Onnozelaar en wakkere spotter

Günter Kunert: Erwachsenenspiele. Carl Hanser, 447 blz. ƒ 62,25

Christoph Hein: Von allem Anfang an. Aufbau Verlag, 199 blz. ƒ 44,50

Een autobiografisch geschrift is altijd een vorm van zelfrechtvaardiging, dus moet de auteur allereerst de sympathie van zijn lezers zien te winnen. Christoph Hein en Günter Kunert doen dat ieder op hun eigen manier. De enige overeenkomst is hun uitgekooktheid daarbij. Hein, in zijn herinneringenboek Von allem Anfang an, bekijkt de wereld door de ogen van een jongen op wie je onmogelijk kwaad kunt worden, omdat hij nog volkomen onwetend is. De verteller in Kunerts Erwachsenenspiele weet juist verschrikkelijk veel en zìjn wapen in de strijd om de gunst van de lezer is een superieure ironie.

Onnozelaars en wakkere spotters: beide typen hebben zo hun charmes. Heins jonge alter ego staat wagenwijd open voor alles wat groot is en volwassen, terwijl Kunerts Ik die volwassenen al heel snel doorziet en daaruit de conclusie trekt dat de meesten van hen niet deugen. De Günter uit Kunerts memoires groeit dan ook onder minder idyllische omstandigheden op dan de Daniël uit de verhalen van Hein. Daniëls geboortestadje is een donzen dekbed waarin je je heerlijk geborgen kunt voelen. De metropool Berlijn waarin de jonge Kunert woont is echter door de nazi's uitverkoren tot Hoofdstad van het Derde Rijk. En dit, samen met het feit dat Günter een joodse moeder heeft, garandeert hem niet erg veel veiligheid.

De werkelijkheid van razzia's, bombardementen en verkoolde lijken - we hebben het hier over de oorlogsjaren - kan hij alleen ontvluchten door als in een roes te lezen, bij voorkeur romans uit Amerika. Maar hèt toverwoord voor hem is Moskou. De Russische legers rukken op en Günter is er zeker van dat zij hem komen bevrijden. Wat inderdaad gebeurt. Alleen: wanneer moeder Kunert vlak na de Duitse capitulatie bij de Russen extra voedselbonnen probeert te bemachtigen door op de joodse achtergrond van de familie te wijzen, trekt de dienstdoende officier een vies gezicht: joden moeten niet zeuren, die moeten opdonderen.

Erwachsenenspiele begint bij de geboorte van de Ik in 1929 en eindigt met zijn vertrek naar West-Duitsland in 1979. En vanaf dat begin portretteert Kunert zichzelf als een eigenzinnig ventje, een vrijdenkertje, een rasechte anarchist. Reeds als peuter neemt de kunstenaar geen genoegen met een lullig blaadje papier: kleine Günter bekliedert meteen alle muren van zijn ouderlijk huis. En als volwassen schrijver ligt hij constant dwars in de machtige Schrijversbond. De Kunert in Kunerts memoires is een schelm, die met volle teugen van zijn overwinningen op de schurken geniet.

Soms citeert hij het een en ander uit zijn brieven aan de DDR-apparatsjiks en vanzelfsprekend krijgen wij dan uitsluitend die passages te horen waarin Kunert zich van zijn meest recalcitrante kant laat zien. Het zou te ver gaan om van alle auteurs uit de voormalige DDR te verwachten dat zij op hun knieën om vergiffenis smeken voor hun eventuele zonden in de DDR te hebben gewerkt. Maar Kunerts opschepperij over zijn eigen goedheid is ook niet alles. Wierp hij zijn ironische pantser maar eens van zich af! Liet hij in plaats van triomfantelijkheid maar eens zijn ware gevoelens zien, zijn angsten, zijn wanhoop, zijn rouw om de dingen die hij verkeerd heeft gedaan.

Want je kunt mij niet wijsmaken dat een strak door De Partij gecontroleerde schrijver nóóit laffe compromissen sluit. Zijn collega's gaan moreel gezien immers ook regelmatig de mist in? Die zet Kunert met naam en toenaam te kijk: Christa Wolf bijvoorbeeld, tegelijk met vele andere bangelijke exemplaren uit de Schrijversbond. En hij becommentarieert hun inderdaad zeer onderdanige brief aan een of andere partijbons, eind jaren zestig, met het zinnetje: 'Altijd al geweten dat schrijvers niet kunnen denken.'

