De dissonant

Vorige week verscheen in de Boekenbijlage van deze krant een merkwaardige beschouwing van Arnold Heumakers, gewijd aan het werk van Harry Mulisch.

Mulisch, schreef Heumakers, was 'zeventig jaar mens' en werd bij deze gelegenheid uitbundig gefêteerd; 'maar wanneer Mulisch in Nederland zo onbekrompen wordt geprezen, ontbreekt zelden of nooit de dissonant'. En die was er dan ook: een satirisch boekje over - onder andere - Mulisch, getiteld De Herenclub, door Max Pam.

Over het boek zelf zegt Heumakers niet veel, wat hem bezighoudt is het fenomeen van die dissonantie. Vanwaar toch die eeuwige wanklank zodra het over Mulisch gaat? 'Altijd klinken er tegengeluiden'. 'Men drijft de spot met zijn persoon en werk'. 'Wanneer hij wordt gefêteerd is het nooit voor iedereen feest.' Heumakers wordt niet moe die vraag in alle toonaarden te herhalen: wat zou toch de diepere oorzaak van dit verschijnsel kunnen zijn? 'Waar komt die kennelijk onbedwingbare behoefte aan satire en distantie vandaan?'

Zo zoekt en zoekt hij als iemand die zijn bril niet kan vinden terwijl hij hem op zijn neus heeft. Wat zou toch wel de oorzaak van die onbedwingbare behoefte kunnen zijn? 'Vergelijkbare literaire grootheden als W.F. Hermans of Gerard Reve hadden en hebben er geen last van,' moppert hij, en dan komt het moment dat je hem ziet staan met de sleutel in de hand, en vertwijfeld moet toezien hoe hij die achteloos weer weggooit: 'aan Mulisch' werk kan het niet liggen, want dat doet niet onder voor wat Hermans en Reve hebben geschreven.'

En zo blijft hij de gevangene van zijn mysterie.

Dat Mulisch niet in de schaduw van grote schrijvers als Hermans en Van het Reve kan staan lijkt mij persoonlijk een evidentie; daar hoeft Heumakers het niet mee eens te zijn, maar wat er bij mij niet in wil is dat hij niet weet dat dat een bestaande opvatting is, aangehangen door onder anderen Hermans en Reve zelf; en wat mij ook wonderlijk lijkt is dat hij, zo naarstig speurend naar de diepere oorzaken van de dissonanten die hij beschrijft, niet op de gedachte zou komen dat deze omstandigheid er een is.

Zonderlinger nog is dat die gedachte zich zelfs na het lezen van De Herenclub niet aan hem voordeed, want het boek is toch onmiskenbaar gebaseerd op een welomschreven kritisch oordeel, zij het dan ook in een in Nederland wat ongebruikelijke en baldadige vorm. Was dat voldoende om het voor Heumakers onherkenbaar te maken?

Of is het dat Heumakers, door er op deze manier over te schrijven, de gedachte hoopt te ontmoedigen dat het om een welomschreven kritisch oordeel gaat? Hij gaat niet zover dat hij zegt dat dit boek alleen maar ingegeven kan zijn door lagere motieven als nijd en rancune, maar dat is wanneer iets bespot wordt in Nederland wel de vanzelfsprekende veronderstelling. En zo wordt het natuurlijk ook grif uitgelegd door de mensen die in het boek op de hak worden genomen (niet dat het er iets toe zou doen, ook als het waar was: het enige dat telt bij een satire is of hij amusant is en hout snijdt).

Waar de betrokkenen uiteraard helemaal niet voor openstaan is de observatie dat hun werk uit zichzelf al op de lachspieren werkt. Maar zou ook Arnold Heumakers echt niet weten dat in de ogen van sommige mensen (waaronder ik) bijvoorbeeld De compositie van de wereld een belachelijk boek is? Het werkelijke probleem is dat veel van Mulisch' werk inderdaad onbedoeld op de lachspieren werkt. Het is natuurlijk mogelijk dat Heumakers eenvoudig geen lachspieren heeft, een vermoeden dat eerlijk gezegd wel eens vaker bij mij is gerezen; maar het moet hem bijvoorbeeld toch zijn opgevallen dat de monologen van Horus Mimir in De Herenclub niet zijn te onderscheiden van echte beweringen van Mulisch.

Dat is bij het satiriseren van Mulisch in zekere zin zelfs een probleem, of een zwakte: aandikken is bijna niet mogelijk. Ik ben er zeker van dat ook Heumakers in een blinde test de echte uitspraken van Mulisch tussen Max Pams persiflages niet zou weten te herkennen. Een recente vindplaats van zulke uitspraken is het interview van Mulisch door Michaël Zeeman in de Volkskrant van 10 october; toen ik het las had ik net De Herenclub gelezen en was in een zeer ontvankelijke stemming. Aan de subtiele manier waarop Mulisch door Michaël Zeeman wordt geciteerd meen ik trouwens te kunnen zien dat ook hij hier en daar moeite moet hebben gehad zijn gezicht in een ernstige plooi te houden.

