Twee Russische oorlogsromans; Altijd maar weer de klos

Vjatsjeslav L. Kondratjev: De schande van Rzjev. Vertaling en nawoord van Marius Broekmeyer.

Jan Mets, 191 blz. ƒ 29,90

Oleg Jermakov: Het teken van het beest. Vertaling Lourens Reedijk. Meulenhoff, 320 blz. ƒ 49,90

De Tweede Wereldoorlog was de laatste jaren in Rusland een beetje uit als onderwerp van literaire werken. De oude generatie leek erover uitgeschreven en de jongere had wel andere dingen aan haar hoofd. Die stilte was in het licht van de zondvloed aan oorlogswerken van de laatste vijftig jaar wel begrijpelijk, maar toch enigszins bevreemdend. Immers, sinds de val van het communisme was het eindelijk mogelijk over dit onderwerp openhartiger te schrijven dan vroeger gebruikelijk was en de duistere zijden van de Sovjet-oorlogvoering beter te belichten. Die waren overigens in het werk van Sovjet-schrijvers als Grossman en Bykov enigszins gecamoufleerd aan de orde gekomen, maar er was veel te zeggen voor een totale opening van zaken. Maar geen schrijver die er zich aan wilde branden.

Behalve dan de betrekkelijk onbekende Vjatsjeslav Kondratjev (1920-1992) in De schande van Rzjev. Waar zijn voorgangers alleen maar op hadden gezinspeeld, dat wordt de lezer in dit boek met de kracht van een vuistslag duidelijk gemaakt: de ergste vijanden van de Russische frontsoldaten waren niet de Duitsers, maar de eigen superieuren. Bij de bevelhebbers op alle niveaus speelde het leven van de soldaat geen enkele rol. Troepen werden met duizenden opgeofferd in zinloze acties en soldaten die zich niet doodvochten tegen de vijand, die in 1942 - het jaar waarin het boek speelt - nog oppermachtig was en bijna voor Moskou stond, werden voor het vuurpeloton gesleept. Bovendien heerste er aan het front een onvervalste stalinistische terreur met overal verklikkers en medewerkers van de Speciale Troepen die erop toezagen dat 'het moreel niet werd aangetast'.

De schande van Rzjev is geheel gebaseerd op de eigen ervaringen van de auteur in de winter van 1942, toen hij als soldaat deelnam aan gevechten om een aantal dorpen ten noordwesten van Moskou. Het boek vertelt het verhaal van een kleine eenheid die per ongeluk op een vooruitgeschoven post is terechtgekomen en niet mag terugtrekken, omdat dat gelijk staat met landverraad. Het is het relaas van een aantal gewone soldaten dat gedwongen wordt zich dood te vechten. Voedsel, versterking en ammunitie krijgen ze niet, maar wel staat er, als de Duitsers op een dag propagandapamfletten afwerpen, ogenblikkelijk een officier van de Speciale Troepen voor hun neus, die ze dwingt die papiertjes in de vuurlinie op te rapen, de manschappen fouilleert en wanneer iemand er een paar blijkt te hebben meegenomen om als sigarettenvloei te gebruiken, deze soldaat standrechtelijk wil neerschieten. Het is een huiveringwekkende scène, al meteen aan het begin van het boek, die slechts een opmaat blijkt voor nog veel huiveringwekkender dingen.

De schande van Rzjev is een hartenkreet, een roep om gerechtigheid, vijftig jaar na dato. 'Waar gebeurd is geen excuus', zegt Gerard Reve ergens, maar dit boek is hierop dan een uitzondering. De schrijver zag het als zijn heilige plicht de waarheid te zeggen over wat hem en zijn kameraden is overkomen en daarom lijkt het bijna ongepast om literaire maatstaven aan te leggen. Maar laat ik het zo zeggen: het is een boek dat met beide benen staat in de traditie van het Sovjet-realisme en dat van stijl, compositie en psychologie van een ouderwetsheid is die je niet meer voor mogelijk houdt. Maar deze bezwaren verdampen bij het lezen. Ademloos laat je je door Kondratjev meevoeren in de hel van Rzjev en nog voor het eerste hoofdstuk uit is heeft iedere lezer met een greintje gevoel zich gewonnen gegeven en zich geïdentificeerd met die doodgewone jongens die door hun eigen staf nog erger in de tang worden genomen dan door de Duitsers.

