De burgerlijke seksualiteit gedemonteerd; Franse- en Nederlandse filmcultuur

Hoe Nederland er tegenwoordig uit ziet zien we vrijwel nooit in de bioscoop. In Frankrijk is dat anders: daar worden jaarlijks bijna 200 films uitgebracht, die een beeld geven van de maatschappelijke ontwikkelingen. 'Er waait duidelijk een zeer kille wind door de Franse maatschappij.'

Van een van de populairste films in Frankrijk dit jaar kun je zeggen dat niemand in Nederland eraan zou denken hem te maken. La vérité si je mens (4,8 miljoen bioscoopbezoekers sinds april) is een komedie die speelt in een milieu van joodse textielhandelaren in Parijs en gaat over een niet-jood die snel carrière maakt in dit milieu maar dat hij een goj is geheim moet houden.

Van de Franse film die op dit moment de meeste toeschouwers trekt, kun je zeggen dat hij misschien nog in Nederland gemaakt had kunnen worden, maar dat er vermoedelijk niemand zou zijn gaan kijken. Nettoyage à sec (300.000 toeschouwers binnen drie weken) is een verhaal over een keurig, hardwerkend echtpaar dat zijn huwelijksleven geheel verwoest ziet door een biseksuele jongen die ze in huis hebben genomen.

Een paneuropese cultuur lijkt nog veraf, zolang de populairste Franse films in Nederland niet of nauwelijks een gevoelige snaar weten te beroeren. Maar of dat een voldoende reden is dat in Nederland - op vermoedelijk goede, commerciële gronden - de meeste Franse films ook zelden of nooit het bioscoopscherm halen, lijkt de vraag. Lucie Aubrac van Claude Berri, het verhaal van een verzetsheldin uit de Tweede Wereldoorlog? Geen hond hier die hem heeft gezien. Le hussard sur le toit van Jean-Paul Rappenau, de op een na duurste Franse film ooit gemaakt? In onze streken onbekend. Les randonneurs van Philippe Harrel, een komedie over een groepsvacantie op Corsica? Geen Nederlander heeft de kans gehad erom te lachen.

Er zijn al zo veel films, voor zo weinig Nederlandse filmdoeken, dat je je kunt afvragen waarom ons cinematografisch geweten nog verder zou moeten worden overladen met Franse films, waarvan de meeste bepaald geen meesterwerken. Wat voor Franse films geldt, geldt bovendien voor de meeste andere Europese films. Ook van de Engelse-, Schotse-, Duitse- of Belgische filmproductie bereikt maar een fractie het Nederlandse bioscoopscherm.

Er zijn bovendien uitzonderingen: Le Cinquième élément van Luc Besson was ook in Nederland een succes, ook al hebben weinig van de pubers tot wie dit spektakelstuk zich richtte (Bruce Willis in The Fifth Element) er vermoedelijk aan afgezien dat het hier een Frans product betrof. Ook in de insektenfilm Microcosmos kon je de Franse herkomst moeilijk ontdekken, of het moest die vreselijk pretentieuze inleidende tekst zijn. En er zijn, in toenemende mate nog wel, in de meer kunstzinnig ingestelde Nederlandse filmtheaters van die kleine, knusse films van de jongste generatie Franse regisseurs: Cédric Klapisch (Chacun cherche son chat, Air de famille) is het meest krasse voorbeeld.

Téléfilms

De grote meerderheid van de bijna 200 speelfilms die jaarlijks in Frankrijk worden uitgebracht - en daar zijn de tientallen voor televisie gedraaide téléfilms dan nog niet bijgeteld - gaat aan de Nederlandse kijker evenwel voorbij. Een slecht voorbereide poging, hieraan iets te doen in een vorm van een week van de Franse commerciële film in Amsterdam is deze maand gestrand op organisatorische problemen. Deze mislukking bespaart de Nederlandse toeschouwer onder andere de vertoning van monumentale mislukkingen van de Franse cinema in de laatste jaren als de voornoemde Lucie Aubrac (verzetsheroïek uit de oude doos) en - veel erger nog - Bertrand Taverniers Capitaine Conan, een gruwelijk saai epos over een vergeten episode uit de Eerste Wereldoorlog.

Toch hoef je geen verstokt francofiel - cinefiele variant - te zijn om de aanwezigheid van deze films op de Nederlandse schermen te betreuren. Juist die vele mislukkingen van de Franse filmindustrie geven immers mooi aan waaraan het in Nederland schort. In Nederland blijft elke film een eenling: uitzonderingen daargelaten is bij het publiek de vorige film van een cineast alweer lang vergeten, als de nieuwe uitkomt. En het aantal films is te klein om van trends te kunnen spreken, of om uit de filmproductie de weerslag van maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen aflezen.

