Sterfdag

Heinrich Heine was verliefd toen hij doodging. In juni 1855 kwam Elise Krinitz hem opzoeken in zijn ziekenkamer, een jonge vrouw die een adres van hem wilde weten en die met hem bleef praten. Zij kwam terug, hielp hem met correspondentie, las hem voor. Zij was niet bijzonder mooi maar bevallig en Heine, voor driekwart verlamd, voor driekwart blind, gekweld door vreselijke pijnen, ging van haar houden.

Hij schreef gedichten voor haar, onverbiddelijk humoristische waarin hij klaagde: “Woorden! Woorden! Nooit daden!”, uiteenzette dat de wilde jacht van de liefde (Amors Steeple-chase wedloop) misschien te veel zou zijn voor haar zachte natuur en concludeerde dat haar liefde voor een zieke die zich nauwelijks bewegen kon het gezondst voor haar was, een soort gezondheidsliefde. Op 17 februari 1856 stierf hij eindelijk, na acht helse jaren in zijn matrassengraf, een man wiens intellect en werkkracht door het lijden niet waren aangetast en die nog in staat bleek tot een grote liefde.

Iedere dag een paar uur Heine, om te vieren dat hij op 13 december 200 jaar oud wordt. Ik raakte in de war van de lectuur, heftig zelfs, met angsten, slapeloosheid, nachtmerries. Ik las zonder plan in de zes delen 'Werke' die ik in mijn kast had staan en zowat aan biografie. Max Brod (1935) en Ruth Wolf (1976) hadden het vooral over de jóód Heine. Martin van Amerongen (1985) publiceerde een zwierige studie Het matrassengraf. Heine's sterfbed 1848-1856. Zo las ik te veel en te weinig, en raakte de man niet kwijt.

Hij heeft van 1831 tot zijn dood in Parijs gewoond, als balling. Hij kwam er maanden na de nauwelijks gelukte Julirevolutie van 1830 die hem in extase had gebracht. Hij was heel vurig in zijn vrijheidsliefde, hij haatte het Duitse nationalisme, hij schreef zowaar sociale poëzie (De wevers), en toen de DDR nog bestond werd hij er geëerd als communist. Dat was hij niet. Met het 'volk', met de arbeiders wilde hij niets te maken hebben omdat zij stonken en de opstandige retoriek van de Duitse vluchtelingen van na de mislukte revolutie in Duitsland boezemde hem weerzin in.

Parijs, de Franse taal. Hij sprak uitstekend Frans zij het volgens kenners soms aarzelend en met een licht accent, maar in het Frans schrijven kon hij niet. Zijn voor Frankrijk bestemde opstellen en boeken werden voor hem vertaald. En het Duits had door één kwaliteit zijn voorkeur: het was de taal van de poëzie. In het heldere, logische, strikte Frans kon niet worden gedicht. Zijn eigen verzen voegden zich niet in Franse prosodie. Hoewel hij zich thuis voelde in Parijs, met een Franse vrouw trouwde, liever geen Duitsers over de vloer had, in Parijs hogelijk werd gewaardeerd, bleef hij Duitser.

De jeugdpoëzie van Heine (Buch der Lieder) is erg ouderwets geworden, en dat er zoveel regels in ons geheugen zijn gebleven is te danken aan Robert Schumann en Franz Schubert die van zijn teksten zo mooie muziek maakten. In het boek van Martin van Amerongen las ik dat het aantal liederen op teksten van Heine geschat wordt op 6000. Hij was een populaire dichter, een frisse dichter al weende hij vaak bij maneschijn. Er is toentertijd veel met hem meegeweend. Zou ergens ooit nog iemand wenen om 'Die Wallfahrt nach Kevlaar', die Maria-kitsch? Het was een beroemd gedicht.

Wie Heine wil lezen beveel ik aan: Reisebilder, verslag, verhaal, essay, polemiek, getuigenis, vier hoogst amusante delen. Verder: Deutschland. Ein Wintermärchen, een reisverslag in de door Heine zo virtuoos gebruikte versvorm van viervoetige regels, idealistisch, geestig, somber profetisch, satirisch, van begin tot einde een meesterwerk. Verder Ludwig Börne. Eine Denkschrift, door kenners zijn beste boek genoemd, een pijnlijke afrekening met zijn collega-vrijheidsstrijder, mede-balling, gehate opponent. Van Amerongen schrijft terecht dat Heine niet wist hoe ver je te ver kunt gaan. Hij ging volgens tijdgenoten - ik kan met hen meevoelen - te ver toen hij over de dichter Platen schreef in Reisebilder, en in het boek over Börne ging hij nog duidelijker te ver.

In 1832 constateerde hij verlammingsverschijnselen in een hand. In 1848 kwam hij voor het laatst buiten. Acht jaar lang leefde hij in een ziekbed dat hij de Matratzengruft (het matrassengraf) noemde, gekweld door verschrikkelijke pijnen. Zijn oogleden waren verlamd. Met zijn linkerhand hief hij zo nu en dan het lid van zijn rechteroog, legde het hoofd in de nek, om nog iets te zien. Hij woonde, op verschillende adressen, in een kleine kamer, halfdonker gehouden, met een scherm om zijn bed, en werd zo nu en dan door een verzorgster naar een fauteuil of een bad gedragen, zo licht en klein als een kind van acht. Een ruggenmergkwaal, volgens hem zelf een geslachtsziekte, opgedaan in frivole Parijse armen. Hij werkte, schreef of dicteerde, 's morgens als hij in doorwaakte nachten zijn tekst had bedacht.

Vanaf 1834 woonde hij samen met een Parijse vrouw die hij Mathilde noemde, een winkelmeisje zonder cultuur, mooi en al gauw corpulent, en zij wist niets van zijn werk, helemaal niets. In hun tamelijk armoedige appartementen verbleven nog een verzorgster, een vrouw die voor het eten zorgde, en een papegaai. Heine voelde zich verantwoordelijk voor Mathilde die hij als zijn vrouw en zijn kind beschouwde. Hij schreef op zijn ziekbed gedichten over haar die zij nooit heeft gelezen want zij kende geen Duits. Om iets van Heine te citeren heb ik er een uitgezocht en omdat ik het zelf vervelend vind in een Nederlandse krant teksten in een vreemde taal te lezen heb ik het naar eer en geweten vertaald. 'Herdenkingsfeest' heet het. Pauline was de boezemvriendin van Mathilde:

Nee, een mis zal men niet zingen

En geen kaddisj aan mij wijden

Niets gezegd en niets gezongen

Ter herdenking van mijn scheiden.

Maar misschien maakt op zo'n sterfdag

In Montmartre bij een milde

Zonneschijn een korte wandling

Met Pauline mevrouw Mathilde.

Met een krans van immortellen

Zal zij dan mijn graf verkwikken

En zij zucht er 'Pauvre homme'

Vochtge weemoed in haar blikken.

Jammer, ik woon veel te hoog

En ik heb mijn lieve zoete

Zelfs geen stoeltje aan te bieden.

Ach! ze wankelt op haar voeten.

Zoet, dik kind, natuurlijk mag je

Niet te voet naar huis toe gaan

Achter 't hek nabij de slagboom

Zie je wel de koetsen staan.