Op zoek naar de Wereld-Keizer; Gesprek met Harry G.M. Prick over zijn Van Deyssel-biografie

Schrijver Lodewijk van Deyssel maakte op het neurotische af aantekeningen. Alles beschreef hij daarin, variërend van zijn dagelijkse bezigheden tot het aantal vellen papier dat hij verbruikte. Uit deze berg gegevens destilleerde Harry G.M. Prick een biografie, waarvan deel een, over de eerste 25 jaar van Van Deyssels leven, al 1100 bladzijden beslaat. “Met pijn in het hart heb ik de biografie beknopt moeten houden.”

Harry G.M. Prick: In de zekerheid van eigen heerlijkheid. Het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1047 blz. Prijs ƒ 75,-. Verschijnt 31 oktober.

Is Harry G.M. Prick (Roermond, 1925) in de loop van de talloze jaren die hij wijdde aan het leven van Lodewijk van Deyssel steeds meer op deze reus in de letteren gaan lijken? Alles aan Van Deyssel (Amsterdam, 1864 - Haarlem, 1952) was groots en zo moest dat ook zijn; alleen al zijn kop was vierkant als een hakblok. Van Deyssel was de hartstochtelijkste polemist van onze literatuur. Tot zijn vriendenkring behoorden Willem Kloos, Frederik van Eeden, Albert Verwey en Herman Gorter. Zijn proza is misschien wat gesteven en verouderd, toch boeien zijn scheldkritieken nog steeds, evenals de roman Een Liefde en Het ik, heroïesch-individualistische dagboekbladen.

Harry Prick woont in Maastricht. Kaartenbakken, archiefkasten, boeken, veel grammofoonplaten en cd's vullen zijn schemerdonkere werkkamer aan een zijstraat naar de binnenstad. Fotoportretten van Van Deyssel, de schrijversnaam van Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm, hangen aan de wand. Op het schilderij dat Kees Verwey van Van Deyssel maakte is deze afgebeeld met een uit de ooghoek wegkijkend, loensend rechteroog. Dat kijkt op ons neer. Helaas niet van het echte schilderij, dat natuurlijk in Pricks huis zou horen, maar vanaf een reproduktie.

Van Deyssel heeft, een halve eeuw na zijn dood, een reus gebaard. In de zekerheid van eigen heerlijkheid heet de biografie die Van Deyssels uitverkoren biograaf Harry Prick heeft geschreven. Het elfhonderd bladzijden tellende boek, voorzien van 2400 voetnoten en een bibliografie van 24 pagina's, beschrijft niet Van Deyssels hele leven, maar slechts zijn eerste vijfentwintig levensjaren, dus tot 1890. Een tweede deel van dezelfde omvang zal nog volgen. “Ik zal pas in mijn levenswerk - en zwanenzang tevens! - geslaagd zijn,” zegt Harry Prick, “als ik ook het tweede deel in mijn knuistjes houd.”

Tegen verregaande identificatie met Van Deyssel verzet de biograaf zich. Natuurlijk, Van Deyssel was een curieuze vent, een intrigerende man, een bijzonder schrijver die met een on-Hollandse, levensbestormende en onstuitbare energie zich aan het kunstenaarschap wijdde, maar toch meent Prick: “Het is een van de verdrieten van mijn leven, dat ik altijd word vastgepind op Lodewijk van Deyssel. Vanzelfsprekend, ik heb daartoe alle aanleiding gegeven en een valserik als Adriaan Venema kon de mening zijn toegedaan dat ik geheel en al was 'verworden tot de weduwe Van Deyssel', maar ik heb ook de verzamelde gedichten van Pierre Kemp bezorgd, de briefwisseling tussen Van Eeden en Dèr Mouw en de definitieve editie van Vervlogen jaren van Frans Erens het licht doen zien.”

