KOPGROEP

De Nederlandse banken staan achter de Economische en Monetaire Unie. Dat kan trouwens ook haast niet anders. Zij hebben inmiddels zoveel geïnvesteerd in de voorbereidingen, dat een vertraging - om niet te spreken van uitstel - een hoop geld gaat kosten. Maar over het toelatingsbeleid tot de EMU bestaan subtiele meningsverschillen.

Zowel Rabobank als ABN-Amro lieten zich positief uit over de deelname van landen die voorheen niet als grote EMU-kanshebbers werden beschouwd. Bestuursvoorzitters Jan Kalff (ABN-Amro) en Herman Wijffels (Rabo) lieten herhaaldelijk weten met toetreding van Spanje, Portugal en Italië geen moeite te hebben. De ING stelt zich voorzichtiger op.

Tijdens een conferentie over de euro in Stockholm deze week, pleitte Fred von Dewall, hoofd van het economisch bureau van ING, ervoor om met een beperkte kopgroep te beginnen. De groep zal mei volgend jaar worden samengesteld uit de EU-lidstaten die voldoen aan de toelatingscriteria uit het Verdrag van Maastricht. Met uitzondering van Griekenland komen alle landen dicht bij de toelatingseisen. Om uiteenlopende redenen zullen Groot-Brittannië, Denemarken en Zweden naar verwachting van deelname afzien.

Volgens Von Dewall biedt de selectie van landen op basis van het bereiken van de criteria “geen garantie voor een sterke kopgroep”. De euro zal geen harde munt worden als landen worden toegelaten die geen “lange en degelijke reputatie op het gebied van monetair en budgetair beleid bezitten”, aldus de econoom in Stockholm. Zonder ze met name te noemen, plaatste hij daarmee Italië, Spanje en Portugal op de reservebank.

Dit verklaart wellicht waarom ING-bestuurder Cees Maas, die in 1991 alsthesaurier-generaal van het ministerie van financiën nauw betrokken was bij de totstandkoming van het verdrag van Maastricht, vorige maand op een presentatie in Hongkong nog uitging van acht deelnemende landen. (MS)