Lofzang op de herrie van Neil Young

Paul Williams: Neil Young. Love to Burn. Thirty Years of Speaking Out, 1966-1996.

Omnibus, 253 blz. ƒ 41,95

In het postintellectuele Engeland, waar de jeugd danst op de vulkaan van een nieuw millenniumgevoel, worden zijn platen consequent weggehoond, maar in Amerika geldt de popmuzikant Neil Young nog steeds als een van de groten. Sterker nog, zijn positie in het rockpantheon is daar vrijwel onaantastbaar geworden, dankzij een succesvolle alliantie met nieuwere muziekstromingen als grunge, en Youngs imago van rebel tegen de commerciële ultimata die de muziekindustrie zijn leeftijdsgenoten stelt.

Young, die vooral in de jaren zeventig een stempel drukte op de popwereld met zijn Weltschmerz-platen After the Goldrush en Harvest en met de broedende gitaarlyriek van Zuma, wist zijn loopbaan met even behendige als bizarre voltes face te vrijwaren van de roest die zoveel van zijn generatiegenoten heeft lamgelegd. Hij wordt beschouwd als 'godfather of grunge' en trekt nog steeds veel publiek op tournees met wisselende begeleidingsbands.

Een zeldzame wanklank klonk in 1994, in een nummer van het muziekblad Mojo dat aan Young was gewijd. De bekende criticus Dave Marsh schreef dat hij teleurgesteld had afgehaakt van de Neil Young bandwagon. Young, aldus Marsh, was toch eigenlijk een tweederangs artiest en had zichzelf de laatste vijftien jaar noch als gitarist noch als tekstschrijver ontwikkeld, alleen maar herhaald en gepersifleerd. Zijn status in de popgeschiedenis zal dan ook altijd een particuliere blijven, en niet een revolutionaire, zoals die van Elvis, Jimi Hendrix of Bob Dylan.

Daar zit iets in. Vooral Youngs ongepolijste gitaarstijl is steeds meer een pastiche van zichzelf geworden. De ijle lyriek van Everybody Knows This is Nowhere (1969) en Zuma (1975) is op latere cd's aangezwollen tot een orkaan van elektrische herrie, een onontwarbare minestrone van metaal. Young zelf zei onlangs, met kenmerkende nonchalance, dat hij inmiddels ook wat uitgekeken raakt op slotakkoorden die langer duren dan de nummers zelf, en zich 'weer wat meer wilde gaan richten op liedjes'.

De rockcriticus Paul Williams, oprichter van het eerste Amerikaanse blad over rock, Crawdaddy, is geen dissident. In Neil Young. Love to Burn, een bundeling van oude en nieuwe stukken over Youngs werk, zingt hij de lof van zijn 'Neil'. Hij roept 'Oh, wow!' bij zijn favoriete nummers, en heeft zijn boek opgedragen aan de man zelf, aan de Engelse Neil Young Appreciation Society en aan 'other keepers of the faith'. 'Dankjewel, Neil, dat je me in je liedjes hebt gekoesterd', schrijft Williams. 'Ik houd van de man omdat hij Het Lied zingt' luidt de slotzin van het boek, met een verwijzing naar Youngs requiem voor een drugsverslaafde in het afkicknummer 'The Needle and the Damage Done'. Over een live-opname van Young jubelt hij: 'Zijn stijl! humor! Zijn agressie!' Een kritische plaatsbepaling van Young in de romantische traditie sinds Goethe, hoeft men kortom van deze auteur niet te verwachten.

Maar wie door Williams' ziekmakende bewonderaarsproza heenbijt, wordt beloond met een representatief overzicht van Youngs werk, alsmede van de manier waarop dat door zijn Amerikaanse fans wordt gewaardeerd. Al zijn Williams' interpretaties soms nogal nadrukkelijk. 'Deze elpee gaat over beweging', noteert hij over Sleeps with Angels (1993), waarin Young opnieuw een dode geestverwant (Kurt Cobain) uitgeleide doet.

Alleen Youngs countrywerk gaat er minder gemakkelijk bij Williams in. Zo merkt hij over het zeer succesvolle Harvest Moon (1994) wat zuur op: 'Puur als geluid genomen, werkt deze elpee wel.' Gelukkig zijn er ook penetrantere inzichten zoals: 'Veel van Youngs meest hartverwarmende teksten zijn dom en/of absurd.' En: 'Young heeft altijd het talent gehad om belachelijke dingen te schrijven die me toch diep raken.' Dat is een rake opmerking die veel Young-liefhebbers zullen beamen en waar ook Young zelf, nooit bang voor een stevige dosis zelfironie, om zal kunnen grijnzen.