Tegenstanders zullen er uit de hoogte over doen, maar De Herenclub is een amusant en onweerstaanbaar vrolijk boek. Pam behandelt Mulisch nog tamelijk mild en niet zonder een fond van respect - bij wie trouwens vind je de 'onversneden haat' die volgens Heumakers bij sommige van Mulisch' critici valt te beluisteren? Wat dat betreft komt Cees Nooteboom er in dit boek heel wat minder genadig vanaf. Hoe komt dat? Ik denk dat het iets met pretenties te maken heeft. De neiging om gaten in schrijvers te prikken is vermoedelijk recht evenredig met hun graad van opgeblazenheid, en die is niet door Max Pam verzonnen. In competitieve situaties, zoals voorafgaand aan het toekennen van de Nobelprijs, laten sommige schrijvers zich uitspraken ontvallen waarmee zij zich onverwacht in de kaart laten kijken (e.g. Hugo Claus, nadat de felbegeerde prijs was toegekend aan Wisawa Szymborska: 'Nu hebben ze hem aan een Pools huismoedertje gegeven!' Hoogst onrechtvaardig, maar wat is er tegen te doen: in hongerstaking gaan is het enige). Ook uit de werelden van Mulisch en Nooteboom kwamen ontgoochelde geluiden en nu moet er alweer een jaar geduld worden geoefend. Ach, soms lijkt een halve eeuw voorbij te gaan in een ogenblik; het is nog pas gisteren dat Simon Vinkenoog schreef, over Mulisch' debuut Archibald Strohalm: 'De tijd schift, Mulisch, onverbiddelijk en snel'.

Ik zou overigens niet de indruk willen wekken dat ik Mulisch onleesbaar vind. Komisch maar tegelijk ook aandoenlijk bij Mulisch is zijn geloof dat de Wereldziel haar betrokkenheid bij zijn romans openbaart door middel van Tekenen. Dit is een aspect dat Pam in zijn boek wat heeft verwaarloosd, maar opmerkelijke staaltjes ervan kwamen voor in het al eerder genoemde interview van Michael Zeeman. Zo is er de geheimzinnige Coïncidentie der Namen: de schrijver die na het voltooien van zijn boek levende mensen tegenkomt die net zo heten als zijn romanpersonages en zelfs kinderen hebben die dezelfde naam dragen. Zeeman: Daar hoeft men niet bijgelovig van te worden. Mulisch: 'Dat word ik ook niet, maar ik aanvaard het wel [goedbeschouwd is dat een perfecte omkering van de befaamde zin: 'Het regent maar ik geloof het niet']. De werkelijkheid regeert en bevestigt wat ik schreef.'

Ik zei het al: Mulisch is niet aan te dikken Die coïncidentie-kwestie is een beroemd hoofdstuk in de literatuur der Wonderen: 'de schijnbaar toevallige ontmoeting van twee causale reeksen zonder onderling verband tot een coïncidentele gebeurtenis die zowel hoogst onwaarschijnlijk als zeer betekenisvol lijkt' (Koestler). C.G. Jung gaf het de naam 'synchroniciteit' en publiceerde er samen met niemand minder dan Wolfgang Pauli (van het Pauliverbod) een essay over getiteld Synchronicity: an Acausal Connecting Principle. Dit essay grijpt weer terug op de verhandeling Das Gesetz der Serie van Paul Kammerer (van de affaire over de vroedmeesterpad) uit 1919. Jung beschrijft hoe zijn patiënten grote waarde hechten aan zulke coïncidenties, en merkt op dat zij die niet graag aan de openbaarheid prijsgeven uit angst te worden uitgelachen.

Ziedaar een angst waar Mulisch geen last van heeft. Hij vertelt hoe, terwijl hij bezig is te schrijven over instortende gebouwen, zijn eigen plafond instort, gelukkig net als hij even weg is, anders was hij dood geweest.

Een onbesuisde en premature kritiek van de werkelijkheid? oppert Zeeman.

'Ja, ik wist dat ik goed zat: de wereld vond het alvast goed, of de wereldziel. Ik heb geen enkele neiging dat te personifiëren, of God dat doet of de engelen - dat niet. Maar het is wel zo. Wat ik schrijf gaat uiteindelijk over dezelfde dingen als waarover Thomas van Aquino het had of Augustinus, dat soort mensen. Met die creatieve theologen voel ik mij verwant. De compositie van de wereld is ook een soort Summa. Hier ligt een interessant, maar onopgelost vraagstuk..'

Het zou een uitspraak van Horus Mimir uit De Herenclub kunnen zijn. Inplaats daarvan beschrijft Max Pam een droom van Horus, die een liefhebber van La Fontaine zal herkennen als de fabel van de houthakker die de Dood roept, en deze dan vraagt zijn takkenbos te dragen. Horus is zelf de Dood in die droom. Maar zie, het ontgaat hem.

De zaal was raads