Tante Zus en tante Zootje

Wim Hofman: Mijn buik is van koek (illustraties door auteur) Hans Kuyper: Waar woon jij, hond? (ill. door Klaas Verplancke)

Bies van Ede: Puit plep twiet (ill. door Sylvia Weve)

Annemie Heymans: Vier tantes in een slootje (ill. door auteur)

Anke de Vries: Wie niet bang is mag mee (ill. door Han Janken)

Koos Meinderts: Er ging een vis uit fietsen (ill. door Annette Fienieg). Uit de serie Versjes voor beginnende lezers, Uitgeverij Zwijsen. Voor kinderen met 4 tot 9 maanden leesonderwijs. ƒ 14, 50 per stuk.

Na negen maanden leesonderwijs in groep drie kun je tegenwoordig al twaalf mooie versjesboeken lezen. Bij uitgeverij Zwijsen verscheen opnieuw een zesdelige serie Versjes voor beginnende lezers. Net als vorige keer werd een groep uiteenlopende schrijvers en illustratoren uitgenodigd om hun kunsten te vertonen op dit ogenschijnlijk zo eenvoudige niveau.

De zes boeken lopen gelijk op met de methode 'Veilig leren lezen' van de uitgeverij, ook wel bekend als de 'maan-roos-vis'-manier waarmee het merendeel van de kinderen in Nederland tegenwoordig leert lezen. Met de vierendertig klanken die ze zich in de klas langzaam eigen maken, kunnen zij gaandeweg de tekst van alle deeltjes ontcijferen.

Aan de vorige serie leverde, behalve Paul van Loon, onder anderen Joke van Leeuwen een aandeel. Voor ik ben ik, het allereerste en om te schrijven meest moeilijke boekje (te lezen na ongeveer vier maanden leesonderwijs), kreeg zij een Zilveren Griffel. Van Leeuwen blinkt uit in de beperking.

Dit keer valt de eer om met uitsluitend eenlettergrepige woorden en basisklanken zo veel mogelijk te doen, ten beurt aan Wim Hofman. Hij begint dapper in Mijn buik is van koek met een dialoog tussen de zon en de maan. 'De zon gaat weg./ hij is boos en rood./ 'val dood', zegt hij./ maar de maan is niet gek./ 'ik ben er net,'/ zegt hij./ 'ik ga niet./ ik wil niet mee in de zee./ o nee, o nee, o nee!'

Zo soepel en vanzelfsprekend als het rijm van Joke van Leeuwen is, lukt het Hofman niet helemaal. Maar zijn vondsten, de rijkdom aan onderwerpen die hij weet te kiezen, en vooral de manier waarop hij met de taal speelt is al even knap. Hij dichtte het lijflied van een koekenmannetje, de geschiedenis van een spokende oom en een raadselopdracht: 'zoek de beer in het bos// boom boom boom boom boom/ boom boom boom boom boom/boom boom beer boom boom/ boom boom boom boom boom/ boom boom boom boom boom.'

Van de overige deeltjes valt vooral Vier tantes in een slootje van Annemie Heymans op, bedoeld voor wie zeven maanden lang heeft leren lezen. Net als Hofman illustreerde zij haar versjes zelf, met fijnere lijntjes maar even gek. Op het eerste gezicht lijken het soms brave, een beetje truttige tekeningetjes. Net als de rijmpjes aanvankelijk wat zoetjes kunnen klinken, maar dat al gauw niet blijken te zijn: 'Tante Zus en tante Zootje./ Tante Duts en tante Doe./ Mijn vier tantes in een bootje./ Waar moet dat naartoe?'

De dames ruziën een beetje over het doel van de reis. Gaan ze naar hun grootje of eten ze eerst een broodje, dat soort geteut. Dan staat er ineens: 'Tante Doe geeft Duts een stootje./ 'Word eens wakker, luie koe!'/ Tante Duts licht Doe een pootje./ Houd eens op met dat gedoe!' Op de illustratie steken twee paar tantebenen met gele en groene pumps uit de woeste baren, een derde tante (rode pumps) glijdt er net ook in, van de vierde is slechts een zielig handje met tasje nog in zicht.

Heymans heeft in haar versjes en illustraties, zoals in al haar werk, een macabere ondertoon. Een boze moeder roept haar kind bij zich, ziet hoe lief het is en besluit eerst een zoen te geven, 'en dan ga ik je slaan'. Er is een plaatje waarop 'mijn grootmoe', die aan zee woont, een spierwit lijk in een bootje het water in trapt, op een ander groeit een slap kinderhandje uit een graf. Maar je moet goed kijken om deze details te zien. Ze zijn eerder 'lekker eng' dan dat ze je nachtmerries bezorgen. Daarvoor is Heymans' stijl te naiëf, te lief bijna.

De overige delen van de 'Versjes voor beginnende lezers'-serie zijn vooral vermakelijk. Bies van Ede dicht over held en boef spelen en over valse noten blazen op een nieuwe fluit, Koos Meinderts heeft het een beetje te melig over een goudvis die uit fietsen gaat en een mes dat met een schaar trouwt.

Zowel Hans Kuyper als Anke de Vries waagde zich aan een doorlopend verhaal in plaats van losse, op zichzelf staande gedichtjes te maken. Bij Kuyper ziet een jongetje vanuit de klas een hond op het schoolplein waarmee hij vervolgens op pad gaat. De Vries liet haar hoofdpersoon Jeroen in een droom met beer en kat een verre zeereis naar een onbewoond eiland maken. Voor zesjarigen moet het opwindend zijn, al zo'n echt verhaal te kunnen lezen.