Dat is in Frankrijk anders. Na een hausse in films die de sociale spanningen in de Franse voorsteden als onderwerp hadden (bekendste voorbeeld: La haine van Matthieu Kassovitz, in Nederland geflopt) keert de Franse cinema nu terug naar wat je de core business van het filmbedrijf zou kunnen noemen: de woestenij van de menselijke verhoudingen, het ware drama.

Neem l'Appartement van Gilles Mimouni, die volgende maand in Nederland wordt uitgebracht. In zekere zin gaat het hier om een moderne versie van het recept van de komedies van Georges Feydeau uit het begin van deze eeuw: een eindeloze verwisseling van identiteiten en andere misverstanden, waardoor de hoofdpersonen voortdurend in bed liggen met de verkeerde, of althans aldaar dreigen te geraken.

l'Appartement ontbeert evenwel de sfeer van kirrige huiselijkheid, die veelal verwacht wordt van Franse relatie-films, zowel die afschuwelijke komedies uit de jaren zeventig en tachtig waarin je oudere huisvaders hun vrouwen met jongere dames zag bedriegen (of althans daarover dromen), als de meer recente films van Klapisch. In l'Appartement is het leven meer dan zwart, het is een hopeloze aangelegenheid, waarin de persoonsverwisselingen een fataal karakter dragen - voor de juiste somberte is de film trouwens voor een groot deel in Spanje opgenomen.

Deze kijk op liefde en seksualiteit is geen incident. l'Appartement is geen film bedoeld voor een groot publiek, maar Nettoyage à sec (Stomerij) van Anne Fontaine (met Miou-Miou in de hoofdrol) is dat wel en zeer succesvol. Het is een film zonder artistieke pretenties, maar ook zonder een schijn van ironie of humor. Een echtpaar dat zich rot werkt in hun eigen stomerij raakt verzeild in een travestie-club, en komt in contact met een jongen die daar optreedt. Ze verlenen hem tijdelijk onderdak - met vreselijke gevolgen voor het paar, want de jongen dingt naar de seksuele gunsten van beide echtelieden - met fatale gevolgen.

Deze demontage van de burgerlijke seksualiteit is ook het thema van Post coitum, animal triste van Brigitte Rouän. Vooral vrouwelijke regisseurs werpen zich in Frankrijk kennelijk thans op seksuele thema's, met een opmerkelijke vrijmoedigheid en hardheid. In Post coitum, eveneens een film voor een groter publiek waarin de regisseuse zelf de hoofdrol speelt, heeft een vrouw van ongeveer veertig een kortstondige verhouding met een jonge jongen. Het eigenlijke onderwerp van de film is echter niet die verhouding maar het ondraaglijk gevoel van gemis bij de vrouw na afloop - in beeld vergeleken met het gedrag van een krolse kat en uitmondend in waanzin.

Zowel in Nettoyage à sec als in Post coitum gaat het om vrouwen die in economisch opzicht een volwaardige positie innemen: Miou-Miou leidt met haar man gelijkberechtigd de wasserij, Roüan functioneert bevredigend als redactrice op een uitgeverij. Hun seksuele frustratie komt daardoor des te harder aan: niet langer hoeven vrouwen te lijden onder mannelijk overspel of geestelijke wreedheid, maar het ongeluk hangt samen met de keuzes van de vrouwen zelf.

Ondernemingslust

Dat is ook zo in een werkelijk prachtige historische film van alweer een vrouwelijke regisseur, Artemisia van Agnès Merlet, die volgend jaar in Nederland zal worden uitgebracht. Het gaat om een vermoedelijk sterk geromantiseerd levensverhaal van de zeventiende-eeuwse, Italiaanse schilderes Artemisia Gentileschi. Deze film kun je in veel opzichten zien als een pendant van Bruno Nuyttens bekende Camille Claudel uit 1988, waarin een kunstenares geestelijk te gronde ging aan gebrek aan maatschappelijke erkenning voor een vrouwelijke kunstenares. In Artemesia daarentegen weet de hoofdpersoon de scepsis van de mannelijke kunstwereld te doorbreken, dankzij talent en doorzettingsvermogen. Haar seksuele ondernemingslust daarentegen brengt haar in grote problemen, en de moraal van de film lijkt te zijn dat de prijs van maatschappelijk succes persoonlijk ongeluk is.

