Franse helden zijn niet aardig; De acteur Francis Huster over Cyrano en de Comédie Française

De populaire Franse acteur Francis Huster speelt een nieuwe Cyrano de Bergerac, die minder heldhaftig is dan de traditie wil en niet van Roxane houdt. President Chirac heeft Huster gevraagd directeur te worden van de Comédie Française. “De koers moet radicaal veranderen. De Comédie moet heel Europa in, moet van heel Europa zijn.”

Cyrano de Bergerac, Théâtre National de Chaillot, tel 01.53.65.30.00, Parijs, métro Trocadéro, tot en met 31 januari 1998. Cyrano, A la recherche du nez perdu, door Francis Huster, uitg. Ramsay, 1997.

“Alsof je schaatst zoals dertig jaar geleden”, zegt Francis Huster om aan te duiden hoe de Comédie Française, waar hij misschien directeur wordt, toneel speelt. Hij maakt regelmatig vergelijkingen tussen Dennis Bergkamp en Cyrano de Bergerac, leven en schaken, Hamlet en hardlopen. Toneel en sport zijn nu eenmaal de passies die hij permanent dient, al rekende een gebroken been op zijn vijftiende vroegtijdig af met zijn ambitie aanvoerder te worden van het Franse voetbalelftal.

Het voordeel van acteurs is dat zij meer tijd hebben om te rijpen. Francis Huster staat nu, een halve eeuw oud, als acteur op het hoogtepunt van zijn roem. En op een tweesprong. Hij is de Cyrano van het decennium, honderd jaar nadat Edmond Rostands drama over de schermende dichter met de lachwekkende neus in première ging. Terwijl hij zich in de rol had gestort vroeg president Chirac Francis Huster, zijn mede-supporter bij Paris Saint-Germain, om de leiding op zich te nemen van de nationale Comédie Française.

Francis Huster is in Frankrijk een populair acteur, bekend van dertig jaar glansrollen op het toneel en in tientallen (tv-)films. Hij speelde in zes Claude Lelouch-films, en onder regie van mensen als Jacques Demy, Jeanne Moreau, Elie Chouraqui en Andrej Zulawski. Hij vierde theatertriomfen in Le Cid van Corneille en Lorenzaccio van De Musset (in de tv-registratie van Franco Zeffirelli in '77 een Europees tv-succes). Vorig jaar redde hij filmacteur Alain Delon op het toneel in de succesvolle Variations Enigmatiques van Eric-Emmanuel Schmitt.

Universeel geliefd is Huster met dat alles nog niet. Hij choqueert, zegt onhandige dingen volgens sommigen, neemt geen blad voor de mond volgens anderen. Hij mijdt te vaak het knusse theaterwereldje. Maar niemand zegt dat hij niet kan acteren, integendeel, zijn ingehouden bravoure in klassieke toneelrollen èn zijn jeugdige brille op het filmdoek hebben hem bijnamen bezorgd als 'de opvolger van Gérard Philipe' (de vroeg overleden ster van onder andere Fanfan la Tulipe) en 'de zoon van Jean-Louis Barrault' (jarenlang één der groten van het Franse toneel, de held in de legendarische film Les Enfants du Paradis).

Sinds begin deze maand staat Francis Huster avond aan avond (met zijn vrouw Cristiana Reali als Roxane) op het immense toneel in het Théâtre de Chaillot in Parijs om een nieuwe Cyrano tot leven te brengen. Minder heldhaftig dan de traditie wil, een Cyrano die luistert en gevoelig is voor zijn omgeving, maar allerminst slachtoffer is van de maatschappij. In de regie van Jerôme Savary speelt Huster een Cyrano die in weerwil van de tekst “niet van Roxane houdt”, “een leugenaar die de waarheid zegt”.