Op Kunert na, natuurlijk. Het vermoeden rijst dat hij het in de DDR niet zozeer dertig jaar uithield vanwege het 'antifascisme' aldaar, maar eerder omdat hij er zoveel aandacht kreeg. Van ordinaire lezers, van ministers en hoge Stasi-spionnen. En naarmate de beschuldigingen toenemen - de zich weinig van het sociaal-realisme aantrekkende gedichtenmaker zou een reactionair zijn, een verrader van de arbeidersklasse enzovoort - stijgt zijn internationale roem.

Een staat die dissidenten schept, daarin heeft Kunert gelijk, drijft zichzelf in het nauw: dissidentendom maakt iemand haast onaantastbaar en dat was nu juist niet de bedoeling. Jammer, heel jammer dat Kunert zo'n last van ijdelheid heeft. Die overschaduwt de grote kwaliteiten die het boek ontegenzeggelijk óók bezit, namelijk de scherpzinnige analyse van de zelfdestructieve krachten in een dolgedraaid-bureaucratische dictatuur.

Dan is Christoph Hein, geboren in 1944, een stuk bescheidener. Alleen al de opzet van zijn boek verraadt minder pretenties. Hein beperkt zich tot de vroege jaren vijftig, de beginjaren van zowel de DDR als van Daniëls puberteit. De twaalf- of dertienjarige ontdekt zijn seksuele begeerten en vreest prompt dat hij vader wordt: in zijn opwinding bij het kijken naar een badende schoonheid heeft hij zaad op haar fietszadel gemorst, het eerste zaad dat hij überhaupt heeft vergoten. Deze puber is nog niet zo ervaren. Braaf gehoorzaamt hij zijn strenge doch rechtvaardige vader, een dominee in de provincie, en zijn lieve, steeds zwangere moeder.

Pastorie, groot gezin, ouderwets stadje: het is alsof we de negentiende eeuw zijn binnengewandeld. Ook op school heerst een kuise moraal. Een leraar wordt ontslagen omdat hij homo is en als de scholieren op werkweek zijn, krijgen jongens die in meisjeskamers worden betrapt ongemeen zware straffen. De inzichten van de protestanten en die van de opvoeders in de atheïstische boeren- en arbeidersstaat lijken nogal op elkaar, lijkt Hein te willen zeggen.

De overzichtelijke mini-maatschappij in het provincieplaatsje schildert hij op biedermeierig-gezellige wijze, compleet met knusse interieurbeschrijvingen die bij sommigen waarschijnlijk nostalgische gevoelens oproepen. En daar zit hem nu juist het venijn. Want in de warme huiskamertjes gedijt de onvrede. Het onderdrukte verlangen naar avontuur zoekt in het geniep een uitweg en zo loopt Daniël op een dag tegen het ontblote achterste op van zijn lerares Duits.

Net als hij voelt zij zich magisch aangetrokken tot het circus dat in het stadje is neergestreken. Trapezewerker Kade is het prototype van de risico's nemende vrijbuiter en dus hèt ideaal voor brave burgers, maar als lerares en leerling elkaar in Kades woonwagen ontmoeten, verandert hun vrijheidsdrang op slag in diepe schaamte. Met hangende pootjes keren ze terug naar het geordende bestaan buiten het circusterrein.

En als die brave burgers dachten dat zij beloond worden voor hun soliditeit, dan hebben zij het mis: Daniëls grootvader, de toegewijde beheerder van een staatslandgoed, moet het veld ruimen voor een kerel die nog niets heeft bewezen behalve zijn horigheid aan De Partij.

Met zulke gebeurtenissen uit het dagelijks leven van doodgewone mensen, geregistreerd door een onopvallende knul, zegt Christoph Hein eigenlijk net zoveel als Kunert wanneer die zichzelf en zijn heldendaden bezingt. Misschien zegt Christoph Hein wel meer. Want zìjn naiëve verteller krijgt ons mee, terwijl de even intelligente als zelfgenoegzame Ik van Kunert ons uiteindelijk aan de kant laat staan.