Geen kruisiging maar versterving

Jim Crace: Quarantine. Viking, 242 blz. ƒ 54,55. (Ook als Penguinpocket, ƒ 22,15)

Het is even schrikken in hoofdstuk zes van Jim Craces boek Quarantine. Plotseling wordt daar een figuur geïntroduceerd die je niet zo gauw verwachten zou in het werk van een verklaarde socialist en atheïst. Crace beschrijft een reiziger die door de woestijn trekt, een enigszins vrouwelijk type, in werkelijkheid waarschijnlijk jonger dan hij eruit ziet, en met een loop als een kat: vanuit de heupen. Eerst zet hij zijn tenen neer en pas dan raakt de rest van zijn voet de grond. De naam van de man, zo lezen we na een pagina, is Jezus. Hij is afkomstig uit de koelere landbouwstreken in het noorden van het land: Galilea.

Heeft nu ook Jim Crace al een klap van de molen gehad, zo was mijn eerste reactie. Wordt Quarantine de zoveelste religieuze roman van dit onzekere decennium?

In de vijf eerste hoofdstukken van het boek is daarvan nog maar weinig te merken. De roman begint met de krachtige beschrijving van de moeizame tocht die een echtpaar door de hitte van de woestijn maakt. Zij een tanige, sterke vrouw en zwanger, hij een geslepen koopman in zijn nadagen en doodziek. Met veel inlevingsvermogen roept Crace in deze hoofdstukken de ontberingen op waaraan de twee zijn blootgesteld: de slangen, de schorpioenen, doornige struiken, hagedissen, insecten, vogels. Crace is altijd een meester in het beschrijven van de woeste natuur geweest.

Wat doet dit religieuze element dan in een roman van Crace? Tot nu toe liet hij zich kennen als een auteur met een grote sociale belangstelling. Hij schreef over eenlingen die zich in een veranderende maatschappij staande probeerden te houden. In zijn tweede boek The Gift of Stones (1988), dat in zijn beschrijving van het barre, onbewerkte land aan Quarantine verwant is, beschreef hij bijvoorbeeld een prehistorische samenleving die op het punt staat het bronzen tijdperk binnen te gaan. De steenhouwers die van vuursteen dodelijke pijlpunten konden maken, raken hun monopolie kwijt omdat hun ambacht verouderd is. Op dat moment neemt een verhalenverteller - waarin we het symbool voor de schrijver kunnen zien - hun vooraanstaande positie over.

Het vervolg van Quarantine, waarin ook weer een verteller op de voorgrond treedt, maakt het echter onwaarschijnlijk dat Crace nu ook plotseling tot het geloof bekeerd is. De Jezus in zijn boek blijkt een heel andere functie te hebben dan die in de Bijbel. Hij is een sterveling met een mystieke inslag, op wie de mensen in zijn omgeving hun religieuze gevoelens projecteren. Niet meer dan dat.

Als je het boek goed leest, zie je dat Jezus nergens ondubbelzinnig bovenmenselijk wordt. De Galileeër, zoals hij meestal wordt genoemd, of kortweg Gally, is op zoek naar een plaats om zich veertig dagen terug te trekken, net zoals in de Bijbel wordt beschreven. Zijn tas, zijn waterzak, zijn sandalen en zijn stok heeft hij bij een boer achtergelaten, en hij gaat in religieuze quarantaine. Veertig dagen lang zal hij geen vocht en geen voedsel tot zich nemen, om zo, naar hij hoopt, god (bij Crace met een kleine letter) te ontmoeten, of anders om te sterven. God, zo is zijn verwachting, zal hem eten en drinken geven, of anders de duivel zijn werk laten doen. Het wordt, schrijft Crace, een test voor alle drie.

De test valt, tegen het einde van het verhaal, in het nadeel van god uit. Jezus komt, anders dan in het Evangelie, om van de honger. Hij versterft. Hij krijgt een graf in een holte in de berg. Een paar andere kluizenaars die zich niet zo streng aan de regels van de quarantaine houden en de ontberingen daarom wel doorstaan, begraven hem, geholpen door de twee reizigers met wie het boek begon. Bij Crace wordt dat meteen een prachtige scène. Er worden stenen gelegd in de holte waar ten slotte dramatisch een steen wordt voorgeschoven. Niets kruisiging en hemelvaart. Gewoon gestorven na een te lang volgehouden hongerstaking.

