Geschiedenis van de 261 pausen; Het cruciale potkacheltje

Eamon Duffy: Saints & Sinners. A History of the Popes. A History of the Popes, 326 blz. ƒ 66,45

Sommige boeken behoeven tegengif. In dit geval legde ik Histoire Scandaleuse des Papes op mijn bureau. Een paardenmiddel. R. en Ch. Gagey, de beide auteurs van deze rond 1940 verschenen compilatie van historische, pauselijke uitglijers, hadden eerder hun naam gevestigd met titels als Le Visage Sexuel de l'Inquisition, Toute la Vie Sexuelle en La Vie Secrète des Couvents en leveren ook in hun pausenboek een keur van moord, bloedschande, corruptie, konkelzucht, dronkenschap en veelkleurige ontucht. Aanleiding voor het klaarleggen van dit kwestieuze standaardwerkje was de verschijning van Eamon Duffy's Saints & Sinners. A History of the Popes. Duffy zegt in zijn inleiding dat hij zelf katholiek is. Dan moet je uitkijken, de titel kan immers een jezuïeten-slimmigheidje zijn.

Het tegendeel blijkt het geval. Eamon Duffy noemt weliswaar niet alle slechtigheden van de opeenvolgende stedehouders Christi, maar je kunt je afvragen of alle scandaleuze feiten en cijfers die de heren Gagey boven water halen waarheidsgetrouw zijn. En gaande de tekst van Saints & Sinners merkt de lezer dat we met een kritische, betrouwbare, bovendien uiterst erudiete geschiedschrijver te maken hebben, die zijn reusachtige taak (het beschrijven van het instituut 'paus' te midden van tweeduizend jaar politieke en religieuze turbulentie) op werkelijk bewonderenswaardige wijze heeft volbracht. Inderdaad, zegt Duffy: sommige Heilige Vaders waren heiligen, sommigen waren zondaars, velen waren beide.

Saints & Sinners is een rijk boek, niet in de laatste plaats door de schat aan illustraties die Duffy aan zijn tekst heeft toegevoegd. Plaatjes, die hij voorziet van soms sympathieke onderschriften. Zo lezen we onder een reproductie van Raphaëls 'Leo X en zijn neven': 'De neef met de sluwe glimlach is Guilio de Medici, de toekomstige paus Clemens VII'. Bij het doek van dezelfde schilder uit 1511, waarop paus Julius II staat afgebeeld, schrijft Duffy: 'Geconterfeit tegen het eind van het leven van deze oude, felle paus, maar het onthult iets van de uitstraling die tijdgenoten vrees en afkeer inboezemden.' Duidelijk niet de woorden van een man die een rozenkrans van pauselijke heiligenlevens rijgt. Sympathiek ook is een fotootje van een attribuut dat naar mijn gevoel in geen pausengeschiedenis mag ontbreken, maar door devoter geschiedschrijvers zeker terzijde zou zijn geschoven: het potkacheltje.

Conclaaf

Het kiezen van een paus is een delicate zaak. Die verkiezing geschiedt formeel sinds 1241 in een vergadering van kardinalen, een conclaaf - letterlijk 'met een sleutel'. De paus wordt van oudsher als de plaatsvervanger van apostel en hemelpoortwachter Petrus beschouwd, de man met de sleutels. De arme kardinalen van 1241 - tien in dat jaar - leerden ook de schaduwzijde van de clavis kennen. Rome werd op dat moment bestuurd door een wereldlijk heerser, een zetbaas van de Siciliaanse keizer Frederik de Tweede. Die zetbaas hield niet van gedelibereer. Om de besluitvaardigheid te bevorderen sloot hij de tien prelaten op en zette gewapende soldaten voor de deur. 'Geen enkele kandidaat kreeg voldoende meerderheid en terwijl de bloedige hitte steeds heter werd, stroomden de primitieve toiletten over en stierf een kardinaal. In wanhoop nam men maar een theoloog op leeftijd: Celestinus IV. Hij overleefde zijn verkiezing echter slechts zeventien dagen, maar toen waren de doodsbenauwde kardinalen de stad al ontvlucht.' Met de nodige onderbrekingen is de verkiezingstraditie der pausen tegenwoordig nog steeds van kracht. De kardinalen sluiten zich op in de Sixtijnse kapel en laten door middel van rooksignalen merken of ze eruit zijn: bij zwarte rook discussiëren ze nog, witte rook laat aan de gespannen wachtende gelovigen zien dat er een nieuw geestelijk leider is aangewezen. Drie keer heb ik dat ritueel mogen volgen: bij de verkiezing van Paulus VI (1963), Johannes Paulus I (1978) en Johannes Paulus II (1978), drie keer vroeg ik me af waar die rook vandaan kwam. Het blijkt een allereenvoudigst potkacheltje te betreffen, bewaakt door twee leden van de Zwitserse Garde.

