Er is niets anders dan het leven; De doorgezaagde dieren van Damien Hirst

Kunst moet over het leven gaan, vindt Damien Hirst, en het leven staat in het teken van de dood. Dat lijkt cynisch, maar is het waarschijnlijk niet. Het lichaam moet nu eenmaal sterven en Hirst bezweert in zijn kunst zijn angst voor dat onherroepelijke eind. “Voor alle duidelijkheid: Hirst houdt van het leven.”

Damien Hirst: I want to spend the rest of my life everywhere, with everyone, one to one, always, forever, now. Uitg. Booth-Clibborn, 334 blz. Prijs ƒ 226,75.

Op de foto waar de Royal Academy in Londen een ansichtkaart van heeft gemaakt, staat hij er als een kwajongen bij: handen weggefrommeld in een jack, blote kuiten onder een halflange broek, verlegen voeten in hoge veterschoenen. Zijn blik is ongemakkelijk en brutaal tegelijk, alsof hij kattenkwaad heeft uitgehaald waar de vredige koeien in de wei achter hem nog niets van vermoeden. Dat is maar goed ook, want zijn naam is Damien Hirst en hij maakt kunst met door midden gezaagde koeien, schapen en varkens op sterk water.

Hirst, geboren in 1965, woont in Londen en is daar een omstreden kunstenaar én de held van zijn generatie. Ieder kunst- en pop-blad in Engeland heeft wel een interview met hem gmaakt of foto's aan zijn werk gewijd, zeker nu zijn werk de spil vormt van Sensation, een grote tentoonstelling in de Royal Academy die gewijd is aan de jongste Britse kunst en die volledig is samengesteld uit het bezit van kunstverzamelaar en reclameman Charles Saatchi. Zijn roem wordt vaak vergeleken met die van David Hockney, de culturele trots van Groot Brittanië in de jaren zestig, maar die vergelijking is geforceerd. Hockney is wel een populaire, maar geen baanbrekende schilder geweest, zijn werk voegde zich naar wat in die tijd door anderen in gang was gezet. Hirst voegt zich niet naar de tijdgeest, hij maakt hem. In zijn werk en in de artistieke scene om zijn persoon heen kristalliseert zich uit wat eerder in de Britse kunst geen heldere vorm kon vinden, iets wat misschien wel een eigen kracht had, maar toch te geïsoleerd of versnipperd bleef om echt een vuist te kunnen maken. Het is een behoefte de werkelijkheid op de huid te zitten, een behoefte die bij hem de gestalte heeft gekregen van een ongezouten realisme, het realisme van de slager: een koe is runderlappen, pens en biefstuk.

Met dat realisme gaat Hirst de wereld te lijf. 'Kunst gaat over het leven en het kan ook niet over iets anders gaan... er is niets anders', zegt hij in het boek dat hij recentelijk over zijn werk heeft uitgebracht. Het heeft een lange, cryptische titel: I want to spend the rest of my life everywhere, with everyone, one to one, always, forever, now. Het is groot en zwaar als een Bos-atlas en het staat vol met foto's, pop-up figuren, trek- en plakplaatjes en citaten uit interviews. Het is Hirst's commentaar op zijn eigen werk in de vorm van een spelletjesboek. Hij lijkt er zijn kunst mee te willen relativeren en in zekere zin is dat begrijpelijk. Kunst mag dan wel over het leven gaan, voor Hirst staat dat leven in het teken van maar een enkel ding: de dood. Daar kun je maar beter niet al te dramatisch over doen.

Anderen

De dood is een gat, en zelfs dat niet. Wij kunnen ons de dood alleen voorstellen door er beelden van te maken, angstaanjagende of troostrijke, en dan nog blijft het gevoel dat Marcel Duchamp eens treffend heeft verwoord: 'Het zijn altijd de anderen die sterven'. Onze eigen dood is onvoorstelbaar. De beleving ervan laat zich niet meedelen en mogelijk is dat een van de redenen waarom de dood in onze cultuur algemeen als zinloos wordt ervaren. Die zinloosheid wordt door Hirst breed uitgemeten, het treffendst in A Thousand Years, een werk over het geboren worden en sterven van duizenden vliegen.

