Jean-François Lyotard: La condition postmoderne, 1979

Jean-François Lyotard: La condition postmoderne (1979), Minuit, ƒ 27,- (pbk)

Postmodernisme en verwarring horen bij elkaar, zo lijkt het soms. Op de vraag wat 'postmodern' precies betekent, zijn inmiddels zoveel tegenstrijdige antwoorden gekomen dat menigeen het spoor bijster is geraakt. Is Madonna postmodern of was Nietzsche het al? Gaat het om een reactionaire terugval in duister irrationalisme of om de avant-garde van vandaag? Bestreden is het postmodernisme als een onverantwoordelijk waardenrelativisme, aangeprezen is het als de enige kans op vrijheid en tolerantie in een multiculturele wereld. De eenvoudigste uitweg is nog het af te doen als een irritant modeverschijnsel dat zijn tijd alweer heeft gehad.

Toch hoeft iemand maar te beginnen over 'het einde van de grote verhalen', en iedereen begrijpt dat dit iets postmoderns is dat niet zo eenvoudig een modeverschijnsel kan worden genoemd. Deze - minimale - eensgezindheid is de verdienste van de Franse filosoof Jean-François Lyotard. In La condition postmoderne (1979) maakte hij het woord 'postmodern' los uit zijn oorspronkelijke context van vooral Amerikaanse kunst- en literatuurkritiek, om het te gebruiken als een handzame aanduiding voor de toestand van de hedendaagse westerse cultuur.

Zijn boek was, zoals hij in het voorwoord toegeeft, een 'gelegenheidsgeschrift', geschreven in opdracht van de Conseil des Universités van de regering van Quebec. Geen filosofisch werk, maar 'een verslag over het weten in de hoogst ontwikkelde samenlevingen'. Het merendeel van de tekst gaat dan ook over de contemporaine wetenschap en de daarin heersende legitimatiecrisis, die Lyotard kenmerkend acht voor de postmoderniteit.

In de moderne tijd worden de geldende 'spelregels' in wetenschap, kunst, literatuur en politiek gelegitimeerd door middel van verhalen, die op hun beurt worden gelegitimeerd door een groot 'meta-verhaal', bijvoorbeeld de dialectiek van de geest, de hermeneutiek van de betekenis, de emancipatie van het rationele subject of van de arbeidersklasse. Zulke 'grote verhalen' geven doel en richting aan het gespecialiseerde onderzoek en leveren tevens de criteria om de onderzoeksresultaten te beoordelen. Op soortgelijke wijze ontleenden pre-moderne samenlevingen hun cohesie aan mythen en legenden, waarin de gemeenschappelijke waarden en normen - als een verhaal - waren vastgelegd.

Het postmoderne van de huidige situatie zit volgens Lyotard hierin, dat aan deze grote 'meta-verhalen' geen geloof meer wordt gehecht. Een ongeloof dat correspondeert met het verval van de metafysica in de filosofie en met de crisis van de traditionele universiteit die van deze metafysica afhankelijk was. Het gevolg is een wirwar van 'kleine verhalen' of - een van Wittgenstein overgenomen term - 'taalspelen', die niet langer door een alomvattend 'meta-verhaal' in toom worden gehouden. Hoe deze legitimatiecrisis (een gevolg van onder andere de informatisering van de kennis) op te lossen?

Eén mogelijkheid die zich aandient, vat Lyotard samen onder de noemer: het 'systeem'. Het postmoderne wetenschapsbedrijf is als het ware een zelfregulerend systeem geworden, waarin nog slechts nut en succes tellen. Alle inspanningen zijn gericht op wat hij 'performativiteit' noemt: onderzoeksresultaten worden vooral gewaardeerd op hun bruikbaarheid voor de geldschieters (in de meeste gevallen: de overheid) en op hun vermogen nieuw onderzoek te genereren. Efficiency wordt het hoogste doel. Maar Lyotard betwijfelt of hieruit ook een passende legitimatie valt af te leiden, omdat efficiency en functionaliteit zich niet goed laten verenigen met de vooruitgang van het wetenschappelijke onderzoek.

Grote ontdekkingen, nieuwe vondsten en visies komen immers tot stand via een sprong van de verbeelding, een doorbreking van alle rationaliteit en systematiek. Lyotard spreekt in dit verband van 'paralogie', wat volgens Van Dale dwaling of denkstoornis betekent. Het wetenschappelijke bedrijf is dus afhankelijk van iets wat de bedrijfsmatige orde juist ontkent, en dat geeft de wetenschap iets onberekenbaars en onbeheersbaars. Lyotard hecht er zo'n belang aan dat hij in deze 'paralogie' zelfs de nieuwe legitimatie van de wetenschap wil zien. Want zij scherpt 'onze gevoeligheid voor verschillen en versterkt ons vermogen het incommensurabele te verdragen'.

