Sylvia de Leur als zichzelf en als haar moeder

Voorstelling: Geluk? Wieso Glück? door Sylvia de Leur. Regie: George Groot. Gezien: 23/10 Theater Bellevue Amsterdam. Aldaar t/m 25/10. Tournee: 29/10 t/m 20/12. Reserveren: (020) 626 03 50

Eén keer slechts is ze woedend uitgevallen tegen haar moeder. Haar moeder was toen al oud en ziek maar haar gevoel voor drama was onverminderd. Ze had Sylvia opgebeld en gezegd dat ze ogenblikkelijk moest komen want dat ze plotseling totaal verlamd was. Sylvia kwam inderdaad maar toen ze haar moeder net als anders in haar stoel bij het raam zag zitten, waren alle opgekropte frustraties naar boven gekomen en had ze haar overladen met verwensingen en verwijten. Voor het eerst in al die jaren kreeg moeder een koekje van eigen deeg.

Hoewel haar moeder inmiddels niet meer leeft, ze stierf in 1991 op 84-jarige leeftijd, heeft Sylvia de Leur zich nog steeds niet uit haar wurgende greep kunnen bevrijden. Haar autobiografische solovoorstelling Geluk? Wieso Glück? over hun uiterst moeizame relatie is wat dat betreft veelzeggend, temeer daar De Leur, een comédienne met een lange staat van dienst, de laatste jaren nauwelijks meer optreedt.

Toch is deze door George Groot geregisseerde solo geen afrekening. De Leur portretteert op evocatieve wijze haar moeder met al haar tekortkomingen als een egocentrische, onaangename en markante vrouw; tegelijkertijd geeft ze tussen de regels aan hoe tragisch haar leven in feite was en hoe eenzaam haar einde. Het is een fragmentarisch maar kleurrijk verteld verhaal waarbij ze beurtelings moeder en zichzelf aan het woord laat, herinnerend aan de manier waarop Joop Admiraal dat jaren geleden deed in de solo U bent mijn moeder. Ondanks alle treurigheid is het een ongelooflijke geschiedenis waar om te lachen valt. Niet zonder ironie haalt Sylvia de Leur herinneringen op aan een turbulent leven dat begon in Polen waar haar moeder eens een gevierde prima-ballerina was. De vrouw die ze ten tonele voert is echter al ver in haar nadagen. Ze komt het podium op in een flodderige ochtendjas en bruin zijden nachtgoed, de wilde haarbos is ongekamd. Ze mompelt in zichzelf in een hutspot van Duits en Nederlands en loopt enigszins wankel naar de enige fauteuil die er staat. Ze rookt flink en drinkt nog meer. Overal, zo blijkt al gauw, staan flessen wodka verdekt opgesteld en telkens opnieuw vult ze haar glas bij.

Moeder was, vertelt De Leur, al alcoholiste toen haar dochter nog een kind was. Na de bevalling, die volgens moeder furchtbar was en 'drie weken' duurde begon ze te drinken en dikwijls heeft ze Sylvia verweten dat ze bestond. Dit door haar niet gewenste kind dat jarenlang door de grootouders in Breslau werd opgevoed, totdat Sylvia en haar ouders aan het eind van de oorlog moesten vluchten, had alles verwoest: haar figuur, haar loopbaan, haar toekomst. “Das ganze Leben ist weg!” roept ze met snerpend overslaande stem.

Het liefst haalt ze herinneringen op aan haar glorietijd als klassiek balletdanseres; over de oorlog wil ze niets horen. Begint haar dochter er toch over dan haalt ze fel uit. Haar gezicht is verstard tot een bizar clownsmasker met uitgesmeerde lippenstift, koolzwarte oogjes en vlekkerig rougepoeder op de wangen. De dochter is niet tegen die uitvallen opgewassen en reageert naar zij zelf zegt als “een klein bang vogeltje.” Ze hunkert naar een blijk van liefde van haar moeder maar die blijft tot op haar sterfbed hardvochtig over haar oordelen: “Du kannst nicht tanzen!” Dat deze vrouw bij de toeschouwer uiteindelijk toch ook compassie oproept doet beseffen hoe zorgvuldig en gevoelvol Sylvia de Leur te werk gaat.