Jane Austen (1775-1817); Het tegendeel van een conformistische heilige

Claire Tomalin: Jane Austen. A Life. Penguin Books, 341 blz. ƒ 69,60

David Nokes: Jane Austen. A Life. Fourth Estate, 578 blz. ƒ 69,60

Twee zinnen typeren in mijn ogen het werk en de persoon van Jane Austen. De ene luidt: 'It is a truth universally acknowledged, that a single man in possession of a good fortune must be in want of a wife'. Het zijn de openingswoorden van Austens bekendste roman, Pride and Prejudice, vorig jaar nog uitgezonden als televisieserie. Pride and Prejudice draait om de jacht op een - bij voorkeur vermogende - echtgenoot. De ouverture laat ons kennismaken met de ontnuchterend-platvloerse opinies van Mrs Bennet, moeder van vijf uit te huwen dochters en de drijvende kracht achter de mannenjacht. In Jane Austens wereld (en niet alleen in haar literaire verbeelding daarvan) was voor meisjes het verwerven van een echtgenoot het hoofddoel in het leven.

Zin nummer twee stamt uit een brief van Jane aan haar geliefde oudere zus Cassandra. Temidden van allerlei details over het uitgaansleven in Hampshire: wie danste met wie en met welke hoed op, meldt Austen terloops: 'I do not want people to be very agreeable, as it saves me the trouble of liking them a great deal'.

Jane Austen schreef die brief in 1798, en het is wonderbaarlijk je te realiseren dat zij op dat moment - drieëntwintig jaar oud - drie van haar zes grote romans zo goed als af had: Pride and Prejudice, Sense and Sensibility en Northanger Abbey. De eerste versie van Pride and Prejudice stamt onder de titel First Impressions uit 1796. Toen Austen de hartveroverende Elizabeth Bennet schiep was zij dus net als haar ook nu nog fascinerende hoofdpersoon twintig jaar oud. En hoe cynisch de auteur zich tegenover haar zus ook uitte over haar gevoelens voor de medemens, het lijdt geen twijfel dat ze op die autonome, spottende en oncorrumpeerbare eigen creatie erg gesteld was.

In Elizabeth is veel Jane te vinden. Zo gruwt Lizzy ervan als een vriendin uit geldnood trouwt met de walgelijke dominee Collins, een beslissing die volgens de toenmalige mores ongetwijfeld verstandig was. Ook gunt Austen haar hoofdpersoon de vrijheid om ongechaperonneerd door de natuur te wandelen, een vrijheid die ze zichzelf eveneens toeëigende en waarvan ze genoot.

Austen heeft lang bekend gestaan als de conservatieve, buitenwereldse en familiezieke verslaggeefster van de klassenbewuste burgerij en adel. De auteurs echter van de twee recent verschenen Austen-biografieën, literatuurcriticus David Nokes en Claire Tomalin, die eerder publiceerde over feministe Mary Wollstonecraft, benadrukken juist haar satirische, ironische en rebelse kanten. Wat uit hun optiek onmiskenbaar naar voren komt, is hoe scherp Austen de omgangsvormen en karakters van het burgerlijk milieu doorzag en becommentarieerde. Hoe vriendelijk ze ook moet zijn geweest, ze bewaarde toch altijd een kritische afstand en die afstand schiep de ruimte voor alle witty, soms malicieuze, altijd onomwonden observaties die we uit haar brieven kennen en die haar zo'n aanstekelijke, eigenzinnige en intelligente persoonlijkheid maken.

Ook in haar boeken, stuk voor stuk tales of manners, stelde ze, zonder zich ooit echt buiten de society te plaatsen, de 'beschaafde' normen, waarden en etiquette ter discussie. Moet men liegen om wellevend te zijn of zijn eerlijkheid en openheid moreel en mentaal te prefereren? Kan een samenleving bestaan zonder hypocrisie of is die noodzakelijk voor orde, stabiliteit, welvaart en geluk? Aldus de vraagstelling van Sense and Sensibility. Hebben vrouwen ook een moraal en zijn zij in staat tot echte liefde en trouw? Dat uit de wereldliteratuur blijkt van niet, zoals een heer in het postuum gepubliceerde Persuasion uitlegt aan Anne Elliot, wordt door deze zachtaardige hoofdpersoon afdoende weerlegd met de vaststelling dat al die boeken en gedichten zijn geschreven door zìjn sekse.