Huster: “Vroeger heb ik de meeste bijrollen in Cyrano de Bergerac wel gespeeld. Die voorstellingen waren magnifiek, maar ze leken nooit op het stuk dat ik had gelezen. Het was meeslepend, zoals de Marseillaise meeslepend kan zijn, als strijdlied - het Franse volkslied is een zeldzaam wreed, gemeen, bloederig oorlogslied. Ik dacht toen: deze Cyrano zal ik nooit zijn. Ik begrijp niet dat men 't niet eerder heeft gezien hoe je hem moet spelen: vijftig procent man, vijftig procent vrouw. Net als Hamlet. In het evenwicht tussen die twee helften schuilt in ieder van ons de artistieke waarheid. Ik ben niet homoseksueel maar ik weet dat ik alleen kan spelen als ik zon én maan kan zijn. Hamlet en Cyrano zijn in dat opzicht de enige werkelijk complete, menselijke rollen in het repertoire. Cyrano is vader en moeder tegelijk, man en vrouw, en kind. Daarom loopt de hele wereld nog steeds warm voor het personage.” Volgens Huster lijden beide helden onder de uitzonderlijke 'zwakte' zichzelf te kunnen waarnemen. Met een verschil: “Hamlet stelt vragen, Cyrano geeft alleen maar antwoorden.”

Vrouwen

Beide rollen ziet hij over honderd jaar door vrouwen gespeeld worden. “Mannen hechten meer aan visuele impressies. Zij zullen deze rollen niet meer willen en kunnen spelen. Vrouwen zullen steeds meer dramatische toneelrollen overnemen, zij luisteren veel beter, zij beschikken meer over de vereiste gevoeligheid. Mannelijke regisseurs domineren toneel en film te veel, zij prefereren de gevoeligheid van het oog boven de diepte van de ziel.”

Hoe sober hij zijn honderd jaar oude held ook opvat, niet alles is anders. Huster vindt Cyrano de Bergerac nog steeds 'helaas' erg Frans. “Het is een trots en verwaand stuk, net als de grootste helden van Frankrijk, die in wezen buitengewoon tegenstrijdig zijn. Frankrijk adoreert Lodewijk XIV - de Zonnekoning, maar wat een armoede in zijn tijd -, Napoleon - die het fundament legde van politieke grootheid, de revolutie en veel bloedvergieten -, en Charles de Gaulle - symbool van verzet en bevrijding, maar ook van het gevaar van een republikeinse monarchie. Zij werden allen bemind en gevreesd. Cyrano is ook zo'n Franse held. Het lijkt of hij slachtoffer is, maar in feite rekent hij genadeloos af met Roxane's aanbidders De Guiche en Christian. Zelfs Roxane is slachtoffer van zijn egoïsme. Cyrano is een monster, een echte Franse held, net als Valjean in Les Misérables, die tegen iedere prijs tot de grenzen van zijn wraak gaat. Echte Franse helden zijn niet aardig.”

“Ook de constructie van Cyrano is typerend, net Frans eten waarin geen enkele keus mogelijk is. Je moet een apéritif drinken, dan een voorgerecht en een zware hoofdschotel, met vlees en groenten, een kaasje, toetjes, een stevige slok, koffie en een slaapmutsje. Dat is exact de Franse mentaliteit. Alles moet totaal zijn, heel anders dan de fijnzinnigheid en vingervlugheid van een Tsjechov. Zijn stukken kunnen dinsdagavond beginnen en donderdagochtend eindigen. Franse stukken lopen van maandagochtend tot en met zondagavond, anders is het niet af. Dat geeft aan dit stuk een klassiek karakter, iets definitief belegens en van een voorbije tijd, zonder moderne invalshoek. Daarom heb ik me voor honderd procent in Savary's project gestort. In zijn handen lost het stuk op in iets nieuws.”

Hoe zou u Cyrano bij de Comédie Française hebben gespeeld als u het voor het zeggen had?

“Ik zou het zo niet bij de Comédie hebben kunnen spelen. Zij hebben het al dertig jaar niet gedaan. De Comédie Française is al dertig jaar op zoek naar een groep die tegelijk jong, moedig en vernieuwend is. Cyrano hebben ze altijd behandeld als een koddig soort grap uit de oude doos, gebak met slagroom. Geen karakterstuk. Cyrano is alleen te transformeren door het buiten de Comédie Française te spelen.”

Dat gaat veranderen als u terugkeert naar de Comédie Française, waar u tien jaar vast als speler en regisseur aan verbonden bent geweest?