Hier spreekt tevens de postmoderne differentie-denker, die in zijn hoofdwerk Le différend (1983) de nadruk legt op het 'geschil', dat bij afwezigheid van gemeenschappelijke spelregels of criteria niet meer kan worden opgelost. Voor Lyotard is dit niet een betreurenswaardig manco, maar eerder een toe te juichen tegenwicht tegen de ook in de postmoderne wereld alom aanwezige tendens tot homogenisering en gelijkschakeling. Vandaar zijn verzet tegen het streven van de Duitse filosoof Jürgen Habermas om de ontbrekende legitimatie alsnog te verkrijgen via een redelijke en intersubjectieve consensus.

Lyotard wijst liever op de zegeningen van de dissensus, aangezien het verlangen naar eenheid in het moderne verleden te vaak tot 'terreur' heeft geleid. Het lijkt een groot woord voor de - in wezen democratische - praktijk die Habermas bepleit. Maar achter Lyotards cultus van de onenigheid gaat de traumatische herinnering aan 'Auschwitz' schuil, in zijn ogen niet slechts een gruwelijke aberratie, doch de logische uitkomst van een door 'grote verhalen' gerechtvaardigd totalitarisme dat hij in de hele moderniteit meent te ontwaren.

Een probleem blijft niettemin de rechtvaardigheid, waarvan Lyotard evenmin als Habermas afstand wenst te doen; hij verlangt alleen naar een rechtvaardigheid zonder consensus. Hoe die gerealiseerd moet worden, is minder duidelijk. Om deze reden is hij, samen met verwante denkers als Foucault en Derrida, door Habermas 'conservatief' genoemd: wie zich elk kritisch centrum ontzegt, zou immers geen andere keuze hebben dan klakkeloos de status quo te aanvaarden. Maar dat is niet wat Lyotard beoogt, zoals mag blijken uit zijn - overigens niet in La condition postmoderne verwoorde - visie op de postmoderne kunst.

Opvallend is Lyotards waardering voor het artistieke experiment, dat hij als een voorbeeld lijkt te zien voor de gewenste postmoderne levenshouding. Het sleutelwoord daarbij is het 'sublieme', waarover Kant al in de achttiende eeuw veel behartigenswaardigs heeft geschreven. In de ervaring van het sublieme wordt de mens geconfronteerd met dat wat zijn voorstellingsvermogen te buiten gaat, zoals het oneindige of het absolute, zaken die hoogstens als idee denkbaar zijn. De sublieme ervaring geeft daarom aanleiding tot pijn evengoed als tot genot. Pijn vanwege het tekortschieten van de verbeeldingskracht, genot vanwege de triomf van het verstand.

Volgens Lyotard werden ook de moderne kunst en literatuur gedragen door de sublieme esthetiek van het onvoorstelbare, een esthetiek waarin de realiteit haar vanzelfsprekendheid heeft verloren. Maar het maakt verschil wat er benadrukt wordt: het tekort van de verbeeldingskracht of de denkbaarheid van het onvoorstelbare. In de moderne kunst zou vooral het eerste geschieden, in de postmoderne kunst vooral het laatste. Bijgevolg ontbreekt elke nostalgie naar wat verloren is gegaan; het bestaande en bekende wordt volledig prijsgegegeven, ten gunste van een experiment dat aan geen enkele regel of wet meer gehoorzaamt. Pas achteraf kunnen die regels of wetten worden gedefinieerd, wat niet betekent dat ze ook voor een volgend kunstwerk geldingskracht zouden bezitten.

Zonder het met zoveel woorden te zeggen formuleert Lyotard, aan de hand van de kunst, het recept voor een experimenteel of essayistisch leven dat inderdaad geen enkele conventionele eenheid of consensus meer erkent, maar dat zich openstelt voor de sublieme 'gebeurtenis', die mogelijk is zonder ooit voorspelbaar of berekenbaar te zijn. Niet anders probeert de hoofdpersoon van Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften in het leven te staan, door aan een avontuurlijke 'mogelijkheidszin' de voorkeur te geven boven de beperkingen van de realiteitszin.

Of alle verwarring nu definitief tot het verleden behoort, staat allerminst vast, maar dankzij Lyotard hoeft het geen loze kreet meer te zijn althans deze onvermijdelijke verwarring postmodern te noemen.