De voornaamste feiten van Austens leven zijn snel opgesomd: geboren in 1775, opgegroeid als een wat wild kind, te midden van veel jongens. Ze bleef ongetrouwd en kinderloos en leefde nooit zelfstandig; altijd waren er in elk geval haar moeder en zus. Haar eerste boek verscheen pas zo'n dertien jaar nadat ze het had geschreven, in 1811, anoniem. Ze stierf in 1817 aan een onduidelijke slepende ziekte. Van haar succes en van de vrijheid die een klein eigen inkomen haar bezorgde, heeft ze dus maar kort genoten. Roem volgde pas na haar dood.

Hoe moeten we deze kale gegevens interpreteren? En hoe verhoudt haar leven zich tot haar werk? Hoewel geen van Austens beide nieuwe biografen beschikte over opzienbarend nieuw bronnenmateriaal, geven ze op die vragen toch nieuwe antwoorden. Aan de binnenzijde van het omslag van mijn vuistdikke exemplaar van The Works of Jane Austen, een uitgave uit 1976, wordt nog traditiegetrouw vermeld dat de schrijfster van deze boeken waarin zoveel gedanst wordt, zelf een geïsoleerd en saai bestaan leidde. Bovendien zouden haar achtergrond en temperament haar maar weinig hebben toegerust voor haar schrijfsterschap.

Dit blijkt grotendeels mythologie. Jane was bijvoorbeeld dol op dansen. Austen was het zevende, op één na jongste kind van een plattelandspredikant. Haar ouders verdienden de kost met een schooltje aan huis, met jongens die intern waren. Haar vader beschikte over een flinke bibliotheek. Bijzonder was dat ook de twee dochters des huizes werden gestimuleerd te lezen en dat ze daarin enige vrijheid genoten. In het gezin werden eigengeschreven toneelstukken opgevoerd en Janes moeder schreef bij allerlei gelegenheden puntdichten. Van Jane zelf zijn diverse jeugdwerkjes bewaard gebleven. Die juvenilia zijn fantasierijk en stoutmoedig; vol gruwelen, rariteiten en grappen. Verre van dit te beteugelen, trakteerde vader Austen zijn dochter soms op schrijfpapier, een luxueus geschenk, waarmee ze zuinig omsprong.

Tomalin benadrukt dat de Austens niet rijk waren, zoals de Bennets en - vooral - Mr Darcy. Als Jane in dergelijke kringen verkeerde, was het in de marge; bij logeerpartijen op het sjieke buiten dat haar broer via zijn schoonfamilie had verworven, werd ze behandeld als een poor relative. Die marginaliteit levert een vruchtbare verklaring voor haar scherpe blik. Aan sociale contacten ontbrak het niet, en honger zal Jane niet gekend hebben, maar haar leven was zwaarder dan dat van haar heldinnen. Tomalin noemt de Austens met een toepasselijke term meritocraten. Ze wilden hogerop, en de meeste van de jongens slaagden daarin via militaire en kerkelijke carrières en uitgekiende huwelijken. Voor de drie vrouwen waren na de dood van hun vader en echtgenoot vooral onzekerheid, armoede en afhankelijkheid weggelegd.

In Emma legt de rijke hoofdpersoon haar minderbedeelde vriendin nuchter uit dat het voor bemiddelde vrouwen als zijzelf niet erg is ongetrouwd te blijven. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het hun redding was. Niet alleen in de familie Austen haalden de meeste echtgenotes de veertig niet, doordat zij stierven in hun zesde, elfde of dertiende kraambed. Poor animal, schrijft maiden aunt Jane prettig onchristelijk, over een nichtje dat opnieuw zwanger blijkt. Huwelijken werden in het door Austen beschreven milieu openlijk uit financiële motieven gesloten. Een onvermogend burgermeisje kon noch haar eigen kost verdienen noch iets erven en moest hopen op onderdak en een aalmoes van familieleden.

Het is in dit licht bezien heroïsch te noemen dat Austen, toen zij op 'gevorderde' leeftijd (midden twintig) een 'gunstig' huwelijksaanzoek kreeg, haar ja-woord na een slapeloze nacht terugtrok - een sociaal en persoonlijk drama, want zoiets was een gaffe. Zowel Tomalin als Nokes bewijst dat Jane wat jaren eerder hevig verliefd was geweest en niet had geschroomd dat te laten merken. 'We hebben ons losbandig en schokkend gedragen', schreef ze tevreden aan Cassandra. Maar net zoals het in haar romans zo vaak gaat: tot een huwelijk kwam het niet, aangezien haar geliefde was voorbestemd voor een betere partij. Liefdesverdriet - zo'n belangrijk thema in haar werk - was haar dus niet onbekend.