Veelzeggend voor Craces bedoelingen is dat zijn Jezus gedurende het hele boek nooit veel meer dan een bijfiguur is. Zeker zo belangrijk voor het verhaal zijn de andere kluizenaars in de andere grotten en het echtpaar waarvan de man zo ziek was. Aan het begin van het boek loopt Jezus hun tent binnen, waarna de koopman, o wonder, snel beter wordt. De man - die in de parabel die het boek is voor de duivel zou kunnen staan, 'het kwaad' of misschien ook wel de kerk - denkt dat hij door Jezus genezen is en besluit uit de aanwezigheid van zoveel kluizenaars een slaatje te slaan. Hij richt een markt voor hen in, en vraagt huur voor het gebruik van de holen en de bron waar ze water halen.

In de kluizenaars uit het boek zou je de verschillende soorten gelovigen die op deze aarde rondlopen kunnen zien. Er is een vrouw bij die door haar man verstoten is omdat ze geen kinderen kreeg, een brabbelende mysticus met wilde henna-haren, een kankerpatiënt. Afgezien van Jezus, vasten zij gematigd, alleen tussen zonsopgang en zonsondergang, in de hoop op verlossing en genezing.

Een groot deel van het boek gaat over hun alledaagse wederwaardigheden en gesprekken. Een van de meest komische stukken beschrijft hoe de koopman de vermeende helende kracht van Jezus probeert te exploiteren. Elders krijgt hij de gelegenheid om zijn theorieën over het vertellen en verbeelden te ventileren. Veder is hij vooral lui, gierig en geil. Op een nacht besluit hij zich op beestachtige wijze te vergrijpen aan de vrouwelijke kluizenaar die in haar grot om vruchtbaarheid bidt.

De enige in de roman die overal buiten blijft is Jezus. Hij blijft dag en nacht in zijn hooggelegen grot en laat hongerend alle ver- en afleidingen aan zich voorbij gaan.

Voorin het boek staat als motto een - echt of gefingeerd - citaat van de wetenschappelijke onderzoekers Winward en Soule. Zij melden daarin dat een mens niet langer dan dertig dagen zonder eten en drinken kan. Na 25 dagen raakt hij doorgaans al buiten bewustzijn. De veertig dagen waarover in religieuze teksten wordt gesproken, zo schrijven zij, zijn dan ook onmogelijk, 'zo lang er geen goddelijke hulp' is. Maar daarover laten de bronnen zich niet uit, voegen ze er aan toe, 'terwijl de medische wetenschap zich er zelfs tegen verzet'.

Quarantine, dat dit jaar genomineerd werd voor de Bookerprijs, is een boek met een aangename, ingehouden hilariteit. Het komt wat traag op gang, maar ben je eenmaal over de helft, dan heeft het je zo goed in zijn greep dat je door blijft lezen. Crace laat zien hoe mensen om allerlei persoonlijke redenen in iets geloven kunnen. Zo lang ze zich er maar van bewust zijn dat het uiteindelijk bijgeloof is, en zolang ze zich maar niet door handige charlatans laten uitzuigen of op sleeptouw nemen, is dat niet zo erg. Maar er moet wel iemand zijn, een verteller, die af en toe laat zien dat bijgeloof bijgeloof is. Zo iemand is Crace.

Het mooist wordt de troost die van het geloof kan uitgaan misschien wel geïllustreerd door de onvruchtbare vrouw die zo wreed door de geile koopman is verkracht. Aan het slot van het boek koestert ze de illusie dat ze zich de nacht dat ze verkracht is - na zijn dood - met de wonderbare genezer uit Galilea verenigd heeft.

Voor het kind, als dat ervan komt, is dat waarschijnlijk ook maar het beste. Liever een onbevlekte ontvangenis dan een kind te krijgen van een liefdeloze verkrachter.