In Algerijnse Bentalha hebben wilde honden vrij spel

In het Algerijnse Bentalha vermoordden aanhangers van de Gewapende Islamitische Groep (GIA) op 22 september meer dan tweehonderd mensen. Sinsdien is Bentalha een spookstad.

BENTALHA, RAÏS, 24 OKT. In Bentalha werden gisteren kleurige vlaggetjes over de hoofdstraat gespannen. Het is feest, zeiden de lokale ambtenaren. “We hebben hier verkiezingen.”

Feest in de hel, Bentalha is dantesk. Overal zie je huizen met zwartgeblakerde gevels, de lugubere vensters lijken op lege oogkassen. In normale omstandigheden leven er in Bentalha 8.000 mensen, maar nu is het een spookstad. Alleen in de omgeving van een theehuis zie je wat mensen staan praten, verder liggen de straten er verlaten bij. Een meute wilde honden heeft hier nu vrij spel. De overgrote meerderheid van de inwoners die 'de catastrofe' hebben overleefd is onmiddellijk uit de streek weggevlucht.

Bentalha is sinds een aanval van de Gewapende Islamitische Groep (GIA) op 22 september berucht. Bij de moorddadige bestorming van het dorp vielen meer dan tweehonderd doden. Het was meteen de grootste slachtpartij sinds het leger in 1992 de macht greep en het Front van Islamitische Redding (FIS) verboden werd.

Bentalha ligt op amper tien kilometer van het centrum van de hoofdstad Algiers, aan de rand van de Mitidja-vlakte en vanuit het dorp zie je naar het zuiden ook een uitloper van het Atlasgebergte.

“Uit die bergen zijn ze gekomen, die nacht.” Mohammed Tahar is 26 jaar. Hij vertelt dat hij zich heeft weten te redden door zich op het dak van zijn huis te verbergen. “Zij die het op een lopen zetten, werden op straat te grazen genomen. Het huis is gedeeltelijk uitgebrand en de muren vertonen zware scheuren. Ze wilden ons eerst levend verbranden, maar toen dat niet wilde lukken hebben ze uiteindelijk in de keuken een bom geplaatst. Voor ze mijn huis opbliezen hebben ze eerst nog mijn hele winkelvoorraad gepunderd. Ik zit aan de grond.”

“Het is hier die avond wel tot een klein vuurgevecht gekomen met de gewapende burgers uit ons dorp, maar een paar 'patriotten' (leden van een burgerwacht red.) vermogen niet veel tegen honderden terroristen. En toen het leger hier eindelijk aankwam, konden de soldaten alleen nog de lijken verzamelen.”

Bentalha is een nieuwe stad, zegt Mohammed. En het was altijd al een beetje doodse bedoening. De mensen die hier leven, zijn niet uit deze streek afkomstig. “Ik ben hier nog maar drie jaar geleden met mijn familie naartoe verhuisd.”

“Omstreeks 22 uur werden wij opgeschrikt doordat de honden plots angstig begonnen te janken”, zegt Farida Ahmine, 28 jaar oud en moeder van drie kinderen. “Maar we zagen niets speciaals en we dachten dat het weer eens om een vals alarm ging. Ik dacht nog bij mezelf, mens wat zijn wij toch een stelletje psychoten aan het worden. Maar nog geen uur later klonk de eerste explosie. We hebben onmiddellijk de kinderen wakker gemaakt. Ze waren doodsbang. Alles speelde zich af in het donker. We hadden na die eerste klap geen elektriciteit meer.”

“De eerste villa verderop in de straat stond in lichterlaaie. Mijn man duwde mij opnieuw naar binnen. We zijn samen met de vrouwen en de kinderen van de belendende huizen gevlucht op de daken. We konden nog net de ladder optrekken voor de eerste terroristen bij ons huis aankwamen. Ze vuurden onmiddellijk met machinegeweren. Mijn man moest mij met de hand op de mond dwingen om vooral niet te schreeuwen.”

