Kunstcollectie van 'mr. Sara Lee' in Laren

Tentoonstelling: Meesters van de Moderne Kunst. Collectie Sara Lee Corporation. T/m 18 jan. in het Singer Museum, Oude Drift 1, Laren. Di t/m za 11-17u, zo 12-17u. Catalogus: ƒ 39,50.

Het Singer Museum in Laren heeft speciaal voor de gelegenheid de wanden in fruitige kleuren gesausd. Op bezoek uit Chicago is een opmerkelijke bedrijfscollectie van de Sara Lee Corporation bestaande uit vijftig schilderijen, werken op papier en beeldhouwwerken van moderne meesters als Pissarro, Monet, Gauguin, Matisse, Chagall, Leger, Giacometti en Henry Moore. Dat deze nooit eerder in Europa getoonde collectie juist in Laren te zien is, heeft te maken met het feit dat Douwe Egberts, een van de sponsors van het Singer Museum, een van de belangrijkste onderdelen vormt van dit concern. Hoewel de meeste van deze werken regelmatig voor tentoonstellingen worden uitgeleend, zullen velen ze hier toch voor het eerst zien.

De collectie heeft een vaste plaats aan de National Plaza in Chicago op de 47ste etage van een gebouw waarin de hoofddirectie van het concern zetelt. Daar, zo getuigen werknemers op een videoband, inspireert kunst de dagelijkse werkzaamheden.

Deze bedrijfscollectie is opgebouwd door één man, Nathan Cummings (St. John, New Brunswick 1896-Palm Beach, Florida 1985). 'Mr Sara Lee', was een self-made zakenman en grondlegger van het concern. Hij begon in de schoenenzaak van zijn ouders, joodse imigranten uit Litouwen, die per ongeluk te vroeg van de boot stapten en zo in Canada in plaats van New York terechtkwamen. Cummings, eigenlijk Kaminski geheten, werd naar een tante in Brooklyn gestuurd. Hij begon een eigen schoenenzaak maar ging failliet in 1932. Vanaf 1939 ging het hem zakelijk voor de wind en leidde hij een koffie- en theefirma in Baltimore, waarvan hij in 1941 eigenaar werd. Vanaf dat moment wist hij zijn imperium steeds verder uit te breiden.

Cummings vond kunst verzamelen iets dat je 'strictly and only for pleasure' deed. Zijn liefde voor de schilderkunst werd geboren toen een plaatselijk schilder op verzoek van zijn vrouw het uitzicht uit zijn huis vereeuwigde.

Cummings kocht zijn eerste belangrijke doek in 1945 in Parijs voor drieduizend dollar. Het was een oogstscène van Pisarro. Hij wist niet wie de maker was maar wel dat hij het mooi vond. Cummings' collectie zou zich uitbreiden tot meer dan 1500 werken van kunstenaars die vrijwel allemaal tussen 1850 en 1950 in Parijs werkten. Hij leende zijn bezit uit aan musea als het Louvre, de National Gallery, the Chicago Art Institute en de Museum of Modern Art. Ook doneerde hij 600 pre-Colombiaanse kunstwerken aan de Metropolitan Museum. Een deel van de verzameling Cummings is overgegaan in de bedrijfscollectie.

Commings zetten zijn schilderijen ook in voor de public relations van zijn bedrijf. Zo hingen schilderijen uit zijn collectie aan de muren van 10 Downing Street in Londen tijdens het premierschap van Edward Heath.

De schilderijen in Laren verkeren in prima staat. Ze hangen wat aan de lage kant en enkele zijn te nadrukkelijk uitgelicht. Sommige hebben een wat al te uitbundige lijst. Maar, en dat is altijd weer verheugend om te zien, er zit geen glas voor de doeken. Amerikanen durven hun schilderijen, ook bij bruiklenen naar Europa, blijkbaar nog steeds zonder hinderlijke weerspiegelingen in het openbaar te tonen. Cummings geeft blijkt van een voorliefde voor kunst uit zijn geboortetijd. Met een Eugène Boudin (leraar van Monet) uit 1889 zet Cummings de toon voor het impressionisme. Later zou hij zijn voorkeuren uitbreiden, maar een idyllische, vrije wereld in zonneschijn zonder verworvenheden van de moderne tijd lijkt toch de stemming te bepalen. Hij liet zich graag portretteren bij Monets schilderij uit 1872 van zijn zoontje Jean op een hobbelpaard/fiets. Dit doek is een van de publiekstrekkers en een van de topstukken van de collectie, al kan het niet tot de top tien van Monet gerekend worden.

In de grijs-roze gesausde zaal hangt een merkwaardige Matisse; een met het schildersmes vervaardigd - dat deed hij zelden - stilleven met citroenen op een tinnen schaal. Zo zal de kijker vaker aangenaam verast zijn door vrij onbekende schilderijen, die vaak iets typisch vertonen. Een sterke indruk maakt een groot doek van Edouard Vuillard uit 1918 van een weelderige Franse tuin met een vrouw en kind aan de ene kant van een hek en een fruitverkoper aan de andere kant. De Eerste Wereldoorlog die op dat moment woedt, lijkt ver weg. Het doek hing ooit in de eetkamer van de kunsthandelaar George Bernheim.

Een van de hoogtepunten op de tentoonstelling is een in mijn ogen zeer realistisch, bijna Amerikaans Hopper-achtig schilderij van een havengezicht op Rouen uit 1912 van Albert Marquet. Vreemd is dat het door de mede-samensteller van de tentoonstelling, Pisarro-kenner Richard R. Brettell, voormalig directeur van het Dallas Museum en oud-curator Europese kunst van The Art Institute of Chicago, wordt gezien als 'bijna abstract als een kubistische Picasso of een fauvistisch naakt van Matisse.'

Als mooie voorbeelden van expressionistische doeken hangen er een paar prachtige Rouaults, een Dufy en een Soutine die een jongen voorstelt in een rood-zwart uniform. Opvallend genoeg is er geen enkele Duitse kunstenaar in de collectie opgenomen.

De verzamelaar en weldoener Cummings ('Ik heb nu genoeg stropdassen') bleef, zoals een klassieke rijkaard betaamt, op de kleintjes letten. Hij viste paperclips uit prullenmanden op zijn kantoor en stelde zijn personeel vragen als 'Why don't you Xerox on both sides of the paper?' Het eenvoudige leven op de schilderijen, het vaak armlastige kunstenaarsbestaan moet de man, die ooit naar huis moest lopen omdat hij geen geld voor de metro had en toen besloot dat hij niet in armoede wilde blijven leven, bijzonder tot de verbeelding hebben gesproken. De portretfoto's in de catalogus, waarop we de verzamelaar uitgezakt zien zitten, omringd door kunst in zijn weelderige interieur, spreken boekdelen.