Journalistieke ontsporing

Jan Haerynck: Aan de Rand. Journalistieke verhalen. Meulenhoff/Kritak, 206 blz. ƒ 34,90

Nog maar net had de Volkskrant vorig jaar het redactioneel beleid omgebogen in meer vlotte richting of de lezers troffen een merkwaardig stuk aan op de voorpagina. De hoofdredactie deelde mee, alle contacten te verbreken met Jan Haerynck, een freelancer die al enkele maanden spraakmakende reportages schreef. Hij zou een spectaculair verhaal over kinderontvoering uit de duim hebben gezogen. Dat er bij de vervaardiging van een krant iets grondig misgaat is niet zo bijzonder. Er is geen blad dat die niet af en toe te maken heeft met volkomen foute verhalen, tergende staaltjes van plagiaat en ander ongerief, niet zelden leidend tot grote beroering binnen de redactie, al of niet via de rechter afgedwongen publicatie van smalende brieven, overplaatsing van sterreporters naar de rubriek 'waterstanden' en beëindiging van contracten.

Wat de zaak Haerynck uniek maakt, is het feit dat een verslaggever op de voorpagina zo publiekelijk aan de schandpaal is genageld. Na deze strafvoltrekking liet het requisitoir enkele dagen op zich wachten. In een kloek artikel legde de Volkskrant uit hoe er twijfels waren gerezen en hoe vervolgens de proef op de som was genomen: enkele door Haerynck genoemde bronnen waren zo grondig verdwenen dat men moest aannemen dat ze niet bestonden. Het weekblad De Groene Amsterdammer liet Haerynck zelf aan het woord. Uit dat vraaggesprek bleek vooral dat de journalist - zoals dat in het Vlaams heet - enigszins 'het Noorden kwijt was'. Sindsdien werd van Haerynck weinig meer vernomen, totdat deze maand Aan de rand het licht zag, een verzameling reportages.

Aan de bundel kleeft een ernstig bezwaar: op de zaak van de Volkskrant vs. Haerynck wordt nergens ingegaan en het gewraakte verhaal over kinderontvoering is niet opgenomen. We komen er niet achter hoe nauw Haerynck het heeft genomen met de bronnen en feiten in de hier wel gepubliceerde verhalen. Alleen voor wie de zaak al kent, kan de ondertitel Journalistieke verhalen een aanwijzing zijn. En verder de genre-aanduiding die de uitgever aan het boek heeft gegeven. Dat is NUGI-code 451: verzamelde columns, serieus bedoeld.

Haerynck schrijft prachtige reportages. In het bijzonder die welke in de Volkskrant hebben gestaan, munten uit door leesbaarheid en je kunt je goed voorstellen met welk enthousiasme ze zijn onthaald. Ze passen precies bij het profiel dat de Volkskrant zichzelf wil aanmeten: onderwerpen die een jongere lezer aanspreken (drugs, piercing, sekten, de positie van Turkse vrouwen in Nederland etc.), behandeld op onconventionele wijze, met veel openhartige aandacht voor het persoonlijke verhaal van drugdealers, sekteleden, Turkse vrouwen enz.

Nu onze achterdocht eenmaal is gewekt, is het eenvoudig te zeggen dat de verhalen wel wat ál te mooi zijn: steeds weet Haerynck zijn onderwerp te vangen in met eigen ogen geobserveerde, dramatische gebeurtenissen. Bronnen die doorgaans uitmunten door geslotenheid (drugsdealers, Turkse vrouwen, etc.) geven tegenover Haerynck onbekommerd lucht aan hun diepste gevoelens.

Natuurlijk hoeft er over verzonnen bronnen en feiten in dagblad-reportages weinig twijfel te bestaan: die zijn niet geoorloofd, al was het maar omdat de krantenlezer ze niet verwacht. Mocht bij de abonnee van de Volkskrant de indruk postvatten dat hem dagelijks een portie verzinsels op de deurmat valt, in plaats van een met een zekere nauwgezetheid vervaardigde afspiegeling van de werkelijkheid, dan zal dat niet zonder gevolgen blijven voor de economische basis van dit dagblad. Dat kan niet de bedoeling zijn en terecht heeft de hoofdredactie dus ingegrepen.

Er bestaan echter ook verzachtende omstandigheden voor Haeryncks aanpak. De scheidslijn tussen fictie en werkelijkheid is vaak moeilijk te trekken. Er is een tijd geweest dat dagbladen alleen maar stenografische verslagen en feitelijke mededelingen plaatsten, maar die is lang voorbij. Nu moeten er goed leesbare verhalen komen, van auteurs die de werkelijkheid in zijn essentie betrappen. Elk verhaal, hoezeer ook geënt op de werkelijkheid, houdt een zekere mate van selectie en vervorming van die werkelijkheid in. Gelukkig laten journalisten zich bij hun werk niet leiden door formele, literair-technische overwegingen maar door een moeilijk te omschrijven gut feeling over wat nog net kan, en wat net te ver gaat in termen van fictionalisering. Dat gevoel en geweten zijn een kwestie van journalistieke cultuur, die van krant tot krant verschilt. Een freelancer als Haerynck had bij de Volkskrant natuurlijk maar vanuit de verte deel aan deze cultuur. Het is dus niet zo heel verwonderlijk dat hij - gezien het enthousiaste onthaal van zijn reportages - voor zichzelf de lat van de fictionalisering steeds hoger is gaan leggen.

Haeryncks verwarring over fictie en werkelijkheid is die van iedere verslaggever. Zijn kracht - en ook zijn handicap - is hoogstens dat hij veel beter kan schrijven dan velen onzer en daarom ook eerder ontspoort. Het lijkt me niet dat hij het daarom verdiende publiekelijk te worden terechtgesteld. de Volkskrant had hem beter in vaste dienst kunnen nemen, met om te beginnen een leerjaar op de redactie waterstanden.