“Ze hebben vervolgens aan de overkant in een huis waar zich wel 300 mensen hadden verborgen, 56 mensen, vooral vrouwen en kinderen en heel wat gehandicapten, de keel afgesneden op de tweede verdieping en op het dak nog eens 35. Ze wilden duidelijk zoveel mogelijk mensen ombrengen, ze vielen het dorp in groepen aan en gingen op drie verschillende plaatsen aan het moorden. Dat moorden ging door tot vier uur 's morgens. Toen hoorden we hoe de emir van de groep zei: Komaan jongens, we gaan, jullie hebben flink gewerkt.”

Waarom ze juist naar hier zijn gekomen, weet ze niet precies. Haar man, Hansali Boukabar, 42 en al drie jaar ernstig ziek, heeft zo zijn gedachten: “In 1990 stemde iedereen in Bentalha voor het FIS. Wij deden voor de strijders de was, we gaven hun te eten, ze konden hier onderduiken. Maar al gauw kwamen de mensen erachter dat zij niet eerlijk te werk gaan, en alleen aan zichzelf denken. We kregen hen vlug tegen ons. Maar tot die zwarte nacht van de 22e september bleef het bij enkele dorpelingen die langs de kant van de weg met afgesneden keel teruggevonden werden. Ik ben zelf ook bedreigd. Jij bent met het FFS, je bent van Kabylië en je bent een jood, lieten ze me verstaan. Maar ik weet niet waar naartoe te trekken.”

“Hoe wij verder kunnen met dit leven? We kunnen alleen maar zo dicht mogelijk met onze buren samen kruipen. Overdag zijn we allemaal doodsbang, en 's nachts doet niemand nog een oog dicht. We weten dat ze terug zullen komen. Het zal deze nacht zijn, denken we. Daar leven wij mee.”

En ook in Raïs, een dorp enkele kilometers zuidoostwaarts, zijn de inwoners die de aanslag hebben overleefd, sterk getraumatiseerd. Bij die aanslag werd van meer dan 100 mensen de keel doorgesneden. “Het is toch merkwaardig dat er hier in ons dorp zomaar gedurende twee uur kan worden gemoord en gebrandschat, terwijl er amper 800 meter hiervandaan een kamp van het leger ligt”, zegt Mohamed Alliche.

“We waren gerust, met die militairen hier zo vlakbij en we hebben ons dus ook niet bewapend. Nu hebben we honderd kalasjnikovs gekregen. Maar het kwaad is geschied. Mijn moeder en mijn nicht zijn hier doodgeschoten.” Hij wijst naar de voordeur, waar een jasmijnstruik in bloei staat. Het blijft dantesk.

“Ze verliezen terrein en dus vallen ze arme en zwakke mensen aan. Maar het gekke is dat het jonge mensen zijn die we kennen. We gaven hun vroeger te eten. De meeste terroristen die hier als beesten tekeer zijn gegaan, komen uit deze streek, maar we hadden ze in jaren niet meer gezien, sinds het leger hier naartoe kwam.” Mohamed wil van geen verkiezingen weten. “Wij hebben geen keuze hier, de meeste partijen doen het in hun broek van angst. Dit is een politieke wildernis, hoezeer de president ook de indruk wil wekken dat hij de mitidja onder controle heeft.”

Saoud is 52 en ze draagt de hoofddoek. “Ik ben de directrice van de lagere school hier in Raïs en ik woon met mijn twee kinderen achter het schoolgebouw. De mensen van dit dorp zijn zeer eenvoudig en weinig geschoold. De kiezers van het FIS hebben op hun geloof gespeeld en iedereen in Raïs heeft dan ook FIS gestemd. Het FIS was voor hen synoniem met de islam. En nu zijn ze doodsbang en lopen weg als bange konijnen. Ik niet. Ik heb meegevochten tegen de Fransen. Weglopen is geen oplossing, je laat gewoon het dorp over aan de terroristen.”

Op straat staat een groepje kinderen, blootsvoets en in lompen en met hongerige ogen toe te kijken, maar zo gauw hun iets gevraagd wordt, lopen ze schichtig weg. Waar zijn hun ouders heen? Een militair schudt wat onbeholpen zijn hoofd. “Ze komen wel terug.”