Phoenix

Een samenvatting van Duffy's buitengewoon heldere overzicht van tweeduizend jaar pausengeschiedenis is een vrijwel onmogelijke opgave. De gecompliceerde verhouding tussen het West- en Oost-Romeinse Rijk, tussen de leer van Rome en de vanuit Constantinopel geleide theologie, de eindeloze strijd der pausen voor een eigen territorium, de brekelijke banden die ze door de eeuwen heen met een stoet koningen en keizers aanknoopten, richtingenstrijd binnen de kerk tot en met tegenpausen (in 1409 waren er drie pausen in functie), Reformatie en Contrareformatie, de uiteenlopende karakters van al die Heilige Vaders (van minderbroeder, via soldaat tot in weelde badende Renaissanceprinsen), de voortdurend wisselende staat waarin Rome verkeerde, strijd om voedsel, om geld, om eerbied, om eenheid, om heiligheid. Een van de wonderlijkste constanten in al die jaren is wel de hardnekkigheid waarmee de Moederkerk, vaak tegen de verdrukking in, haar heilige reuk wist te behouden. Het Vaticaan is de vogel Phoenix der wereldgeschiedenis. Duffy constateert het niet zonder verbazing.

Als tenslotte het Vaticaans grondgebied is gereduceerd tot de huidige, nietige afmetingen, blijkt de macht van het geestelijke imperium groter dan ooit. Een anekdote uit de geschiedenis der pausen betreft het bezoek van de Franse vrijmetselaar Léon Taxil aan Leo XIII, pontifex van 1878 tot 1903 en de man die de in de negentiende eeuw benarde R.K.-kerk steviger dan ooit op haar phoenixpoten zette. Taxil was jarenlang een fel bestrijder van de kerk geweest, maar wendde in 1885 een bekering voor en schreef een boek waarin hij een gemystificeerde satanscultus onder logebroeders onthulde: Mémoires d'un Ex-Palladiste (1895).

Het Vaticaan doorzag het niet en was er erg gelukkig mee. Leo XIII verleende Taxil zelfs audiëntie, om later tot zijn ontsteltenis te vernemen dat hij erin was geluisd. Een voetnoot, deze anekdote. Duffy noemt Taxil niet, begrijpelijk vanuit zijn dubbelmilleniaanse perspectief. Een andere mystificatie noemt hij wel, nota bene afkomstig uit de Moederkerk zelf, van reusachtige betekenis en eeuwenlang grond voor pauselijke, territoriale aanspraken: de beruchte Donatie van Constantijn. Met die mystificatie keren we terug naar het jaar 750, toen het Byzantijnse Rijk (hoofdstad Constantinopel) zich in een staat van verkruimeling bevond. De paus van dienst - Stefanus II (752-757) - wendde zich, als zovele Heilige Vaders voor en na hem, tot de machtigste der machthebbers: Pepijn, de vader van Karel de Grote. Het belang was wederzijds. De hofmeier-vorst der Franken wilde kroon en familie door de paus officieel laten royaliseren. Zo kon het gebeuren dat de Frankische legers de jegens de paus vijandige Lombarden versloeg en wereldlijk vorst en kerkvorst elkaar in 754 ontmoetten. Het moet een wonderlijk tafereel zijn geweest voor wie de werkelijke verhoudingen kende, tekenend voor Pepijns behoefte aan erkenning. Duffy noemt het 'een daad van opzichtige nederigheid': de paus in het zadel, social climber Pepijn te voet en het paard aan de teugel leidend. Daarna was het gelijk oversteken.

De paus bond de Franken op het hart nooit een andere vorstelijke familie dan die van Pepijn te gehoorzamen, Pepijn schonk Stefanus het grondgebied (grof genomen langs de as Ravenna-Spoleto-Rome) dat meer dan duizend jaar pauselijk zou blijven. In Constantinopel klonk onmiddellijk protest. Wie was Pepijn wel, dat hij zo'n schenking (van Oost-Romeins grondgebied) meende te kunnen doen? Uit welke inktkoker de Donatie van Constantijn komt, het antwoord waarin het gelijk van de Frankenkoning wordt bekrachtigd, is onzeker. Wellicht was het Vaticaans van oorsprong, misschien ook afkomstig uit Pepijns hofhouding. Het stuk beweert dat Constantijn (de keizer die het christendom als cement van het Romeinse rijk beschouwde) dankzij de doop door de toenmalige paus Sylvester I (314-335) van lepra was genezen en uit dankbaarheid eerdergenoemd grondgebied aan de paus had geschonken. Pepijn had dus volgens de Donatie van Constantijn de paus slechts in oude eer en glorie hersteld.

