Kunstwereld is gebaat bij kortere arm overheid; Onzalige tweedeling in de kunst moet weg

De kwaliteit van het Nederlandse kunstaanbod dat er internationaal toe doet, verschilt niet substantieel van het aanbod in de ons omringende landen. Gelet op de beperkte overheidsbemoeienis elders hoeft het daarom niet uit te maken of de overheid zich meer of minder met de beeldende kunst bemoeit. Daarbij is het Nederlandse beleid in verhouding tot de omvang van de markt erg duur. Met veel minder kosten zouden we een vergelijkbaar resultaat kunnen bereiken.

Geert Dales, directeur van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, noemt in NRC Handelsblad van 27 september het overheidsoptreden echter “een prachtig systeem met aantoonbaar succes”, dat het niet verdient om ongegrond en met inspelen op volksongenoegens onderuit gehaald te worden.

Dales reageerde op een prikkelende bijdrage van Riki Simons (NRC Handelsblad, 20 september) die betoogde dat de kwaliteit van kunst in een land evenredig is aan de mate waarin zij haar lot in eigen hand neemt. Het 'overheidsmonopolie' dat volgens Simons op het ogenblik de kunstmarkt bepaalt, zou volgens haar fataal zijn voor het aanbod op de Nederlandse kunstmarkt. Volgens Geert Dales is er geen sprake van een dergelijk overheidsmonopolie.

Simons heeft echter wel degelijk gelijk. Op een markt waar twee giganten actief zijn, zeg Pepsi en Coca Cola, is een marktaandeel van 30 tot 35 procent - het aandeel dat de overheid heeft op de kunstmarkt - bijzonder hoog, maar inderdaad niet doorslaggevend. De meeste partijen op de markt voor beeldende kunsten, zoals ABN Amro, ING of privé-verzamelaars, komen evenwel niet boven een aandeel van 1 procent uit. Daarom heeft de overheid met haar aandeel van 30 tot 35 procent per definitie een dominante positie op de markt. Kijken we ook naar de subsidies, dan ligt het aandeel van de overheid in de inkomensvorming in de beeldende kunst zelfs tussen de 30 en 50 procent.

Is het een wonder dat beeldend kunstenaars zich in een dergelijke situatie richten naar het overheidsbeleid? Deze getallen vallen nog veel hoger uit indien we naar het marktsegment van de 'avant-garde' kunst kijken. De overheid vormt op die markt weliswaar niet de enige partij, maar ze heeft er wel alle touwtjes in handen. Men kan tegenwerpen dat de overheid in feite uit meerdere marktpartijen bestaat. Lagere overheden hebben soms een andere smaak dan de centrale overheid en de grote musea. Maar zoals al dikwijls is aangegeven, bestaat in de besteding van de grote en toonaangevende budgetten bijzonder veel coherentie.

Bovendien geven de genoemde percentages nog een onderschatting van het totale overheidsbelang in de beeldende kunst. De dominante positie van de overheid op de markt wordt namelijk versterkt door symbolische effecten. Eén van ons is tevens actief als beeldend kunstenaar. Hij maakt, binnen de regels van het huidige spel, dankbaar gebruik van de subsidies van het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst. En als hij de keus heeft, verkoopt hij vele malen liever werk aan een toonaangevende overheidsclub dan aan een particulier. De verkoopprijs is in beide gevallen weliswaar hetzelfde, maar de overheid biedt kennelijk meer 'symbolisch inkomen'. De overheid biedt erkenning, je hoort erbij, je hoort bij de 'echte' kunst. Door werk te verkopen aan de overheid komt een kunstenaar aan de 'goede' kant van de scheidslijn terecht. Zo werkt de overheid inderdaad de door Simons genoemde tweedeling in de beeldende kunstwereld in de hand.

Natuurlijk genereert elke organisatie, die tussen uitsluitend kleine marktdeelnemers een dergelijk groot marktaandeel heeft, zulke symbolische effecten. Maar gelet op haar geschiedenis en haar plaats in de democratische samenleving heeft de de overheid een positie die verschilt van die van een willekeurig groot bedrijf. Als opvolger van adel en vorst is de overheid een smaakmaker met groot gezag, terwijl haar democratische verankering tegelijk onbaatzuchtigheid suggereert. Toch wordt steeds duidelijker, dat een overheid die gericht in de kunsten ingrijpt niet onbaatzuchtig kan zijn.

Het grootste gevaar dat uit dit systeem voortvloeit betreft niet de zogenoemde topkunst, de kunst die op dit moment internationaal goed scoort, maar de overige kunst. Die vormt immers de voedingsbodem voor de kunst van de toekomst. Voorzover wij kunnen nagaan is de tweedeling in de beeldende kunst in Nederland sterker dan in het buitenland. Wie bijvoorbeeld The National Portrait Gallery in Londen bezoekt, zal onder de indruk zijn van het hoge niveau en de vernieuwingsdrang van de daar tentoongestelde eigentijdse portretten. De prestigieuze BP-award van British Petrol geeft daar samen met de status van de National Portrait Gallery aanzien en perspectief aan schilders.

In ons gepolariserde kunstklimaat is zoveel ruimte voor kunst buiten de 'top' ondenkbaar. De portrettisten die wij kennen, zijn veel defensiever ingesteld. De energie die zij hebben wordt niet artistiek aangewend, maar gaat verloren doordat men voortdurend tegen de muur tussen erkende en niet erkende kunst oploopt.

Ten einde de onzalige tweedeling in de kunst terug te dringen, zou de overheid in de eerste plaats minder moeten ingrijpen in de markt. Waar ze toch ingrijpt, zou ze dat bovenal moeten doen met zogeheten 'generieke' maatregelen, zoals fiscale aftrekbaarheid van kunstaankopen. Dergelijke maatregelen hebben als groot voordeel, dat ze zich niet beperken tot de overheid welgevallige kunst.

Specifiek ingrijpen zoals de individuele subsidiëring van door de overheid geselecteerde kunstenaars, zou beperkt moeten blijven tot een enkele opvallende prijs, zoals de Prix de Rome. Zo kan de overheid, anders dan in het huidige stelsel, veel minder verhullend te werk gaan.