Ze zien het licht in een kleine kubus met gaten die in een vier meter lange en twee meter hoge, glazen kast staat. Via een gat in een glazen tussenschot komen ze bij hun voedselbron, een bloederige koeienkop. Die kop lijkt hier, naast het zich voortplanten, hun enige reden van bestaan. Tegelijk is hij de oorzaak van hun sterven, want boven zijn stinkende vlees wacht, verleidelijk warm en blauw gloeiend, een electrische vliegendoder.

Het is, in mijn ogen althans, een cynisch werk. Niet zozeer doordat de vliegen de eindeloze cyclus van geboorte, voortplanting en sterven draaien, want dan zou je iedere vorm van leven cynisch kunnen noemen, maar doordat die cyclus geen andere kleur heeft dan die van rottend vlees. De vliegen kunnen niet anders dan dit traject afleggen. Ze leiden het een-dimensionale bestaan van dieren in de bio-industrie.

Toch denk ik niet dat Hirst het cynisch bedoeld heeft, of dat hij zijn morele verontwaardiging heeft willen luchten. Hij heeft een beeld gemaakt van wat hij als de essentie van het leven ziet, het leven van vliegen even goed als dat van ons. Wat hij ziet is een mechaniek dat lijf heet. Het sterven van het lijf hoort bij het mechanische proces.

Hirst vertegenwoordigt met A Thousand Years een opvatting die je alom in onze cultuur en wetenschap aantreft ('Ik ben een mechanist', zei schrijver en wetenschapper Hugo Brandt Corstius deze zomer in Zomergasten, 'ik geloof niet in de ziel.'). Evenzo vormt het werk de opmaat naar een obsessie die het hele oeuvre van Hirst én onze samenleving doortrekt. Die obsessie hangt met het lichaam samen en met het sterven dat onherroepelijk het lichaam van ieder van ons treft. De manieren waarop Hirst zijn angst ervoor probeert te bezweren, vind je alom in de media, de film en de gedragspatronen terug.

Neem de intro van zijn boek, een foto van het interieur van een ambulance-auto. Als in een film kondigt hij drama aan, waarna de spanning wordt opgevoerd met een foto van snijtafels. Er zijn van doodsgevoel doortrokken citaten overheen gedrukt van V.S. Naipaul, Samuel Beckett en de zanger Van Morrison, gevolgd door een essay over Hirst's oeuvre getiteld Is mr. Death in? Een foto van een lief lachend baasje komt nu in beeld, de kleine mr. Death. 'Dus u bent helemaal niet religieus?' staat erbij als citaat uit een interview. En mr. Death antwoordt: 'Waarschijnlijk niet.'

Pistool

Mr. Death heeft ook iets over de dood te zeggen. Op het soort For your safety-kaarten dat in hotels vertelt hoe te handelen bij brand, staat onder de noemer do it in zes punten vermeld wat je wel en niet moet doen als je zelfmoord wilt plegen met een pistool: niet door de slaap, de keel of het voorhoofd schieten, want dat beschadigt wel, maar doodt niet per se. Absolute zekerheid biedt alleen het van bovenaf recht door de hersens knallen.

Voor alle duidelijkheid: Hirst houdt van het leven. “Maar ik vind dat zelfmoord de beste manier is om met het leven om te gaan”, staat bovenaan de kaart. “De moeilijkheid van het leven is dat je niet weet wanneer je zult sterven, en met zelfmoord bepaal je je eigen stervensuur. Je kunt zeggen: op dit punt wil ik dat het ophoudt. Je snijdt het onbekende element weg.”