“Ik hoop het. Ik verwacht dat deze Cyrano de aandacht zal trekken. Net zoiets als de Vrek van Molière, eind jaren zestig door Jean-Pierre Roussillon geregisseerd bij de Comédie, gekraakt door de kritiek, maar onmiddellijk geliefd bij het publiek. Het was een schandaal en een doorbraak. De Vrek was nooit als wreed drama gespeeld met een jonge hoofdrol. Het is een ijkpunt geworden. Sindsdien speelt iedereen in Frankrijk Molière als serieuze toneelschrijver.”

Napoleon

Huster, die tien jaar bij de groep van Madeleine Renaud en Jean-Louis Barrault speelde, sindsdien in vrije produkties optreedt en sinds een paar jaar zijn eigen Compagnie Francis Huster leidt, broedt op zijn toekomst. “Zelf sta ik nu op een punt waar ik me afvraag voor wie ik het allemaal doe. Ik heb negentig procent van alle grote rollen gespeeld. Deze Cyrano kost me een jaar van mijn leven, zes maanden voorbereiden, zes maanden spelen, en misschien nog zes maanden bekomen. Ik realiseer me dat er in je leven een moment komt waarop je niet meer alleen verder kan. Net als Napoleon zeg ik tegen me zelf: mijn rol is niet in de veldslag maar in de leiding daarvan. Als ik niet accepteer dat ik op het witte paard zit en de slag leid, dan is alles wat ik tot nu toe heb gedaan zinloos.”

Wat wilt u doen om de Comédie Française naar uw hand te zetten, deze vuurtoren in het Franse toneellandschap?

“Haar doven. Het licht moet niet van de vuurtoren komen maar de toren verlichten. De wedstrijd kan niet doorgaan als de tegenspeler er niet is, en dat is het publiek. De Comédie Française spreekt de taal van het publiek niet. De gezelschappen van Vilar in Chaillot en Renaud en Barrault hadden destijds een eigen publiek. De briljante, eclatante, luxueuze Comédie Française van de jaren vijftig, zestig, zeventig, die behoort tot het verleden, haar publiek bestaat niet meer.”

Wilt u andere stukken vinden, of een andere manier van spelen?

“Ik wil een ander publiek vinden, andere zalen en een ander repertoire - ik geloof niet in de tweederangs stukken van eersteklas schrijvers. Je moet alleen de beste stukken spelen, al is het voor de vijftigste keer, in de best mogelijke regie. De Comédie Française kan niet alleen maar voor en in Parijs blijven, ook al heeft de staat geen cent over voor tournées door het land, even onmogelijk als een voetbalelftal dat alleen maar thuiswedstrijden speelt. Het is een fantastische groep acteurs en actrices, maar de koers moet radicaal veranderen. De Comédie moet heel Europa in, moet van heel Europa zijn. Iedere dag moet overal in Europa de Comédie spelen. Zoals er op allerlei plaatsen Engels, Duits en Italiaans toneel wordt gespeeld, moet er over vijftig jaar in iedere Europese hoofdstad een Comédie Française-zaal zijn. Daarin zullen vanzelfsprekend Europese regisseurs en acteurs werken, waarom zouden dat alleen Fransen zijn? De huidige Comédie Française zit nog in een negentiende-eeuwse opzet. Dat ligt niet aan de leiding, recente directies hebben het schip knap varend gehouden. De staat heeft de Comédie gewoon laten stikken, als een bastaardkind behandeld. Lodewijk XIV gaf al de voorkeur aan Lully boven Molière. Nu heeft men een hooghartige opera gebouwd, en een immens Stade de France, maar de Comédie heeft nog nooit een eigen, voor haar gebouwde zaal gehad. Men vond dat zij een museum moest zijn en geen huis van de toekomst. De Comédie Française moet volkomen openbarsten. Als de stijl van spelen niet mee explodeert is het een gemiste kans.”

Francis Huster had voor 13 oktober maar één verplichting in zijn agenda staan, met een stevige cirkel er omheen: 'Mijn beslissing nemen'. Hij moest vóór 15 oktober antwoorden of hij de uitnodiging aannam de Comédie Française te gaan leiden. Sindsdien is het stil. Huster ligt overdag met griep in bed, 's avonds bestrijdt hij met alle 'panache' die Cyrano eigen is 'leugen, vooroordelen, lafheid'. Het blijft nog even afwachten of Frankrijk zo veel durf en zwier in de Comédie Française aankan.