Intrigerende novelle van Chaja Polak; Achter de raadsels sluimert de oorlog

Chaja Polak: Zomersonate. Vassallucci, 71 blz. ƒ 24,90

'Pijn blijft', zegt een van de personages in Chaja Polaks nieuwe novelle Zomersonate. Het is een variatie op het overheersende thema in de boeken van Polak: met de trauma's uit het verleden kan een mens zich nooit verzoenen, die worden in het ergste geval zelfs doorgegeven van generatie op generatie. De personages van Polak (1943), vaak overlevenden van de jodenvervolgingen en de Tweede Wereldoorlog, jagen tevergeefs een 'normaal' leven na. Ze lijden, zoals Anna in de roman De krijtcirkel en Regina in de novelle Stenen halzen, aan een verlatingsangst die hun relaties belemmert. Of ze schermen hun jonge kinderen zo krampachtig af van hun oorlogsverleden dat die zich buitengesloten voelen. Een van de kinderen in het vorig jaar verschenen Tweede vader, Polaks prachtige novelle over het gezin van twee oorlogsslachtoffers, heeft het dan ook over 'dat vijandige vroeger waar hij niet bij mocht horen'.

In Zomersonate, dat zich afspeelt in een tijd dat er nog schoollessen op zaterdag en biljetten van een gulden waren, sluimert de oorlog op de achtergrond. De hoofdpersoon van dit coming-of-age-verhaal is een naïef cellospelend jongetje van 11 dat nog slaapt met een konijn en onbegrijpend aankijkt tegen alles wat met seksualiteit te maken heeft. De vrijpartijen van zijn moeder en stiefvader, het gedachteloze exhibitionisme van de gestoorde nicht van zijn celloleraar, de 'vieze spelletjes' van zijn oudere stiefbroer - het zijn voor de kleine Erwin allemaal raadsels die hij in zijn onschuld associeert met dat ene grote raadsel waarmee hij al jaren worstelt: de identiteit van zijn echte vader, over wie zijn moeder niet veel meer loslaat dan dat hij in de oorlog is omgekomen.

Erwins even dominante als liefdevolle moeder lijkt in veel opzichten op die van Fanny in Tweede vader: een jonge mooie vrouw naar wie alle mannen kijken en die een liefhebbende echtgenoot heeft, maar die nooit meer los zal komen van haar verloren jeugdliefde. Ze houdt van haar zoon, daarover is geen twijfel mogelijk, maar ze kan hem niet de aandacht geven die hij nodig heeft. Typerend is een passage waarin ze Erwin vertelt hoe hij haar eens vroeg waarom zijn speelgoedkonijn niet warm was.

“Ik zei: omdat hij geen bloed heeft. En jij vroeg: is hij dan dood? En ik zei: nee. En jij vroeg of hij dan leefde.'

Ze zweeg abrupt.

'Wat zei je toen?'

'Dat je op moest houden met vragen stellen, dat het me op mijn zenuwen werkte dat gewaarom van jou.' '

Erwin is een aandoenlijke pre-puber, een Werther Nieland die ouder en niet rijper is geworden. Maar hij is jammer genoeg de enige die gestalte krijgt in de 70 bladzijden van deze novelle. Anders dan in Tweede vader of Stenen halzen is Polaks beeld van verscheurd familieleven niet meerzijdig ontroerend. Omdat het verhaal geheel verteld wordt vanuit het perspectief van het jongetje, blijven de anderen - de werkelijk interessante personages - voor de lezer op een afstand. Je zou meer willen weten over de getraumatiseerde nicht van de celloleraar die wanhopig wil bewijzen dat ze een vrouw is; over de goeiige Dirk die Erwins moeder keer op keer haar wispelturigheid vergeeft; ja zelfs over Johan, de recalcitrante stiefbroer die Erwin de stuipen op het lijf jaagt met zijn stoere machopraatjes.

Voor de plot hoef je Zomersonate - de titel verwijst zowel naar Erwins liefde voor de muziek als naar het jaargetijde waarin hij zich uiteindelijk een beetje met de wereld om hem heen verzoent - niet te lezen. Het is vooral de stijl die opvalt. Chaja Polak is een meester in het elliptisch schrijven. Ze is niet alleen karig met barokke woorden, spaarzaam met lange zinnen en kwistig met alineatekens; ze is ook een groot liefhebster van abrupte hoofdstukovergangen die de fantasie en het invullend vermogen prikkelen. Zomersonate leest als een intrigerende puzzel waarvan de stukjes langzaam worden aangereikt. En het is een mooi voorbeeld van dramatische ironie dat de lezer de raadsels in het leven van Erwin eerder doorgrondt dan de hoofdpersoon zelf.

Wie niet gevoelig is voor de charmes van de schutterige Erwin of de subtiliteit van Polaks compositie, zal zich in ieder geval een aantal van de bijzondere beelden blijven herinneren. Als Erwin luistert naar het pianospel van zijn leraar, schrijft Polak dat de noten donderend over hem heen rolden 'om direct daarop licht en vluchtig als pas gedopte erwtjes op de bodem van de pan te stuiteren.' Nog mooier is haar beschrijving van de zorg waarmee Erwin zijn cello van zijn hoes ontdoet: 'van beneden naar boven, zoals zijn moeder thuis haar jurk over haar hoofd trok.' In die korte zin ligt niet alleen de zachtmoedigheid van de jongen besloten, maar ook de volwassen erotiek die hem voortdurend omringt en waarvoor hij het liefst zijn ogen zou sluiten.