Safety first, maar het kan verkeren, getuige de daarop volgende zwarte pagina's met foto's van zware verwondingen die tot de dood hebben geleid. Ze lijken in hun zorgvuldige belichting en uitkadering op de dood-door-geweld foto's van Andres Serrano, maar de pseudo-zakelijke, gedetailleerde uitleg maakt er het soort foto's van dat sensatiebladen graag publiceren. Zo wijst de tekst bij het bloederige, oogloze gezicht van een man die zich door de kin heeft geschoten op de zwarte randen van de wond op de plek waar het pistool werd afgevuurd en op de rijtwonden in het gezicht die typisch zijn voor dit soort schoten. Net als bij de hersenoperaties op de tv worden we hier ingewijd in de verschrikkelijke geheimen van de medische wetenschap. En in de lugubere aanblik van lichamelijke kwetsbaarheid.

De foto's horen bij een installatie van Hirst die veel weg heeft van een behandelkamer: kasten en tafels met incisie-instrumenten, verbandgaas en plastic opvangbakjes. Hij dateert uit 1991 en hoort bij een hele serie installaties die allemaal met de medische wetenschap te maken hebben. Het zijn voornamelijk kasten vol dozen en potten met pillen voor allerhande kwalen. Titels als: God; No Feelings en I wanna be me proberen waarschijnlijk om een glimlach los te weken, maar dat lukt niet erg. De apothekerskasten blijven het symbool van een nachtmerrie-achtig onvermogen.

Het lichaam heeft zijn eigen wetten en het verstand heeft zijn angst daarvoor. Zo herinnert Hirst zich zijn ontzetting toen hij zich realiseerde dat hij alleen maar met zijn ogen kon kijken: “Two little fucking holes. I got really terrified by it. I'm kind of trapped inside with these two little things to see out of.” Je kunt het poëtischer zeggen, maar duidelijker niet.

Hirst lijkt zijn angst te willen bezweren met een hoop bravoure. Grappen en stoer gedrag moeten zijn obsessie communicabel maken. Want dat is wat hij wil: meedelen dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten. De vissen van Isolated Elements Swimming in the Same Direction for the Purpose of Understanding symboliseren dat op een sardonische manier. Ze zitten elk in een op maat gemaakt glazen kistje met sterk water en staan op glazen planken in een kast. Hun koppen wijzen allemaal dezelfde kant zodat ze achter elkaar aan lijken te zwemmen, ieder opgesloten in zijn eigen wereld, onbegrijpelijk voor elkaar.

Hirst wil ook een zo groot mogelijk publiek bereiken. Het kunstcircuit alleen interesseert hem niet. Kunst is sowieso een vraagteken voor hem. Het hele boek door tref je opmerkingen aan die op z'n zachtst gezegd van een gespannen verhouding met de kunst en het kunstenaarschap getuigen. Een zo'n opmerking is: “I am interested in realism. I want art to be life but it can never be”, een verzuchting die je natuurlijk alleen van een kunstenaar zult horen. Hirst denkt als een kunstenaar, hij wil er ook een zijn, maar dan wel een die gangbare kunstopvattingen door de wc spoelt. Kunst kan voor hem net zo goed een advertentie zijn of een bioscoopfilm en beide heeft hij ook gemaakt. De film was een flop. De suspense rond een man die ongewild de dood veroorzaakt van ieder die met hem in aanraking komt, wilde maar geen echte suspense worden. Maar de advertenties waren raak. Er verschenen ingezonden brieven in de krant of dit nu kunst was, en daarmee was de aloude discussie die de kunst bij de tijd houdt, weer jong en fris.

Een zo'n advertentie, of beter zo'n fotopublikatie (verschenen in Esquire), staat in het boek. Het zijn drie zachtrose, double spread foto's getiteld Cutting Ahead. Wie de beul is (of de beul speelt) en wie zijn head verliest, wordt als een vette grap aangekondigd. Op het eerste paar staat links, keurig gekleed in een zwart pak met stropdas, Damien Hirst. Hij houdt triomfantelijk een kettingzaag omhoog, het instrument van tuinman, abattoirknecht en seriemoordenaar. Rechts van hem, de ogen stijf dicht, prijkt een varkenskop. Het varken moet net geslacht zijn, want als de zaag op de volgende foto de kop overlangs doorklieft, gulpt het bloed over zijn snuit en achter hem op de grond. Tot slot volgt waar het allemaal om begonnen moet zijn: een vrijelijk uitzicht op de linker- en rechterkant van hersenen, oogbal, tong, tanden, het vlees en de botten.