Er waait duidelijk een zeer kille wind door de Franse maatschappij, dat de weerslag van die samenleving in films zo hard uitvalt. Zelfs in de komedie La vérité si je mens van Thomas Gilou is de schildering van het joodse milieu weinig idyllisch: men levert elkaar zulke cynische streken in de handel, dat het niet leuk meer is. En als op het eind de hoofdfiguur niet langer kan verhelen, dat hij niet joods is - iets dat hij op vermakelijke wijze een film lang heeft weten te verbergen - blijkt dat dit in laatste instantie niemand kan schelen. Niet vergevingsgezindheid, of gevoel voor betrekkelijkheid redden de held, maar desinteresse.

Dat er in Frankrijk zoveel speelfilms gemaakt worden is het gevolg van een strenge reglementering van overheidswege: bioscoopbedrijf en televisie moeten zekere percentages vaderlands product vertonen, en beide bedrijfstakken worden bij wet verplicht om naar rato van hun omzet fondsen af dragen of te investeren in de productie van vaderlandse films. Deze politiek heeft in de rest van Europa een slechte pers, omdat hij naar protectie en dirigisme riekt.

Bovendien kun je je afvragen of het wel zin heeft om, uit cultuurpolitieke overwegingen, een omvangrijke filmproductie overeind te houden, waar immers - ook in Frankrijk - de meeste films op zijn best middelmatig zijn, en geen levensvatbaarheid in de bioscoop blijken te hebben. In Nederland waren deze vragen acuut, toen eerder dit jaar door een deel van de filmwereld werd gepleit voor grootscheepse overheidssteun aan de vaderlandse filmproductie. Meer films is meer betere films, was de gedachte van de voorstanders (die inmiddels voor een deel hun zin hebben gekregen). Een goede film vindt zijn weg wel, aldus de critici, en veel min of meer automatische financiering uit de subsidiepot leidt niet tot meer goede films, maar tot zelfgenoegzaam pot verteren.

Het Franse systeem is niet zo restrictief als wel wordt aangenomen. Niemand komt in de bioscoop of op de televisie Amerikaans producten of films uit andere landen tekort. Eerder is daarvan een ruimere keus dan in Nederland, want van een doekentekort is in Frankrijk veel minder sprake. De 8,7 miljoen Fransen die sinds 1 januari j.l. in de bioscoop een Franse film hebben gezien (34 procent van het totaal aantal bioscoopbezoekers) deden dat geheel uit vrije wil, en werden in aantal trouwens verre overtroffen door het aantal bezoekers aan Amerikaanse films (14,3 miljoen, 56 procent).

Werkverschaffing

Zeker zijn er onder de hedendaagse Franse films, waaraan al door het CNC, de tegenhanger van ons Filmfonds, per jaar een slordige 800.000 gulden aan steun wordt verstrekt, opmerkelijk weinig overtuigende meesterwerken. Zeker draagt een aanzienlijk deel van de filmproductie het karakter van een soort werkverschaffing, al of niet lijdend onder een overmaat aan pretentie. Maar aan de andere kant: de Franse filmkijker ziet zich in de bioscoop regelmatig geconfronteerd met de ontwikkelingen, gevaren, tegenspraken van zijn eigen samenleving. En in de bioscoop niet alleen: zelfs de matigste films blijven maar rouleren over het explosief toenemend aantal televisiekanalen.

Wij in Nederland zien - zowel in de bioscoop als op de televisie - onze eigen samenleving maar zelden in gefictionaliseerde vorm in beeld, even afgezien van goedkope troep als Goede Tijden, Slechte Tijden. Niet omdat er bij ons geen drama is, geen maatschappelijke ontwikkeling of filmtalent. Maar omdat er te weinig films gemaakt worden. Zolang dat zo blijft, zou het geen kwaad kunnen om bij ons wat meer producten van de dichtstbijzijnde Europese filmcultuur te vertonen, ook de meer middelmatige, die vaak meer zeggen over de samenleving waaruit ze voortkomen dan de absolute meesterwerken.

l'Appartement komt volgende maand in Nederlandse bioscooproulatie, Artemisia vermoedelijk begin volgend jaar. Beide films worden gedistribueerd door Cinemien, die ook Marius et Jeanette van Robert Guédiguan, Western van Manuel Poirier en Marie baie des anges van Manuel Pradal uitbrengt. Voor een presentatie van de jongste generatie Franse filmers: Claude-Marie Trémois, Les enfants de la liberté, le jeune cinéma français des années 90. Éd. du Seuil 1997. 289 pp. Prijs 120 FF.