Over de poëzie van Hans Faverey; Niet geïnteresseerd in de lezer

Hans Groenewegen (red.): ...Die zo rijk zijn aan zichzelf... Over Hans Faverey. Historische Uitgeverij, 286 blz. ƒ 45,-

Hans Groenewegen (red.): Door geen poëzie meer uitgewist. Dichters over hun gedicht van Faverey. Uitgeverij Herik, 68 blz. ƒ 22,90

'Ik besta, dus ik lieg.' 'Mijn wegwezer is hier.' 'Vergetelheid kent geen tijd.' 'Niet bang zijn: de beul is bij je.' Het zijn vreemde regels, deze regels: geestig, op het absurde af, maar ook moeilijk, voor wie probeert er langer over na te denken. Ze zijn van Hans Faverey (1933- 990), de dichter van een van de wonderlijkste oeuvres uit de Nederlandse poëzie: vol paradoxale formuleringen, vol mystieke momenten, vol bewegingen die zich aan de normale logica onttrekken. Over de 'kwaliteit' ervan kan eigenlijk niet worden gesproken, zoals trouwens altijd. Maar dat Faverey's poëzie bijzonder en belangrijk is en zich op een heel intrigerende manier uitspreekt over de grenzen van wat poëzie genoemd wordt, en zelfs over de grenzen van de taal en het denken - daarover is men het in steeds bredere kring wel eens. Zie bijvoorbeeld het succes van zijn Verzamelde gedichten (1993) die al spoedig herdrukt moesten worden. Of zie de geleidelijke stijging in de waardering van Gerrit Komrij, van oudsher toch geen geestverwant, in diens bloemlezing: van vijf naar zeven naar negen gedichten. Zie ook de gestage stroom van artikelen over zijn werk en de regelmaat waarmee zijn naam in beschouwingen blijft opduiken, als norm, ijkpunt of als grensgeval.

Over Faverey's werk zijn nu tegelijk twee bundels verschenen. Een hele dikke en een dunne. De dikke (Die zo rijk zijn aan zichzelf) bevat negen artikelen waarin verschillende aspecten van Faverey's poëzie aan de orde komen: lang, uitvoerig, wetenschappelijk van opzet. De dunne (Door geen poëzie meer uitgewist) is puntiger, persoonlijker en essayistischer van aard: dertien korte bijdragen van dertien dichters over steeds één gedicht. Toch zijn er overigens niet eens zulke grote verschillen. De samensteller is dezelfde, er zijn onderlinge verwijzingen, sommige schrijvers zijn in beide bundels aanwezig (Van Daalen, Jellema, Reints, Spinoy) en verder kenmerken zowel de korte essays als de lange artikelen zich door een serieuze inslag en een toon van eerbied en ontzag.

De onderwerpen zijn niet nieuw, de uitwerkingen natuurlijk wel. Met mystiek is Faverey's poëzie al vaak in verband gebracht. C.O. Jellema gaat er nader op in, in een vergelijking met het werk van Meister Eckhart. Faverey en Wallace Stevens: een erkend duo. Martin Reints schrijft over de rol van de metafoor bij beiden. Dat Faverey's poëzie met muziek vergeleken kan worden, was ook al langer bekend, maar G.J. Dorleijn maakt er nu voor het eerst serieus werk van. Na een lange inleiding zet hij zich aan een 'muzikale' lezing van een reeks. Daartoe brengt hij ijverig alle herhalingen in kaart, en daarmee probeert hij als het ware te bewijzen dat er muziek in de reeks zit, maar dat voelt iedereen volgens mij op zijn klompen al aan. Zijn interpretatie aan het slot is mooi, maar berust toch eerder op de betekenis dan op de muziek, zoals Dorleijn zo graag wil suggereren. Van Ostaijen is een andere dichter die vaak genoemd wordt als het om Faverey gaat. Volgens de dichter heeft de ontdekking van Van Ostaijen zelfs min of meer aan de wieg van zijn eigen dichterschap gestaan. Erik Spinoy schrijft over hun beider poëzie-opvattingen, in een lang, helder en zelfs meeslepend artikel.

