Omscholen is niet voor iedereen een reële optie; Chronische werkloosheid blijft een pest

Het gebeurde in de dagen waarin het vak van letterzetter bezig was te verdwijnen. Zelfs het opmaken van de krant, eens een ambacht, was teruggebracht tot geluidloos fröbelwerk met op fotografisch papier vastgelegd zetsel, verricht door tijdelijke krachten. Zij waren aangenomen om het gat te dichten tussen het historische tijdperk van het lood en de dageraad van de volledige automatisering.

Een werknemer met stijf gezwollen vingers worstelde met de dunne zwarte lijntjes die als scheiding tussen de kolommen op het papier dienden te worden geplakt. De dienstdoende opmaakredacteur kon het niet meer aanzien en adviseerde de man melkboer te worden. Dat was hij nu juist geweest, was het antwoord.

De zetter, of typograaf, is vervangen door de, hoger opgeleide, vormgever. De vroegere zetters hebben al jaren geleden ervaren dat de baan, en het werk, voor het leven niet bestaat. Anders dan de nieuwlichters van de elektronische snelweg waar willen hebben is het wegsmelten van ambachten en beroepen even natuurlijk als het uitsterven van diersoorten. Landarbeiders, boeren, stokers, machinisten en scheepsbouwers konden ervan meepraten, en zij vormden samen geen uitputtende reeks. Programma's tot omscholing en herscholing - om de betrokkenen voor het arbeidsproces te behouden, zoals dat zo fraai heet - zijn evenmin van vandaag of gisteren. Het heeft er veel van dat met de roep om flexibiliteit wordt getracht opnieuw het wiel uit te vinden.

Natuurlijk is flexibiliteit in het beroepsleven een groot goed. De mens, ook de werkende, heeft de neiging te vervallen in routine en plichtmatigheid. Als opzet en inrichting van de werkvloer hem stimuleren tot verandering en het aangaan van nieuwe uitdagingen, is dat meegenomen. Als de ontwikkelingen in het maatschappelijke leven hem daartoe prikkelen, is dat vooruitgang.

De vroegere arbeidsdeling, uitmondend in de lopende band, was allesbehalve een stimulans om arbeid anders te zien dan als een bron van, vaak schamel, inkomen. Maar of de nieuwe werknemer, rondgeslingerd als hij dreigt te worden in een carrousel van steeds veranderende taken van onzekere duur, een betere prestatie levert, moet worden afgewacht. We staan tenslotte pas aan het begin van de nieuwe tijd.

Er zijn groepen voor wie de herkansing per definitie zeer beperkt is. Zelfs een hard van stapel lopende vernieuwer als minister Wijers van Economische Zaken moest dat onlangs erkennen. De bewindsman had geopperd dat werklozen ouder dan 57,5 jaar verplicht moesten worden te solliciteren. De bewindsman vertolkte hiermee geen asociaal standpunt. De leeftijdsgroep tot 65 jaar behoort niet te worden afgeschreven - zoals jarenlang het geval is geweest.

Alleen, de minister heeft dat niet in de hand. Zijn voorstel suggereerde dat het probleem bij de instelling van de werknemers zit. Maar dat is niet het geval, zoals Wijers met zijn haastige terugtocht aangaf te beseffen. Werkgevers gedogen misschien oudere werknemers die aan de slag zijn gebleven - hoewel demotie hun wacht - maar dat is iets anders dan oudere werklozen in dienst nemen. Sollicitatieplicht voor deze categorie betekent mensen opdrijven in een doodlopende straat.

Dat ook de werkende oudere niet veilig is blijkt uit de argumentatie bij het VVD-voorstel de WW-uitkering terug te brengen van vijf naar drie jaar. Ook dit is geen asociaal plan. De VVD denkt sterk in 'prikkels', in aanmoediging van mensen aan het werk te blijven of te gaan. Het voorstel beoogt vooral het afvloeien tegen te gaan van de oudere werknemer naar de WW, waarin werkgevers meer en meer de overtollige arbeidskracht dumpen. (Het ongedaan maken van VUT-regelingen zal die ontwikkeling bevorderen, evenals de besnoeiing van de WAO dat heeft gedaan.) Maar of een verkorting van de WW-periode de oudere werknemer werkelijk aan het werk houdt, is onwaarschijnlijk. Alweer, het gaat niet om de instelling van die werknemer, maar om de bereidheid van werkgevers de arbeidsplaats van oudere werknemers veilig te stellen. De prikkels op de arbeidsmarkt werken, om in VVD-termen te spreken, de verkeerde kant op: zij stimuleren een push out, niet een pull in.

De jongere werknemer is intussen niet aan de aandacht ontsnapt. Wijers wenst zich een werknemer die bereid is van baan te veranderen, zonodig een ander beroep te kiezen en zich gedurende zijn hele werkzame leven te laten scholen. De gedachte is niet zozeer nieuw als wel een bevestiging van de bestaande werkelijkheid. Mogelijk dat naar het Amerikaanse voorbeeld nog een versnelling van het veranderingsproces aanstaande is en dat daaruit een zekere nervositeit over de duurzaamheid van het concurrentievermogen van de BV Nederland moet worden verklaard, maar flexibiliteit heeft zijn grenzen.

Het weerwoord aan Wijers van MKB-voorzitter Th. Evers in deze krant gaf die aan. In zijn fabriek staat een man twaalf jaar aan de zaagmachine, die vraagt: “Moet ik bijscholen? Moet ik weg?” Evers antwoordt: “Nee, natuurlijk niet.” Of Evers er over tien jaar nog zo over denkt, weten we niet. Hij verklaarde wel liever een twintigjarige dan een zestigjarige loodgieter onder zijn vloer te hebben.

Het is een voorbeeld van de afstand die de mannen aan de tekentafels van de maatschappelijke ordening scheidt van de mensen van de praktijk. Welk model ook van toepassing is - het poldermodel, het Rijnlandse model of het Angelsaksische model - de overeenkomst valt op. Oudere werknemers, werknemers uit minderheidsgroepen, laaggeschoolden en ongehuwde moeders hebben het vele malen moeilijker om aan de slag te blijven of te komen dan anderen. Ondanks het krachtige absorptievermogen van de Amerikaanse arbeidsmarkt blijven deze categorieën ook in de Verenigde Staten aan de rand. In het beste geval leven zij van verschillende, schraal betaalde deeltijdbanen.

'Werk, werk, werk' is het parool van 'paars'. Daar moeten geen grappen over worden gemaakt. Ondanks de banengroei blijft de chronische werkloosheid in alle geledingen van de bevolking een maatschappelijke pest. De kloof tussen aanbod en vraag blijft onoverbrugbaar. Aan de ene kant groeit de schaarste aan arbeidskracht, aan de andere kant is er de pool van kanslozen.

Mogelijk dat de groep van werkers die tot op hogere leeftijd zinvolle arbeid verricht in de toekomst in omvang toeneemt. Maar de gedachte dat een overgrote meerderheid van werknemers daartoe in staat zal worden gesteld, is misplaatst. Niets uit de korte geschiedenis van de hedendaagse arbeidsmarkt wijst daarop. Het is geen goede politiek om dat ook maar te suggereren.