In dit opzicht komen de visies van Nokes en Tomalin vaak overeen: beiden zien Austens leven veeleer als getourmenteerd en conflictueus dan als sereen, zoals tot nu toe gesuggereerd. Maar voor het overige en vooral door hun bijna tegengestelde historische methodologieën, verschillen hun boeken sterk. Tomalin vertelt een verhaal, vol historische details, sfeer en sociale context. Zij heeft gepoogd haar Austen-leven 'rond' te krijgen, wat een warm, intelligent en meeslepend boek oplevert met veel oog voor de positie van vrouwen. Nokes sleept mee door zijn koele analyse van Janes libertijnse wildheid, de familiegeheimen en de censuur van de kant van diezelfde familie. Hij is erop uit ons de interpretatieve valstrikken van het biografisch proces duidelijk te maken. Meer dan een eigen, sluitende reconstructie te presenteren, toont hij hoe precair de constructies van zijn voorgangers waren en hoe aanvechtbaar hun conclusies uit het weinige materiaal dat bewaard is gebleven (wat overigens deze beide studies tot formidabele prestaties maakt).

Het verschil in aanpak laat zich goed illustreren aan de behandeling van Austens writer's block. Want Austen mocht dan op haar vijfentwintigste drie dikke manuscripten in portefeuille hebben gehad, vervolgens schreef ze gedurende tien jaar niets. Tomalin verklaart dit - zeker plausibel - uit het wegvallen van een eigen werkplek en uit een depressie, al hebben noch Austen zelf, noch kennissen of familieleden daarvan ooit gerept. Jane werd op haar vijfentwintigste geconfronteerd met het besluit van haar bejaarde ouders, van wie ze afhankelijk was, om van landelijk Steventon naar Bath te verhuizen. Bij die verhuizing werd tot haar ergernis allerlei dierbaars (boeken, schilderijen) ingepikt door haar oudste broer, die het ouderlijk huis betrok en zich zijn toekomstig erfdeel alvast toeëigende. Deze verbanning, en haar machteloosheid daarbij, zouden een depressie teweeg hebben gebracht, omdat ze ook nog eens een herhaling betekenden van twee jeugdtrauma's.

Nokes doet minder aan het duiden van Austens stilte, maar maakt er daarentegen veel werk van te bewijzen dat de standaardoverlevering dat Jane flauwviel toen haar ouders de verhuizing aankondigden, niet meer is dan een gerucht. Het verhaal kwam in eerste instantie van een nichtje en werd vervolgens gretig gereproduceerd, omdat Austens biografen haar nu eenmaal liefst voorstelden als een liefhebster van het rustige landleven die opzag tegen de drukte van de stad. Terwijl Tomalin uit de ijver waarmee Cassandra Janes brieven uit deze periode heeft verbrand en verknipt, afleidt dat daarin naar zusjes smaak te veel woede en verdriet te lezen waren, suggereert Nokes dat Jane zich wellicht juist te opgewonden toonde over alle bals, concerten en kennismakingen die haar in Bath wachtten.

Het is schitterend hoe Nokes de vervalsingen ontmaskert waaraan Austen sinds haar dood heeft blootgestaan. Een paar dagen voor haar overlijden dicteerde zij Cassandra een spotdicht op de dood, haar eigen dood. Waar Jane van dead sprak verzachtte Cassandra dat - ondanks de schade aan het rijm - tot gone. 'Pictures of Perfection (-) make me sick & wicked', schreef Austen ooit. Toch werd ze op haar grafsteen en in de familienecrologieën precies als zo'n conformistische heilige afgeschilderd. De humble Christian, die haar leven lang innig tevreden en met grote toewijding perfect needlework vervaardigde voor de ganse familieschaar. Verzwegen werd dat ze behalve borduursels ook boeken voortbracht. Laat staan dat werd vermeld dat zij in die boeken met kracht en humor verwoordde hoeveel venijn en verbittering er schuilgingen achter de toenmalige vrouwelijke pictures of perfection.