streng gehanteerd, nooit mag men in het leven de gemakkelijke weg kiezen, luxe zoals elektriciteit is verboden en het ergste is: alles - eten, drinken, maar ook uitwerpselen en urine - moet drie keer gebruikt worden. Gerson beschrijft het leven op Midgard, waar in een grote eik de boomgeest waakt over het geslacht, zonder spot. De gelovigen in Arnzers leer zijn net mensen. Ook in deze mini gekte-secte is er rouw en verdriet, wordt er geleden onder generatie-conflicten of geknakte ambities en worstelen de gezinsleden met hun identiteit.

In dat opzicht verschillen zij niet van de twee Ethiopische jongens Mati en Solomon, die in een andere verhaallijn figureren. De beschrijving van hun wederwaardigheden - zij overleven de Bijlmerramp - behoort tot de hoogtepunten van de roman, omdat de schrijfster hier haar vertellerstalent ten volle botviert. Je ziet dat vliegtuig neerkomen op hun flat, of liever: je hoort het. Op een gewone zondagavond na een ruzietje met Salomon over de vraag of Studio Sport aan mag, loopt Mati even naar beneden om wat eten te gaan kopen. Als hij net buiten is, hoort hij het vreemde geluid. 'Het is het geluid van een enorme machine, vlakbij, hard, oorverdovend, schurend bijna. Mati kijkt naar boven en ziet het vliegtuig. Een enorm, zwartrokend, grijs monster dat op hem afkomt. In een oogwenk ziet hij dat het vliegtuig niet over de flat heen zal komen.' Op dat moment neemt de ziel van een gestorvene die in hem woont het over.

Fascinerend is ook Gersons portret van de beroemde DJ Vincent, bijgenaamd de Bedenker, die al sinds zijn jeugd een ziel bij zich heeft die alles voor hem bedenkt. Na een in een psychose eindigende identiteitscrisis komt Vincent uit bij het Arnzerisme. Dat is te danken aan een televisie-uitzending over de dood van de fundamentalistische vader Jacob. Gersons personages belanden vervolgens om hun moverende redenen of bij toeval op boerderij Midgard, waar ze, onder leiding van de Bedenker de leer van Arnzer herzien. Uiteindelijk blijkt dan plotseling wat de functie van godsdienst is. Arnzer, zo realiseert de weduwe van Jacob zich, heeft de wetten en voorschriften waar zij jaren onder geleden heeft zo geconstrueerd dat ze gebroken kunnen worden. 'Hij dwingt je de mazen in zijn net te vinden door na te denken. Door steeds weer afwegingen te maken. Het is een spel (...) Door het spel te spelen, ondanks zijn wetten een plezierig en gelukkig leven te leiden en door te bedenken hoe dat moet, dwingt hij ons tot ethische afwegingen, elke keer weer opnieuw.'

Al te nadrukkelijk wordt deze oplossing van de zingevingspuzzel hier gepresenteerd. Iedereen is gelukkig in het vernieuwde geloof, de dolende zielen hebben hun bestemming gevonden: eind goed al goed. Het verhaal is rond, geen vraag wordt opengelaten. De roman verwordt aan het einde tot een traktaat en dat is jammer. Hetzelfde geldt voor de volledigheidsdrang van Gerson: het boek besluit met de transcriptie van een fictioneel Kamerdebatje over de in snel tempo groeiende Arnzer-sekte, waarin behalve de varkenspest en de uitbreiding van Schiphol ook het gebruik van artikel 140 tegen demonstranten bij de Eurotop aan de orde komen.

De journaliste Gerson heeft de schrijfster kennelijk in de weg gezeten bij het schrijven van De zielen van Midgard. Meer dan als roman is het boek de moeite waard als een boeiend, origineel en - op enkele flauwe woordspelingen na - beeldend geschreven tijdsdocument.

Uit: Natasha Gerson, De zielen van Midgard.

Solomon rent plotseling voor Mati uit. Maar overal liggen ineens mensen. Ze moeten opzij stappen, naar boven kijken, hun ogen dichtknijpen en springen om weg te komen, om veiligheid te bereiken. (...) Een slalom naar de veiligheid zonder lichamen te raken. Als ze op een kind van een jaar of zes stuiten dat half overeind in het gras zit te brullen, aan één kant van haar gezicht met kleurige kraaltjes versierde vlechtjes, aan de andere kant rood vlees en een verschroeide hangende lap koffiekleurig vel, laat Solomon de camera vallen en zichzelf erachteraan. Met zijn hoofd in zijn armen snikt hij dat er grenzen zijn aan wat een mens kan hebben, dat hij niet naar fucking Holland is gekomen om weer dit soort fucking shit te zien.