Het is waarschijnlijk de hardnekkigste mystificatie uit de geschiedenis, deze Donatie van Constantijn, al duiken er nu en dan stemmen op die de authenticiteit ontkennen. Het Vaticaan had ook alle reden dit geschrift zorgvuldig te beschermen. Behalve een waarborg voor de Pauselijke Staat gaf het de achtereenvolgende kerkvorsten ook het recht in plaats van de bisschopsmijter een tiara op het hoofd te zetten, iets waarvan we de symboliek niet mogen onderschatten: de tijd dat de paus slechts bisschop van Rome was, mocht immers nooit terugkeren.

De Donatie van Constantijn leek pas in 1440 definitief onder het tekstkritisch oog van de humanist Lorenzo Valla te sneuvelen, die het terugbracht tot een achtste-eeuwse falsificatie. Maar nog was het niet gedaan. Het was de kunstlievende Clemens VII (1523-1534, door Eamon Dufy 'een rampzalige pontifex' genoemd, blind voor de kloof tussen pauselijke aanspraken en cold reality) die de glorie van de Donatie van Constantijn door Raphaël in een fresco liet vereeuwigen. Nummer 261

De Taxil-voetnoot die ik noemde laat zien dat onder wat Eamon Duffy in Saints & Sinners vertelt een onthutsende hoeveelheid verhalen ligt, te mooi om waar te zijn soms, maar te veel om te vertellen. En de geschiedenis rond de Donatie van Constantijn mag dan een belangrijke zijn, er is oneindig veel meer van belang. Ik maak een diepe buiging voor Duffy, omdat hij ondanks die zondvloed aan materiaal het hoofd boven water heeft gehouden en een pausengeschiedenis heeft geschreven die informatief, overzichtelijk, helder, geestig, navrant en menselijk is gebleven. De paus die in onze tijd op de Heilige Stoel zit is de tweehondereenenzestigste stedehouder van Christus en natuurlijk hebben niet al die stedehouders hun positie even lang bekleed - er zijn tijden geweest waarin het Vaticaan een doorgangshuis voor pontifexen leek - maar Duffy weet de meesten te typeren, naar hun eigen aard, naar de aard van hun Bestuur, wat niet zelden verschilde. Gevoelig is zijn portret van paus Paulus VI (1963-1978), een autocraat met lange tenen, maar hugely intelligent and deeply intuitive, voor wie de laatste jaren (sinds zijn gehoonde encycliek Humanae Vitae, waarin hij zich tegen geboortebeperking keerde) volgens Duffy een 'langzame kruisiging' betekenden. Aandoenlijk zijn de woorden die Duffy uit het aantekenschrift van de 78-jarige prelaat overnam: 'Hoe voel ik mij? Ben ik Hamlet of Don Quichote? Links? Rechts? Ik heb niet het gevoel dat ik begrepen ben.'

Eerherstel is er voor de gewraakte Pius XII (1939-1958), de paus die het Vaticaan zou hebben geschandvlekt door een pro-nazi houding. Duffy laat zien dat de weliswaar uiterst diplomatieke Pius alles heeft gedaan Joden te redden, met inzet van enorme fondsen, en verwijst de hypothese van een naoorlogse, Vaticaanse ontsnappingsroute voor oorlogsmisdadigers naar het rijk der fabelen. Over onze huidige, van oorsprong Poolse pontifex, de in zijn Barbiemobiel langs veld en beemd reizende, titanic energetic Johannes Paulus II, is Duffy aanmerkelijk minder te spreken. Hij noemt het 'een terugkijker' en suggereert pauselijk bijgeloof in verband met de aanslag op Woytila's leven in 1981 (kogelafwending door de Heilige Hand van O.L. Vrouwe van Fatima). Het woord 'rampzalig' duikt zelfs op, als het gaat over Johannes Paulus' tegendraadse benoemingsbeleid, orthodoxie en hiërarchisch denken.

Hoe het verder gaat, of we straks een Hamlet krijgen of een Don Quichote, een linkse of een rechtse plaatsvervanger van Petrus Sleutelhouder: het is in de flux of time, zegt Eamon Duffy. De laatste woorden van zijn eminente boek, op zeer passende wijze geïllustreerd: een foto van een allereenvoudigst potkacheltje, bewaakt door twee leden van de Zwitserse Garde.