Dirk van Weelden in de fuik van zijn onbevangenheid; Onze radeloos bewuste tijd

Dirk van Weelden: Orville. Meulenhoff, 271 blz. ƒ 34,90

Aan ieder woord dat Dirk van Weelden schrijft ligt een gedachte ten grondslag die hij zelden hardop uitspreekt: in de dagelijkse mensenwereld is geen leven. Alles neigt er naar verval, naar entropie, naar dood, en alles wordt er geregeerd door het verzet daartegen. Elk bestaan is er gedetermineerd, ieders bestemming staat er vast, en daardoor krijgt hij het gevoel dat hij er weinig meer te zoeken heeft. Wat zou hij daar nog, als zijn rol al uitgeschreven is? Het is 'mijn oudste en grootste verdriet, dat ik met huid en haar, vlees en bloed, geheugen en emoties deel van de wereld uitmaakte, maar er toch nooit echt aanwezig leek te zijn', laat hij een van zijn personages zeggen, en zijn hele werk draait om die ene, ene vraag die daaruit voortkomt. Hoe ontsnap je aan dat verdriet?

In de loop van drie romans heeft hij daartoe een strategie bedacht die vrij wonderbaarlijk is en die u zich daarom het best maar even plastisch bij uzelf kunt voorstellen. U vergeet, om te beginnen, uw agenda en uw plichten. U laat de boel de boel. U zet de klok stil, leeft voor de verandering eens 's nachts, of gaat op reis. Uw plannen voor de toekomst en gedachten over het verleden, uw besef van oorzaak en gevolg, dat hele spinneweb van ordeningen en verklaringen - u veegt het allemaal uit uw hoofd. Zo komt u op een punt waarop u merkt dat de werkelijkheid vol is van details waar men gewoonlijk overheenkijkt. Er is stof, ruis, afval, leegte. Er zijn losgeraakte onderdelen, overstemde klanken, stuurloze momenten. Afzwaaiers van de beschaving, afgeschreven of vergeten omdat niemand er betekenis in zag, en daar staat u nu tussen. In de wereld, maar niet langer in de mensenwereld.

Dat is stap één. Want Van Weelden laat het niet bij die ontsnapping. Hij ontdekt dat die onmenselijke bodem van de wereld voor de mens bewoonbaar is te maken, juist omdat de rommel die daar ligt betekenisloos is. Een verdwenen kinderspelletje, een blinde muur, een ongelezen boek, een warreling aan stadsgeluiden, het heeft allemaal dezelfde stoïcijnse zwijgzaamheid. Het is ongedetermineerd, anders gezegd, en het roept daardoor een trommelvuur aan vragen op. Wat is het? Wat doet het? Waar komt het vandaan?

In die vragen valt te leven, leert Van Weelden, en dat leven laat hij in zijn boeken zien. Zijn personages staan in de onmenselijke wereld met de opgetogenheid van jonge onderzoekers in hun mooiste uur. Ze vuren vragen af, leveren daar als antwoord een assortiment aan associaties, theorieën en verzinsels bij en 'schakelen' zichzelf daarmee naar eigen zeggen aan het raadsel dat ze onder handen hebben, ongeveer zoals u zich aan een website schakelt. Ze klikken dat uitheemse universum als het ware aan en ontlenen daaraan het gevoel dat ze verbonden zijn met 'wat er stroomt en beweegt in de wereld'. Online met het raadsel dat mensen uit de mensenwereld bannen.

Strategie

Die hele strategie laat zich nog het beste samenvatten met de titel die Van Weelden zijn debuut meegaf, Tegenwoordigheid van geest. Het is een soort alertheid, een manier om met de listen van de geest een warme eigen plooi te leggen in een wereld die daar niet in voorziet. Een strategie voor geluk, niet meer en niet minder, en dat maakt het tot een ongebruikelijk naiëf totaalproject. Maar wel gesteund door grote intellectuele kracht en filosofische kennis, en u bent daarom gewaarschuwd - makkelijk gaat het niet worden. Als hij op stoom is wordt Van Weelden hemelomspannend abstract en soms ook formidabel vaag.

