De tanende macht der bankiers

Ron Chernow: The Death of the Banker; The Decline and fall of the great financial dynasties and the triumph of the small investor. Vintage Books/Random House

128 blz. ƒ 35,95

De 'campinghausse' op de Amsterdamse effectenbeurs was afgelopen zomer een doorbraak in de emancipatie van de kleine belegger in Nederland. De particulier die op de beurs belegt voor de oude dag of de studie van de kinderen, rekende voorgoed af met het aloude imago van schlemiel.

Maandenlang hadden particulieren hun aandelen via orderlijnen rechtstreeks op de beurs gekocht. De gepasseerde handelaren en bankiers hadden gegniffeld. Als de hosanna-stemming zou omslaan, dan zouden de particulieren met paniekverkopen de professionals aan koopjes helpen. Toen de koersen een flinke knauw kregen, werd er inderdaad gejaagd op goedkope aandelen. Namelijk door particulieren, die veel professionals te vlug af waren.

Veel moderne 'kleine' beleggers in Nederland, meest babyboomers, zijn doe-het-zelvers geworden. Gezegend met de erfenis van hun spaarzame ouders en een goede opleiding, nemen zij geen genoegen meer met de aanbiedingen van hun bankier. Borrelpraat over personeelsopties en oplopende rente is niet alleen een modegril maar ook meer een echo van kroeggesprekken in de Verenigde Staten, waar little people zich al langer meer bekommeren om inflatiecijfers dan om de werkloosheid.

Deze emancipatie van de particuliere belegger is de doodsteek voor de bankierskaste, schrijft de Amerikaanse auteur Ron Chernow in het onlangs verschenen essay The Death of the Banker. Chernow heeft twee veelgeroemde studies geschreven over de vermaarde bankiershuizen J.P. Morgan en S.G. Warburg. Bij herlezing van zijn eigen lijvige boeken ontdekte Chernow in de opkomst en vooral teloorgang van deze banken een soort wetmatigheid: de explosieve groei van de financiële markten maakt de klassieke bankier overbodig.

Chernow ziet in deze evolutie niets minder dan de democratisering van de financiële wereld. Beleggingsfondsen, verzekeraars en pensioenfondsen beheren inmiddels duizenden miljarden dollars, die zij in enkele seconden over de aardbol laten schieten en waarmee zij in feite de economie sturen. De succesvolle beheerders bij beleggingsfondsen zijn daarmee de opvolgers van de grote bankiers uit vroeger tijden. Anders dan hun voorgangers kunnen deze nieuwe sterren echter worden gemaakt en gebroken door de kleine belegger, die bij wanprestaties zijn geld elders belegt.

Chernow noemt dat shareholder democracy en hij ziet daarin een nauwe verwantschap met de politieke democratie. 'Normaal gesproken zullen democratische samenlevingen de ongebreidelde macht die banken en bedrijven samen uitoefenen beperken', meent Chernow. Andersom gaat Chernow ervan uit dat bijvoorbeeld in bankenland Duitsland het opkomend beurskapitalisme 'de onwrikbaar hiërarchische structuur van de Duitse samenleving kan opschudden'.

Geheime code

De aangekondigde dood van de bankier door Chernow lijkt uiterst gewaagd op een moment dat het banken zo naar den vleze gaat. Deutsche Bank, ABN Amro en ING - om er maar enkele te noemen - zijn ware geldmachines geworden, mede door zich in te kopen in de wondere wereld van (advies bij) fusies en overnames, effecten- en valutahandel voor eigen rekening en het beheer van vermogens voor derden.

Dit bevestigt volgens Chernow echter alleen maar, dat de bankier nog wel meespeelt maar niet langer de spelregels bepaalt. De financiële wereld kent van oudsher een drieëenheid: het bedrijfsleven dat geld behoeft, de belegger die geld heeft en de bank die tussen de partijen bemiddelt. Chernow laat het confectiewerk van consumentenkrediet, hypotheekleningen en bedrijfskredieten buiten beschouwing en beperkt zich tot het maatwerk voor grote ondernemingen, rijke klanten en de talloze, nieuwe beleggingsproducten voor het snel groeiende leger van kleine kapitalisten. Naarmate beleggers bedrijven steeds meer rechtstreeks financieren, valt er voor de bank steeds minder te bemiddelen.

De macht van de banken was op een hoogtepunt aan het begin van deze eeuw, toen ook in de VS het kapitaal nog schaars was. Ondernemingen die door hun snelle groei veel geld nodig hadden, konden niets anders doen dan de vernederende gang maken naar New York. Daar zetelden de arrogante bankiers, onder wie de ongekroonde koning John Pierpont Morgan, die een monopolie hadden op het geld. Ondernemingen mochten nooit van bankier ruilen en een geheime onderlinge overeenkomst verbood ook de banken elkaars klanten af te pikken.