Grootste Ik

Prick is door Van Deyssel zelf aangesteld als zijn biograaf. Het begon allemaal in 1942. De net zeventien jaar geworden scholier Harry Prick, gegrepen door het werk van Van Deyssel, zocht contact met 'de langst levende en bijgevolg laatste vertegenwoordiger van de roemruchte Beweging van Tachtig', die zich bovendien beschouwde als 'het grootste Ik' uit de Nederlandse literatuur. Aanvankelijk was er sprake van een briefwisseling, naderhand van een vriendschappelijke verhouding. Een jaar later, op 3 december 1943, liet Van Deyssel weten dat het als een 'plotselinge slag' in zijn bewustzijn was gevallen dat niemand anders dan zijn jonge vriend Harry eerst een monografie en vervolgens dè biografie over Lodewijk-zelve moest schrijven. Over zo'n 'groot en betrekkelijk zwaar te construeeren werk' werd al spoedig door 'Oom Karel' gesproken als 'onze biographie'. Met regelmaat van de klok bezorgde de postbode aan Harry Prick gerichte brieven, afkomstig van Dr. K.J.L. Alberdingk Thijm, Van Eedenstraat 14, Haarlem, waarin deze bijvoorbeeld schreef: 'Meld bij tijd en wijle eens hoe het staat met onze biographie, en welke illustraties je denkt op te nemen'. Ondertekend met 'Je Vriend en Oom.'

De belofte aan Alberdingk Thijm, die in te lossen schuld, heeft nooit zwaar op Prick's schouders gedrukt: “Ik droom er weleens van dat ik, na mijn dood in de hemelse dreven, de heer Karel Alberdingk Thijm ontmoet en dat ik in zijn blik kan lezen of hij enigermate over mijn boek te spreken is en dat hij dan zegt: 'Jongen, dat heb je niet slecht gedaan.' Tot op heden heb ik in zijn portret, dat schuin tegenover mijn werktafel hangt, nooit iets bestraffends mogen ontwaren. Bovendien: Van Deyssel moet wel beseffen dat hij, bij zijn dood in 1952, al een vergeten literator was, zo erg zelfs, dat mensen dachten dat hij al dood was alvorens hij daadwerkelijk overleed. Ik heb de herinnering aan hem toch al die jaren, vanaf mijn eerste publicaties meer dan een kwart eeuw terug, in leven gehouden. Deze biografie is ook de inlossing van een morele verplichting: eerst ben je tien jaar bezig, en tien jaar later blijk je ineens al twintig jaar aan het werk te zijn. Telkens opnieuw boeit me het mozaïek van gebeurtenissen en personages uit zijn leven. Ik heb dank zij dit werk mensen leren kennen die ik anders nooit had gekend; zijn moeder bijvoorbeeld, of zijn zuster en zijn broer of een tante. Die vergeet je niet zo makkelijk meer.

“Desalniettemin denk ik vaak: 'Na mijn dood, ik schat zo'n dertig jaar later, doet iemand die nu nog geboren moet worden het allemaal over.' Die zegt dan, 'Tsja, die blik van Prick is toch de verkeerde.' Het allermoeilijkste van deze biografie was intussen de keuze van het materiaal. Want mijn toezegging aan Van Deyssel betekende ook dat zijn gehele nalatenschap tot aan mijn dood onder mijn beheer zou blijven. Toen hij in 1918 scheidde van zijn vrouw Cato Horyaans en hijzelf het Gooi verliet en in Haarlem ging wonen, werden al zijn boeken en papieren opgeslagen bij de firma De Jong in Hilversum, een behoeder van inboedels, vooral voor Indiëgangers. Die boeken, manuscripten, brieven werden door Van Deyssel eerder bewaard op zolders en in kelderkasten. Vandaar dat nogal wat papieren waren aangetast door vocht, aangevreten door de muizen of door de tijd geheel of gedeeltelijk uitgewist. Kisten, dozen, kratten, hutkoffers kreeg ik te verstouwen, allemaal tjokvol archiefmateriaal.