Vooral dat laatste wil nog wel eens hinderen. Maar je vergeeft hem veel wanneer je inziet dat die vaagheid samenhangt met het geluk waarnaar hij zoekt. Het gaat tenslotte altijd om ontduiken, in beweging blijven, onverwachte paden inslaan. Hij stelt zichzelf geen doel, hij maalt ook niet om resultaten, het ontdekken zelf is doel. Als hij een raadsel oplost raakt het zijn beweeglijkheid kwijt, 'stroomt' het niet meer, en verliest hij zijn belangstelling. Hij moet verder, verder, op de hielen gezeten door de wereld van de betekenissen - en dus ook door u, lezer, want u komt daar net vandaan.

De vraag is alleen, na drie romans, hoe lang die topsport vol te houden is. In nummer drie, Oase, valt er een lange schaduw over het project-Van Weelden als de ik-figuur beseft dat zijn vlinderende leven binnenkort zal worden vastgepind door de geboorte van het eerste kind van zijn vriendin. Hij wordt 'aangesloten op de wereld', in typische Van Weelden-taal. Hij moet erkennen dat hij nooit volledig kan ontsnappen, dat de wereld hem weer achterhaalt, en daarmee wekt hij angstige vermoedens voor zijn toekomst. Met de jaren is er immers steeds meer dat je aan de wereld bindt, van vrouw en kind tot werk en huurcontract. Hoe ouder je wordt, hoe dieper je de uitgesleten sporen van de wereld ingetrokken wordt. Dus hoe houd je het vol, die tegenwoordigheid van geest? Hoe red je je geluk?

En laat dat nu net de grote vraag zijn van Orville, Van Weeldens nummer vier. Het boek heet naar de held, een zonderlinge onderzoeker die zich vaker dan hem lief is bezighoudt met, in zijn eigen woorden, 'het Chagrijn'. Geen mens wordt in de wereld wat hij hoopte. Iedereen verliest elk jaar aan kracht en alles gaat uiteindelijk verloren. Maar dat is geen reden om het hoofd te buigen, vindt hij, hoopt hij, en hij zint op een manier om het humeur op peil te houden. Vindingrijkheid zoekt hij, zoals al Van Weeldens helden. Maar hij heeft klaarblijkelijk geen hoop (meer) dat hij die bij zichzelf zal vinden en probeert het daarom anders. Hij doet een beroep op vrienden.

Net als zijn voorgangers pakt hij dat aan met de lucide geest van de wetenschapper. In een brief vraagt hij een groepje oude vrienden langs te komen op zijn 'Franse landgoed', een boerderij waar hij met vrouw en kind de zomer slijt. Hij wil ontdekken hoe zij zich verzetten tegen het Chagrijn, schrijft hij. Hij wil hun strategieën horen, hun verhalen, theorieën, raadsels, liedjes, alles wat de vijand van de vloer houdt, en hij stelt zich voor dat ze elkaar daarmee een beetje door het leven kunnen halen. Een doordachte proef in clanvorming.

Je maakt die proef als lezer stap voor stap mee, alsof je door een one way-mirror binnenkijkt in een laboratorium van het bestaan. De groep komt samen, mannen, vrouwen en kinderen, en de gastheer neemt het woord voor een aftrap. Hij vertelt van zijn ontdekking van 'het gelukkigste boek' dat hij kent, Herodotus' Historiën, een rare mix van feiten, fabels en beschrijvingen van vreemde volksgewoonten waar hij eerst geen raad mee wist. Het deed hem denken aan een afgedankte machine, die zo oud is dat geen mens nog weet waar ze toe dient. Pas later kreeg hij door dat het daar juist om ging, om de magie van het onvergelijkbare in die verhalen. 'Misschien vinden jullie me gek, maar die vernuftige schakeling is een geluksbeeld.'

Orville herkent Herodotus als een verwante geest, dat is wel duidelijk, en in de dagen die volgen zal hij zich ook in zijn vrienden vaak herkennen. Een van hen onthult zijn plannen voor een interactief kunstwerk in de Bijlmer, een ander laat vijf foto's van onduidelijke samenhang zien. Weer een ander geeft een raadsel op in de versluierende vorm van een sprookje en een vierde wacht al pratende maar af wat in hem opkomt. Ontsnappers uit de mensenwereld van betekenis zijn ze, allemaal.