Als dit geen kunst is, wat is het dan wel? Ik heb, de Benetton-reclame ten spijt, nog geen commerciële fotografie gezien die een zelfde cocktail van weerzin, schaamte en ontroering oproept als dit werk van Hirst. Ik heb, de Benetton-reclame ten spijt, nog geen commerciële fotografie gezien die een zelfde cocktail van weerzin, schaamte en ontroering oproept als dit werk van Hirst. Weerzin vanwege de hilarische ondertoon: stoere Hirst klaart de klus in z'n nette pak. Schaamte omdat de twee, van een getatoeëerd nummer voorziene kophelften er ondanks de tanden uitzien als misplaatste karbonades. En ontroering omdat het varken op het laatste tweeluik alles is ontstegen en een vanitas is geworden. Helder en zonder pathetiek wordt het weergaloos gecompliceerde mechaniek getoond dat het beest deed leven, en dat niet eens zoveel verschilt van dat van ons.

Belangwekkend

Dat tonen is het sterke punt van Hirst, het punt dat hem in mijn ogen tot een belangwekkend kunstenaar maakt. Daarbij heb ik het niet zozeer over zijn simpele, op effect gerichte aanpak, want daar hoef je geen kunstenaar voor te zijn, maar over het moeten dat achter dat tonen zit. Steeds weer zie je hoe hij een vorm zoekt die kernachtig naar voren brengt wat hem ononderbroken bezig houdt: de dood in het leven. Dat verbindt alles wat hij maakt aan elkaar. Dat is wat zijn werk persoonlijk maakt, en herkenbaar.

Die kern vindt hij waar iedereen hem weet. Dat maakt zijn werk zo luchtig en toegankelijk. Iedereen weet dat roken spelen is met de dood. Maar niemand komt op het idee om zijn peuken keurig op een rij uit te stallen, als dingen waarvan de kreukels en kronkels de gemoedsgesteldheid van de roker uitdrukken. Of misschien wel, maar dan is het nog geen kunst. Een kunstwerk is geen incident, maar deel van een ideeënwereld, een complex van kunsthistorische tradities en persoonlijke opvattingen en gevoelens. Pas dan kan een volle asbak een krachtige metafoor worden.

Kán, want een kunstwerk wordt niet automatisch een goed kunstwerk omdat de kunstenaar een thema heeft als de dood. Wat mij betreft kan de asbak van Hirst zelfs direct de vuilnisbak in. Het is een van de werken waarbij hij met zijn obsessie koketteert, wetend dat zijn thema impact heeft en zelfs in de mode is (catastrophilia is het nieuwste begrip). Dan komt hij niet voorbij het stadium van de platte grap, de horror of de herhaling. Het schaap in een glazen bak wordt geen metafoor voor wat dan ook omdat het een aftreksel is van het werk waarmee hij furore heeft gemaakt. Zelfs de pseudo-dramatische titel: Away from the flock, kan het beest niet redden.

Sterk is Hirst pas wanneer hij zichzelf en zijn imago van rebel vergeet. Dan kan een werk ontstaan als Mother and child divided.

Het bestaat uit een overlangs doormidden gezaagde koe en een kalf op sterk water. Iedere helft heeft zijn eigen container en je kunt tussen de twee delen van de koe in lopen zodat je haar hele inwendige structuur kunt zien, als een archeologisch veld, vol op ontcijfering wachtende raadsels. Je ziet de eenzaamheid van een koe, gescheiden van alles waar haar lijf van heeft gehouden: het weiland, de zon, het hooi, haar kalf en waar een koe zich nog meer aan verlustigt. De hersenen, de slokdarm, de vele magen, de darmen, haar hele complexe mechaniek roept dit alles in herinnering. Haar dood is in deze vorm geen dood maar een celebratie, een monumentale viering van het leven.