“Van Deyssel beschikte in Haarlem niet meer over zijn eigen bibliotheek. Als hij wilde lezen in een van zijn elf bundels Verzamelde opstellen ging hij naar de Stadsbibliotheek en zei: 'Het zou misschien wel handig zijn als u de boeken heeft van Lodewijk van Deyssel, want dat ben ik namelijk zelf en ik bezit ze momenteel niet.' ”

Postkantoor

Als een sorteerder in een postkantoor is Harry Prick destijds, na Van Deyssels overlijden, te werk gegaan. Hij maakte vakjes, verdeeld over de letters van het alfabet. Hier een brief van Gorter bij de G, daar een van Verwey bij de V, Van Eeden bij de E. Met het ontcijferen van zoveel uiteenlopende handschriften had hij weinig moeite, alleen Slauerhoff zorgde voor problemen, die was zelfs in staat onleesbaar te typen. In de volgende fase maakte Prick duizenden fiches, opgeborgen in kaartenbakken, waarin hij per dag noteerde wat Van Deyssel deed, welke brieven hij schreef dan wel ontving, hij hield een boekhouding bij van de epistels van zijn moeder, van zus Catharina en broer Frank, kortom van ieder ooit binnengekomen of uitgezonden poststuk.

Prick erkent, met iets van spijt in zijn stem: “Niet alles van Van Deyssel heb ik bewaard. Zo noteerde hij op zijn vloeipapier bijvoorbeeld wanneer hij een vel inaugureerde en weer afdankte. Dat is dus weg. Toen hij een tijd in de Ardennen woonde, ver van Amsterdam en gelukkig in Laroche en Houffalize, hield hij statistieken bij van het hout dat hij kapte en zaagde, hoeveel stuks per dag en hoeveel uren hij eraan besteedde. Daarover zou ik, zonder moeite en vol kostelijke details, een boekje van zo'n zestig bladzijden kunnen schrijven. Nu vermeld ik dat in de biografie slechts nebenbei. Evenals zijn vader Jozef Alberdingk Thijm en zijn moeder Wilhelmina Kerst maakte de zoon op het neurotische af aantekeningen van wat hij ging doen en hoe hij zou gaan doen wat hij wilde doen. Bij Van Deyssel is op die manier oneindig veel energie verloren gegaan aan het schrijven van voorbereidingen tot het schrijven van het beoogde Grote Kunstwerk.”

Tijdens het gesprek laat Prick zich vaker ontvallen dat hij over een enkele kleinigheid nog wel een boek zou willen schrijven. Waarover hij zich verbaast als hij biografieën leest, is de vrijwel afwezige belangstelling voor fysieke details. Wat at hij of zij, viel hij weleens uitgeput op bed neer, was 'ie weleens dronken, hoe ging hij gekleed, verschoonde hij zich vaak of zelden? “Ik zie nooit iemand lopen in een biografie, laat staan leven, alleen maar omwemeld door vage noties en, het allerergste, theorieën. Mijn ideaal is dat van de causeur die, 's avonds onder het genot van een glas wijn, tegenover zijn vrienden het levensverhaal van een bewonderd iemand vertelt, en die vrienden stellen dan vragen en zij krijgen op alles antwoord, alsof die antwoorden de voetnoten zijn die de betrouwbaarheid en wetenschappelijkheid van het betoogde staven. Ik sta misschien dicht bij Van Deyssel, ook omdat ik hem persoonlijk heb gekend en weet hoe hij spreekt, maar wijs me een bladzijde in de biografie aan die niet objectief is. Mijn nu al bijna levenslang durende, en slechts heel bescheiden affiniteit met Van Deyssel heeft met dat fysieke aspect te maken. Evenals hij houd ik van lekker eten en drinken. Ik weet dat medelijden met de ganzen gepast is, het neemt niet weg dat een van de lievelingsgerechten van Van Deyssel, pâté de foie gras, een viervoudig terugkerend motief is in mijn boek. Wanneer Frank van der Goes zijn vrienden wilde onthalen en fêteren zorgde hij ervoor dat Van Deyssel zijn ganzeleverpastei kreeg. Een andere overeenkomst tussen Lodewijk van Deyssel en mij is de liefde voor het detail, zelfs voor het detail van een detail. Dat is ook zijn schrijfstijl. Zoals hij de leraren op zijn kostschool te Rolduc beschreef in De Kleine Republiek uit 1889, zo zie je hen voor je, met hun kleding, hun kraag en manchet, hun haardracht en gezichtsuitdrukking, hun uitgeblustheid. Het detail is de wezenlijkste sensatie van zijn literatuur, en nu ook van de biografie.