Maar hoe ze allemaal hun best ook doen, de geest wil op de een of andere manier maar niet gaan waaien. De bijeenkomst krijgt iets opgeprikts, er komen spanningen en ruzies, en de gastheer moet ten slotte toegeven dat hij zich in zijn opzet heeft vergist. Wat doet hij fout? Hij tobt en tobt - en raakt zodoende in de ban van het Chagrijn waaraan hij juist wilde ontsnappen.

Magie

Maar zo eenvoudig laat Van Weelden zich zijn dromen niet ontnemen, daarvoor hangt er te veel van de onderneming af. Zolang hij zich niet klein wil laten krijgen door de zwarigheden van het leven zit er niet veel anders op dan uitwegen te vinden - en dus vindt hij uitwegen, ook hier.

In tussenhoofdstukken verschuift hij het perspectief naar een mysterieuze heer, 'Legba', die van een afstand op de vrienden toekijkt en meewarig lacht om hun verzenuwd samenzijn. Hij wil ze leren zien wat ze verkeerd doen en blijkt daartoe onvermoede krachten uit de kast te kunnen halen. Hij verandert in een wolf. Of in een boswachter, als dat zo uitkomt. Hij verandert van gedaante om de vrienden te bezoeken en ontregelen, en verandert daarmee de gedaante van het hele boek. Gaat het er verder reuze alledaags aan toe (er wordt gejogd, gegeten, voorgelezen, iemand steekt een kampvuur aan, een champignon valt uit de pan), met deze Legba valt ineens een toverachtig licht over de boerderij. Het realisme krijgt een magisch randje.

Zo kom je bij een scène waarin een van de kinderen door Legba ingeblazen krijgt dat op de bodem van een meertje in de buurt een schat ligt. Met twee anderen en een kano gaat het ventje er op uit, waarbij het niet veel scheelt of een van hen verdrinkt. Ontsteltenis alom, verwijten tussen ouders, woede op de jongen. Maar die houdt koppig vol, er ligt een schat, hij heeft hem onder water zelf gezien. Hij staat erop een tweede duik te wagen, en zowaar, daar uit het water komt het druipende karkas van - ja, van wat? Een rechthoekig gevaarte vol condensatoren, buizen, weerstanden en draden. Een oude machine.

Als dat geen hint is. En jawel, geleidelijk verandert er iets op de boerderij. Terwijl de ruzies van de vrienden almaar oplopen, groeit rond het 'onding' een opvallende bedrijvigheid. De kinderen spelen ermee, de ouderen sleutelen eraan om uit te vinden wat het is. Het genereert een wemeling aan associaties en verzinsels en ten slotte kan het je niet meer ontgaan: het zindert plotseling van tegenwoordigheid van geest.

Op dat punt, ruwweg driekwart van Orville, kiert door het verhaal ineens een stevige moraal, een variant op de aloude wijsheid dat het geluk een stapje terug doet als je het wilt dwingen. Wat Orville zoekt laat zich niet organiseren in een ordelijk vakantieplan, het komt pas als er ruis is, rommel en verwarring. En dus raadsel - het vertrouwde loopje bij Van Weelden. De machine van de menselijke omgang werkt pas goed, bizar genoeg, wanneer ze niet goed werkt.

Het is die paradox waarmee Van Weelden aan het slot van de roman zijn punt maakt, in een brief van maar liefst drieëntwintig bladzijden waarin Orville na afloop van het avontuur zijn vrienden op de hoogte stelt van zijn bevindingen. Van de ontdekking, in de eerste plaats, dat zijn vakantieplan begonnen was met een verkeerde vooronderstelling. Hij wilde iets ervaren, maar ging daar boven staan door het te organiseren. Hij wilde ontsnappen aan de menselijke orde van het Chagrijn, maar maakte het ontsnappen zelf weer tot een orde. Hij vergat dat het juist ging om iets dat zich daar aan onttrekt, om het toevallige en onvoorziene en grillige, om invloeden van buitenaf. Om Legba dus eigenlijk - want dat is waar de tovenaar met zijn gedaantewisselingen voor staat. Orville kan 'schakelen' zoveel hij wil, hij wordt intussen ook geschakeld, en ontsnappen zal hij pas als hij zich daaraan overgeeft.