Eerst worden ze met reden opgevoerd als loutere 'formalisten' en vervolgens wordt dit hele beeld met nog meer reden ondermijnd, als Spinoy in een heel subtiel en scherpzinnig betoog aanwijst hoe in deze glazen huizen toch voortdurend de geest van pessimisme, angst en melancholie rondwaart. De gelijktijdigheid van somberheid en humor, en dat weer in verband gebracht met het fundamentele patroon van verschijnen en verdwijnen, behoort tot de verrassendste inzichten uit de bundel. Spinoy's stuk is ook geschikt als algemene inleiding tot het werk van Faverey, maar dat komt vermoedelijk ook omdat hij zich beperkt tot uitspraken van de dichter over zijn poëzie. Wie de gedichten zelf gaat lezen, krijgt het in de praktijk al gauw moeilijk. Dat blijkt wel uit de bijdragen van Wiel Kusters en Maria van Daalen. Zij nemen rustig analyserend een reeks onder de loep en moeten allebei vaststellen dat er veel te verkennen valt, maar ook dat er veel onzeker blijft. Van het stuk van Arjen Mulder weet ik niet zo goed wat ik ermee aan moet, net zomin als hijzelf geloof ik. In zijn essay zie je het gevaar van rondzingen, dat in de Favereyologie voortdurend op de loer ligt: een gedicht niet goed snappen, dan maar vervallen in warrige taal die voor een deel aan de dichter ontleend is en met deze halve parafraseringen dan weer 'bewijzen' dat het klopt wat de dichter net, maar dan zoveel mooier, beweerd heeft. Niet helder, en als openingsartikel bepaald ongelukkig. Rein Bloems bijdrage is een levendig en springerig stuk over van alles en nog wat, met als grootste verrassing zijn aandacht voor de biografische achtergronden.

Zo is Die zo rijk zijn aan zichzelf een breed boek geworden, met veel achtergronden, inzichten en verkenningen, en verrassend in onderdelen. Verplichte lectuur voor wie zich in Faverey interesseert, zoals dat dan heet. Toch diende zich tijdens en na lezing ook wel een gevoel van teleurstelling aan. Zo heel veel echt nieuws bevat deze bundel niet, eerder de uitwerking van oud nieuws. Het is allemaal ook nogal saai, en het doet verlangen naar een ander soort benaderingen: van een cabaretier bijvoorbeeld, of van een vogelkenner, een musicoloog, een theoloog, een taalkundige, of van een Faverey-hater desnoods. De wonderlijke sensatie van schoonheid, vervreemding en humor die Favereys poëzie zo onweerstaanbaar maakt: daarover is hier weinig te vinden. Geen van de stukken blinkt uit door stilistische brille, eerder door moeizaamheid. Grijzig proza, met veel omhaal en omslag en voorbehouden en voetnoten: dekmantel voor veel onhelderheid die dwingt tot studerend lezen en herlezen, om te zien wat de bedoeling is. Ook het loze jargon ontbreekt niet: van 'desubjectivering' en 'iterabiliteit' tot 'tekstmaterialiteit' en het 'referentiepotentiëel', kortom: 'semantisch gezien staat er onzin.' Dan is Door geen poëzie meer uitgewist in ieder geval veel prettiger om te lezen: dertien korte betoogjes, steeds opgehangen aan één gedicht.

Onbedoeld maken al deze grote en kleine essays vooral hongerig naar de helderheid en de lichte stijl van Faverey zelf. Niet alleen die van de dichter, maar ook die van de briefschrijver en de schrijver over eigen werk, zoals we hem leren kennen in de mooiste en verrassendste bijdrage aan Die zo rijk zijn aan zichzelf: enkele documenten uit de nalatenschap. Een keuze uit zijn brieven, die zou ik graag lezen. Of een biografie van, zeg, tweehonderd pagina's. Secundaire literatuur is er voorlopig genoeg. Een van Faverey's notities, gemaakt voor een interview: 'Verder: niet geïnteresseerd in lezers die het alleen maar aan het handje kunnen. Dat vergeten ze toch weer, want alleen wat je zelf hebt gevonden blijft. Alles wat men je voorkauwt, wat niet van binnen komt, wordt na enige tijd gewoon vergeten en dan is men nog even ver. Mensen met affiniteit tot het werk vinden er zelf hun weg wel in, die hebben geen hulp nodig.'