“En beiden, hij en ik, kunnen echt een potje maken van het divergeren. Aldoor maar zijpaden en tussenwegen bewandelen, ergens beginnen, dan dit verhaal vertellen, vervolgens overgaan op het volgende. Totdat we verschrikkelijk ver zijn afgedwaald. Maar, van dat associatieve denken trek ik ook profijt. Want, al schrijvende, denk ik ineens: 'Het zou toch prachtig zijn als er op die en die dag, op dat en dat uur, een brief of anderszins een mededeling van zus Catharina aan de orde komt'. Dan strek ik mijn hand uit naar de kaartenbak op mijn werktafel, zoek bij Catharina onder het verlangde tijdstip - en vaak is het een schot in de roos. Want zoals de lezer zal kunnen vaststellen is de biografie per onderdeel volgens een strak stramien opgebouwd, waarin grosso modo telkens drie hoofdpersonen optreden: behalve Karel zijn broer Frank en zuster Catharina. Tegelijkertijd met Van Deyssels belevenissen vertel ik die van zijn familieleden; zij bewegen mee op op de achtergrond. En zo, vanaf voorjaar 1883, ook zijn vrienden.

Losbol

“Met pijn in het hart heb ik de biografie beknopt moeten houden. Mijn grootste zorg is of het spannend is en blijft, als in een schelmenroman. Of de lezer nieuwsgierig is naar het vervolg. Ik heb alle trucs uit de oude romandoos opgetrommeld, zoals cliffhangers en veelbetekenende titels voor de hoofdstukken als 'Toegenomen spanningen op de Pijpenmarkt' en 'De losbol bekeerd'. Die Pijpenmarkt is dat gedeelte van de Nieuwezijds Voorburgwal waar Van Deyssel zijn jeugd sleet, ter hoogte van de huidige postzegelmarkt.”

Harry Prick geeft geen expliciete verklaringen voor Van Deyssels gedrag, wel speelt hij op tal van plaatsen de lezer zo exact en zo omstandig mogelijk de door hem achterhaalde achtergrondgegevens toe. De lezer kan daaraan dan naar believen de interpretatie verbinden die hem het meest geloofwaardig voorkomt. In de inleiding citeert Prick met instemming een criticus die zich afvroeg 'of het niet een beetje absurd is dat in biografieën niet-grote mannen de grote mannen tot op het bot proberen te verklaren en te doorgronden'.

Trouwens, ook zonder dat er afzonderlijke beschouwingen aan worden gewijd, raakt de lezer ervan doordrongen dat Van Deyssels kracht om zijn eigen buitensporigheden te temmen, zowel de fysieke als de mentale, enorm groot is geweest. Daarom moest hij aantekeningen voor de dagindeling maken, want dat bruisen en gisten en kolken in hem, die overtuigingskracht een groot en bevlogen kunstenaar te zijn die vooral was begiftigd met een ongekende stilistische brille, moest binnen de perken blijven. Hij omarmde het leven als geen ander.

'Kunst is passie' is een van Van Deyssels befaamde uitspraken. In deze biografie komen we andere prachtige citaten tegen, zoals zijn latere terugblik op de zomer van 1883: 'Die verrukkelijke zomer van 1883. Achttien jaar was ik, achttien! (-) Ik hield het er voor dat Letterkunde kunst was, dat 'De Kunst' het hoogste was en dat ik de grootste kunstenaar was, die er ooit was geweest. Deze opvatting harmoniëerde niet geheel met die andere, dat het Waereld-Keizerschap het hoogste was (dus niet 'de Kunst'); en dat ik met mijn persoon dat Wereld-Keizerschap zoû verwerkelijken. Wereld-Keizer zijnde, - aldus dacht ik dan -, zoû ik toch nog erg graag in de bij-uren nonchalant even de grootste kunstwerken maken, die er ooit geweest waren.' 'Wereld-Keizer' is Van Deyssel nooit geworden, maar op zijn jonge leeftijd schreef hij wel omvangrijke, hartstochtelijke boeken als Een Liefde (1887) en De Kleine Republiek.