Wat hem tot het beslissend inzicht brengt. Als er ooit al iets als een clan ontstaat, dan gebeurt dat langs een omweg, ergens in zijn ooghoek, of zelfs achter zijn rug om. Het ontsnapt aan zijn bewustzijn - en met dat besef is hij in één klap waar hij zijn wil. Weg doordachte plannen tegen het Chagrijn. Be in the moment. Laat het leven binnenstromen, alle kanalen open. De vakantie is geslaagd, want hij ontsnapt. Aan zijn gedachten.

Hamvraag

Waarmee we aan de hamvraag zijn. Van Weelden is eruit, met het ontduiken van het denkende bewustzijn is zijn tegenwoordigheid van geest hervonden, zijn geluk gered. Maar overtuigt dat?

Het komt in elk geval als een verlossing, na zo'n tweehonderdvijftig bladzijden. Want God in de hemel, wat een tomeloos bewuste types allemaal, daar op die boerderij. De een houdt een verhaal, een ander geeft daar een reactie op, de rest valt in. Men houdt niet op met praten, zelfs niet als Orville de moed er bij laat zakken. 'Ik bewonder je juist om dit initiatief', krijgt hij te horen, waarna ook de samenkomst in zijn geheel nog eens wordt doorgesproken. Elke letter hier is commentaar, en commentaar op commentaar, en daar weer commentaar op.

Het effect daarvan doet onweerstaanbaar denken aan dat van wandelaars die in een stil bos uitroepen hoe stil het is, je hoort de stilte. Zij horen de stilte, jij hoort hun stem. Je zou de hele vriendengroep de mond wel willen dichtplakken, zodat je zelf eens iets kan horen en, wie weet, je eigen commentaar kan geven. Maar dat zit er niet in, en het gevolg is dat Orville in zijn geheel gaat lijden aan het euvel van de personages. Het boek wordt zwaar en traag, het wordt benauwend.

Het slot is daarom op zijn minst een opluchting, je krijgt gelijk dat hier iets fout zat. Maar ook met dat slot is iets merkwaardigs aan de hand. Het draait om die ontdekking van het onbewuste leven en het geeft daar ook een glansrijk voorbeeld van - een herinnering aan New York, waar Orville zich opgenomen voelde in een pandemonium aan mensen, auto's, klanken en geuren dat geen enkele betekenis had en toch een verbijsterend besef gaf van de samenhang der dingen. Maar het is vooral een poging om de dagen op de boerderij, met alles wat daar is gezegd, vanuit het perspectief van die ontdekking te bezien.

Het is dus wederom, en boven alles uit, een commentaar.

Zo biedt Orville uiteindelijk een tegenstrijdige aanblik. Het vertelt van een ontduiking van het denkende bewustzijn, langs de weg van een bewustzijn dat maar niet kan ophouden met denken. Elke poging daar van af te komen schept een nieuwe laag bewustzijn en verwijdert je alleen maar verder van het doel, zodat je aan het slot in een soort spreidstand komt te staan. Je hoort Orville verheugd getuigen hoe hij aan de dwang van zijn bewustzijn is ontsnapt en krijgt het stellige gevoel dat hij geen flauw idee meer heeft hoe hij ervoor staat. Nee, die krijgt zijn trekken nog wel thuis, die man.

Dynamiek

Als je wilt kun je daarom uiteindelijk heel kort zijn over dit Orville. Hier is iets categorisch mis gegaan. Maar een machine werkt pas als ze niet goed werkt, zoals de schrijver leert, en gek genoeg is het boek zelf niet het slechtste argument voor die gedachte. Mij althans liet het toch niet meer los. Van Weelden heeft bewezen dat hij een roman kan schrijven en vooral Oase, een totaal oorspronkelijk en sterk en geestig boek, had toen best in een van onze vele prijzenregens mogen vallen. Als hij miskleunt, dan betekent dat iets - en misschien wel iets dramatisch, want het gaat hier over zijn geluk, de inzet van zijn leven. Dus wat is hier aan de hand?