De Tweede Wereldoorlog is niet Ruslands enige trauma. Over een andere recent door de Russen gevoerde oorlog, die in Afghanistan, valt zo weinig positiefs te melden dat er voornamelijk over is gezwegen. Dat zwijgen is in de literatuur pas kort geleden doorbroken door een schrijver van een jongere generatie, Oleg Jermakov (1961), wiens Afghaanse verhalen (verleden jaar ook in Nederlandse vertaling verschenen) een van de schaarse hoogtepunten uit de recente Russische literatuur betekenden. Zijn kloeke roman Het teken van het beest is aan hetzelfde onderwerp gewijd.

Hoewel Jermakov veel minder emotioneel is dan Kondratjev, heeft zijn boek in wezen dezelfde boodschap: aandacht vragen voor de gewone jongens en mannen die buiten hun wil betrokken zijn geraakt bij een krankzinnige oorlog. Er is in Afghanistan meer te eten en de discipline is minder draconisch dan in Rzjev, maar nog steeds is de gewone soldaat altijd de lul. En ook in de jaren tachtig is het niet alleen de vijand die het de Sovjet-manschappen moeilijk maakt, maar zijn het vooral de eigen mensen. Voor de dienstplichtige soldaten komt het gevaar ditmaal minder van boven alswel van hun lotgenoten. Er is onder de soldaten een ijzeren rangorde waarin de jongsten, de recruten, vrijwel rechteloos zijn. Het schoonlikken van latrines komt in het boek niet voor, maar ook zonder zulke excessen is het leven in een Afghaans legerkamp geen pretje.

Het grote verschil met het eerste boek is natuurlijk dat in de Afghaanse oorlog het voortbestaan van het vaderland niet op het spel stond. Patriottisme en heroïek zijn in dit boek dan ook volkomen afwezig. Het teken van het beest probeert een tamelijk volledig beeld te geven van twee jaar Afghaanse diensttijd. Het leven in het legerkamp, de verveling, de hitte en kou, een filmvoorstelling eindigend in een knokpartij, een militaire operatie tegen de opstandelingen, het platbranden van een dorp, het plunderen van een winkelstraat, de viering van een nieuwjaarsfeest, een wervelstorm, en ten slotte het afzwaaien dat door noodweer en te laat komende vliegtuigen steeds maar wordt uitgesteld en enige dagen in beslag neemt. Dit alles gehuld in dampen hasj, het enige verzetje van de soldaten, en tegen het decor van de ongenaakbare Afghaanse bergen waar de onzichtbare vijand zich schuil houdt. De belangrijkste persoon van het boek, een soldaat die alleen met de bijnaam Schildpad wordt aangeduid, kan het alleen overleven door regelmatig in zijn dromen te vluchten.

Het teken van het beest mist volkomen het pathetische van Kondratjev. Jermakov is een schrijver die directe emoties uit de weg gaat. Zijn handelsmerk is afstandelijkheid die hij in de eerste plaats bereikt door een onderkoelde stijl, en door de gevoelens van personages zeer summier en de hen omringende omgeving juist zeer gedetailleerd te beschrijven. Maar afstandelijkheid treft bij een dergelijk onderwerp alleen doel als zij geladen is, en dat is in dit boek niet altijd het geval. De gedrevenheid, die je bij Kondratjev al je bezwaren doet vergeten, ontbreekt hier een beetje. Jermakov weet de spanning er niet altijd in te houden, de gedetailleerde beschrijvingen missen soms net datgene waardoor ze onvergetelijk worden, en dat maakt dat het boek, hoe poëtisch en gruwelijk het vaak ook is, minder overtuigt dan zijn veel beknopter Afghaanse verhalen.