Schoenendozen

Tot een van de zeldzame schatten van Van Deyssels nalatenschap behoren een aantal voormalige schoenendozen, waarin ontelbare handgeschepte velletjes papier zitten ter grootte van een staande ansichtkaart, waaraan hij zijn dagindeling en de belangrijkste verrichtingen toevertrouwde. Hij deed dat met een aan het onwaarschijnlijke grenzende nauwkeurigheid en aandacht, in een helder, fijngeslepen handschrift met zwarte inkt, zonder een enkele doorhaling.

Mede dank zij dit megalomane kaartsysteem weet Harry Prick bijna alles over zijn onderwerp. Vrienden vragen hem weleens of Lodewijk van Deyssel in 1895 woorden had met een van zijn vrienden Frank van der Goes, en dan antwoordt Prick: “Nee, in '95 niet maar in '98 wel, en als het anders is, dan had ik het geweten.” Want dan had Van Deyssel ergens in 1895 bijvoorbeeld genoteerd: 'Woorden met Van der Goes.' Een enkele steekproef uit zo'n doos levert op: 'Handpapier. Maandag 23 Mei 1898. Eerste zitting 9.40-12. Zomerweer 1e rang. Kachel uit. Venster open. 53 brief (Kleinmann). 40 idem (Verwey). Tweede zitting 5.20-6. Lange boschrust met vrouw. Pas op. Blijf nu goed. Als wij naar Aken gaan, vraag ik het geld. Maar wij gaan niet maar Aken. Derde zitting 8.30-10. Heden hadden beginnen van gewaarwordingen plaats: hier au soir dans le lit; aujourd'hui au bois.'

Dit is geen orakeltaal. De getallen '53' voor Kleinmann, een Haarlemse bibliofiele uitgever, en '40' voor Verwey staan voor het aantal regels per brief dat Van Deyssel schreef. De ogenschijnlijk 'nonchalant' aan het papier toevertrouwde mededelingen zijn van een bijzondere poëtische kracht, zoals de volgende: 'Niets. Regenachtig zomerweer. Intusschen gaat de tijd voorbij.' Of, op zaterdag 11 juni 1898: 'Venster open. Zomerwarmte. Ik moet zien een soort speeldoos of ander vanzelf muziek-makend voorwerp in mijn kamer te krijgen, om mij nu en dan op te stemmen. Niets; maar toch te-vreden den tijd doorgebracht.'

Lodewijk van Deyssel verjongde en vernieuwde zichzelf gedurende zijn hele leven; van uit zijn bol gaande rebel die 'hoererend en alcoholiserend' twee van zijn jongelingjaren sleet tot trouwe en liefdevolle echtgenoot, zij het met een gebruiksaanwijzing. Harry Prick heeft zich niet willoos aan hem uitgeleverd, er waren zelfs tijden dat hij sommige onderdelen van het letterkundige werk van zijn held niet goed meer kon lezen, zo in het niet viel het bij zijn fascinatie voor de man erachter.

“Lodewijk van Deyssel ontmoeten in die na-oorlogse tijd,” herinnert hij zich, “was zoiets als nu, voor een huidige puber, vis à vis staan met Mick Jagger van de Rolling Stones. Vergeet ook niet: voor wie opgroeide in de oorlog kwam de puberteit laat. Omdat het zuiden in 1945 een heel stuk eerder werd bevrijd, deed er een nieuw element zijn intrede in het verkeer met Van Deyssel. Naar zijn huis in Haarlem kon ik toen, via het Rode Kruis, voedselpaketten sturen, met daarin ook door mijn moeder voor Van Deyssel gebakken cake met veel eieren. Na de bevrijding ging ik naar hem toe door een verwoest land. De rit, die deels met veewagens moest worden afgelegd, werd telkens onderbroken door een oversteek met de pont. In Haarlem bezocht ik met Van Deyssel de bioscoop, hij was een groot bioscoopganger. In het journaal zagen we beelden van die snuiten van Goebbels, Göring en Himmler in gevangenispakken. Daarnaast toonde het ons een inkijk in de concentratiekampen, zojuist bevrijd. Die verschrikkelijke beelden hebben zich voor altijd in hun vreselijkheid op mijn netvlies ingekerfd. Maar sprak je met Van Deyssel in de rust van zijn kamer dan bestond dat allemaal niet langer, hij tilde je op tot iets groters en machtigers, naar een ander universum waar al die beklemmingen niet leken te bestaan.”