Wat mij op een idee bracht is de taal waarin Van Weelden zijn Orville laat spreken. Hij heeft het over ongelijksoortigheid, veelvoudigheid, verscheidenheid, beweeglijkheid. Over botsingen, ontmoetingen, vermengingen en bovenal natuurlijk schakelingen. Het zijn typische Van Weelden-woorden, maar het zijn ook woorden van een oude held van hem, de Franse wijsgeer Gilles Deleuze (1925-1995), een filosofische peetvader van zijn tegenwoordigheid van geest. Het is niet langer een gedachtestroom die hij verwoordt, maar een gedachtegoed.

Van Weelden is met ander woorden op een punt beland dat vrijwel elke schrijver op den duur bereikt. Hij weet wat hij wil zeggen. Hij is niet meer zorgeloos en opgetogen bezig met ontdekken, hij kijkt terug op de ontdekkingen die hij al eerder heeft gedaan en ziet ze als verworvenheden. Hij heeft iets te koesteren en verdedigen - dat is tenminste wat Orville voortdurend doet. (In een taal vol van begrijp me goed en laat het duidelijk zijn dat, een taal die er bij voorbaat al op rekent dat je geen begrip zult vinden en niet duidelijk genoeg zult zijn.) De onbevangenheid waarmee hij ooit begon verandert in een evangelie van de onbevangenheid.

Daar wringt iets. Want daarmee verliest hij die onbevangenheid zelf - gewoon door eigen toedoen, door de dynamiek van geestelijke groei. Hij weet te veel, hij moet die ballast kwijt, en ziedaar een verborgen motief dat tussen alle regels van Orville uit komt piepen. Via zijn romanheld onderzoekt Van Weelden een manier om onder een voortdurend doordravend bewustzijn uit te komen. Die romanheld heeft daarbij alleen nog het geluk dat hij iets kan ontdekken, zelf kan hij alleen maar herontdekken. Hij moet zogezegd vergeten dat hij weet wat hij zoekt en het toch vinden. Dat is zoiets als over je eigen schaduw springen en Orville laat zien hoe hem dat afgaat.

Meta-vragen

Waarom lukt zoiets niet? Het is een van de klassieke meta-vragen van ons radeloos bewuste tijdvak, dat onder de noemer van het postmodernisme ook daar weer over nadenkt. En het is typerend voor Van Weelden dat ook hij daar weer over nadenkt. Wat is het in deze wereld dat het halsbrekend moeilijk maakt iets authentieks te ondergaan? 'Het probleem is niet dat de wereld zoals hij is je nou zo vreselijk tegenwerkt,' zegt hij in De Groene van 8 oktober. 'Eerder lijkt het erop dat er geen echte vijand bestaat. Dat is eigenlijk het grote punt. Je moet zelf zowel de afbraak als de herformulering leveren.'

Wat een andere manier is om te zeggen dat de wereld zo verdomd gerieflijk en geruisloos draait, met welvaart en genotsartikelen en wat niet al, dat je niet gauw meer uit je evenwicht te brengen bent door ruis en raadsel. Orville had daar de ondoorgrondelijke Legba voor, maar niet voor niets is dat een toverachtige figuur. Daar moet magie bij, zoiets kom je niet tegen. Je kunt schakelen tot je een ons weegt, op het Internet of zappend langs tv-kanalen, maar je wordt niet meer geschakeld. Dat is hoe de orde van de mensenwereld je van jaar tot jaar dieper in zijn uitgesleten sporen trekt: niet enkel door je stap voor stap te slopen maar, veel slimmer, door je lekker loom in zijn watten te leggen. Zoete verleiding, dat is het.

Maar gelukkig maakt dat niet, zoals bekend, en zeker Van Weelden niet. Dus hoe nu verder met dit schrijverschap? Er is geen weg meer terug, ben ik bang. De onbevangen tegenwoordigheid van geest die hij een paar romans lang heeft bewaard zal niet meer terugkeren, tenminste niet door die te zoeken, dus er zit niets anders op dan uit te zien naar een ander geluk. Of niet meer naar geluk, naar heel iets anders, en vervolgens daar over te schrijven. En dan lijkt het me niet helemaal onmogelijk dat er juist dan, onwillekeurig, onverwachte schakelingen in de woorden sluipen die ineens weer zinderen van tegenwoordigheid van geest.