Gemenebest 'goudmijn met enorme potentie'

Een van de grootste succesverhalen van het Britse buitenlandse beleid. Zo wordt het Gemenebest, dat vandaag in Edinburgh aan een topconferentie is begonnen, wel eens omschreven. Landen staan te dringen om lid te worden.

LONDEN, 24 OKT. De Gemenebestconferentie die vanmiddag in de Schotse hoofdstad Edinburgh is begonnen, doet op het Europese vasteland geen harten bonken. Maar Aziatische en Afrikaanse diplomaten in Londen noemen het 'Gemenebest van Naties', zoals de vrije associatie van onafhankelijke staten voluit heet, “een van de grootste succesverhalen van het Britse buitenlands beleid”. Landen staan te dringen om lid te mogen worden van de grootste mondiale multilaterale organisatie na de Verenigde Naties. En de vierdaagse bijeenkomst in Schotland moet “een keerpunt” worden in de historie van het bondgenootschap, verklaarde de Britse premier Tony Blair woensdagmiddag. Nadat de organisatie zes jaar geleden in Harare een aantal politieke uitgangspunten heeft omarmd, moet de top in Edinburgh maandag tot een economische beginselverklaring leiden, waarin vrijhandel en liberalisering met sociale rechtvaardigheid worden gecombineerd.

Niks makkelijker dan het Gemenebest af te doen als een relikwie uit het koloniale verleden, de larmoyante poging van een voormalige imperiale grootmacht om vroegere overzeese gebiedsdelen aan zich te binden, een anachronisme in de moderne tijd. En het is natuurlijk waar dat de organisatie van het Britse imperium afstamt, ook al willen veel lidstaten dat graag vergeten. Zelfs de naam dateert uit de hoogtijdagen van het Britse rijk. Canada was in 1867 de eerste Britse kolonie die onafhankelijk werd en Australië stond op het punt te volgen. 'Gemenebest van Naties' noemde de Britse politicus Lord Roseberry in 1884 het speciale verbond dat de 'dominions' voor altijd met het moederland verenigde.

'Britse Gemenebest' heette de organisatie aanvankelijk veelzeggend. Het verbond stond onder permanent voorzitterschap van Groot-Brittannië en werd ook door het Verenigd Koninkrijk gedomineerd. Alleen landen die de Britse vorst als staatshoofd erkenden, mochten meedoen. Een republiek kon niet als lid van het Gemenebest worden getolereerd.

Maar al die beperkingen zijn in de loop van het Britse dekolonisatieproces verdwenen. Sinds 1971 wordt de tweejaarlijkse Gemenebestconferentie bij voorkeur buiten Europa gehouden. De bijeenkomst in Edinburgh is de eerste in Groot-Brittannië sinds twintig jaar.

Andrew Porter, historicus aan het King's College in Londen, zegt dat het Gemenebest geen “anglo-centrische” organisatie meer is. De organisatie wordt niet zoals de Francophonie, de Franse versie van het Gemenebest, door het voormalige moederland gecontroleerd. Het Gemenebest is zelfs niet meer uitsluitend Engels, sinds de Portugese ex-kolonie Mozambique twee jaar geleden op voorspraak van de Zuid-Afrikaanse president Nelson Mandela werd toegelaten tot het verbond.

Volgens Porter beleeft het Gemenebest een tijd van ongekende bloei. Die renaissance steekt sterk af bij het aanhoudend getob in de jaren zestig, zeventig en tachtig. Eerst slaagde Groot-Brittannië erin om de 'blanke' lidstaten tegen zich in het harnas te jagen door het Gemenebest te verwaarlozen ten gunste van de Europese Gemeenschap. Daarna fungeerde Zuid-Afrika, dat zich al in 1961 uit het Gemenebest had teruggetrokken, jarenlang als splijtzwam. De Conservatieve Britse ex-premier Margaret Thatcher riep de toorn van de 'zwarte' lidstaten over zich af door de weinig diplomatieke wijze waarop ze sancties tegen Zuid-Afrika blokkeerde. Op de Gemenebestconferentie in Vancouver vergeleek ze het ANC, de huidige Zuid-Afrikaanse regeringspartij van Mandela, met de IRA, de Ierse terreurorganisatie.

Zo groot was in de jaren tachtig binnen het Gemenebest de frustratie over de als arrogant en onbuigzaam ervaren houding van Groot-Brittannië dat werd overwogen om het secretariaat van Londen naar Toronto te verplaatsen. Maar de organisatie overleefde alle stormen. Nadat de apartheid was bezworen, keerde Zuid-Afrika in 1994 onmiddellijk terug in de schoot van het Gemenebest. Inmiddels is in Londen het besef doorgedrongen dat het Gemenebest een belangrijke aanvulling vormt op het lidmaatschap van de Europese Unie en de Atlantische allianties.

Het aantal lidstaten is sinds 1965 met 150 procent gegroeid tot 53. Het Gemenebest beslaat een kwart van de wereldbevolking en is goed voor eenvijfde van de wereldhandel. Twaalf van de twintig snelst groeiende economieën ter wereld maken deel van het bondgenootschap uit.

Misschien verklaren omvang, gemêleerdheid en geografische spreiding voor een deel de aantrekkingskracht van de organisatie. Jemen en Rwanda willen lid worden. Ook Ethiopië en de Palestijnse staat hebben belangstelling getoond. Maar grootste troef van het Gemenebest is volgens Peter Lyon, hoofd van het Institute of Commonwealth Studies van de London University, de formule van de organisatie. Beslissingen worden bij consensus genomen, niet na stemming. Lyon roemt het ontspannen, niet-bedreigende karakter van de internationale samenwerking.

Gemenebestconferenties laten ook veel ruimte voor informele contacten tussen de regeringsleiders. Daardoor heeft het Gemenebest zich voor kleine landen ontpopt tot belangrijkste internationale forum, zegt Lyon, belangrijker dan de pompeuze Verenigde Naties waar hun gefluister verloren gaat in het geschreeuw van de grote naties. In Schotland kunnen de premiers van het Caraïbische St Kitts and Nevis en het Zuidzee-eiland Tonga zich rechtstreeks tot hun ambtgenoten uit Canada en Australië wenden. Dat maakt de organisatie bij uitstek geschikt om te lobbyen en te netwerken, wat in het verleden al herhaaldelijk tot onwaarschijnlijke politieke en economische allianties geleid heeft. Don McKinnon, minister van Buitenlandse Zaken en Handel van Nieuw Zeeland omschreef het Gemenebest nog onlangs als een goudmijn “met een enorme potentie die door de lidstaten nog niet voldoende wordt onderkend”.