Aan de andere kant hadden de beleggers evenmin iets in de melk te brokkelen. Jaarverslagen en persberichten bestonden niet, zodat alleen goede contacten correcte informatie over bedrijven konden verschaffen. Banken hadden die contacten en hadden zo een monopolie op de informatie, die zij verschaften aan wie zij wilden. Chernow beschrijft met smaak hoe zelfs de oliemagnaat Rockefeller, indertijd verreweg de rijkste man ter wereld, er niet in slaagde zijn privé-vermogen ordentelijk te beleggen.

De macht van Morgan werd in de jaren dertig gebroken door wetgeving in de VS, waarbij J.P. Morgan werd opgesplitst - een lot dat jaren eerder Rockefellers Standard Oil had getroffen. De Amerikaanse wetgeving 'maakte de naoorlogse wereld veilig voor beleggersdemocratie', schrijft Chernow met een variatie op een bekend adagium in de buitenlandse politiek van de VS. De macht van de banken erodeerde echter vooral, doordat de andere twee partijen in de drieëenheid de bankiers boven het hoofd gingen groeien.

Aanmatigend

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werden de grote (Amerikaanse) ondernemingen giganten, die al snel meer contanten hadden dan hun bank. Elk bedrijf met een volle kas is volgens Chernow een 'embryonale bank'. Bedrijven als General Motors begonnen dan ook zelf met het verstrekken van leningen en verzekeringspolissen. Een autofabriek zoals Ford verdient menig jaar meer met zijn financieringsactiviteiten dan met de productie van auto's. De definitieve bevrijding kwam in 1979, toen IBM de nogal altijd vigerende geheime code doorbrak door niet huisbankier Morgan Stanley maar een concurrent de uitgifte van een lening te laten verzorgen.

Dezelfde ondernemingen begonnen in de jaren vijftig met pensioenregelingen voor hun werknemers, waarbij de premiegelden onder meer werden belegd in aandelen. Het was de kiem van een 'volkskapitalisme'. Amerikaanse burgers gingen ook zelfstandig hun spaargelden beleggen voor de oude dag, die met de stijging van de gemiddelde leeftijd inmiddels heel wat jaren kan gaan duren. Chernow beschrijft de beurs dan ook als 'een turbo-aangedreven, nationaal pensioen-systeem' en 'net als Las Vegas (...) een gezellig zondagsuitje voor oma en de bridgeclub'.

De macht van de kleine beleggers wordt verenigd in de grote beleggingsfondsen, die in de VS inmiddels net zo veel geld in beheer hebben als de banken. Dagelijks volgen deze beleggers 'hun' beheerders bij de beleggingsfondsen op de voet en kijken waar hun zuurverdiende gelden het beste renderen. 'Deze ongeduldige, niet-sentimentele 'kleine mensen' zijn de ware meesters van de moderne financiële wereld', meent Chernow.

Of dat werkelijk overal zo is, is nog maar de vraag. Chernows goed geschreven en buitengewoon informatieve essay slaat vooral op de machtswisseling in de Verenigde Staten en in mindere mate Groot-Brittannië. Hoewel ook in continentaal Europa de Westenwind wordt gevoeld, is het Angelsakische beurskapitalisme nog altijd ver weg. Chernow wijt dat wat Duitsland betreft aan de conservatieve samenleving, maar hij laat na te vermelden dat de duizenden - veelal regionale - banken in dat land altijd tamelijk effectief de Mittelstand hebben gefinancierd.

Hoewel in Nederland particuliere beleggers inmiddels zo'n kwart van de aandelen bezitten, zijn de grootste marktspelers nog altijd de pensioenfondsen en verzekeraars. Aandeelhouders hebben in Nederland bovendien minder te zeggen dan waar ook in Europa, is uit recente onderzoeken weer eens gebleken. In de regenteske bedrijfscultuur is op de aandeelhoudersvergadering van one man one vote dan ook nog lang geen sprake.

Nederlandse bankiers kunnen zich nog altijd een aanmatigende houding permitteren. Bij een bijeenkomst van Van Lanschot liet de bestuursvoorzitter nog maar eens weten dat de beleggers - groot of klein - ook na een beursgang niets te vertellen krijgen bij de bank: 'Als de aandeelhouders niet tevreden zijn, dan gaan ze maar weg.'

Dood is de Nederlandse bankier niet. Maar het is de vraag of dit leven kan worden genoemd.