Collectieve biografie van Duitse VOC-dienaren; Op avontuur in het kerkhof der Europeanen

Roelof van Gelder: Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800). SUN, 335 blz. ƒ 39,50

Wie wel eens de lijvige bronnenuitgave Dutch-Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries in handen heeft genomen, moet wel onder de indruk zijn geraakt van zoveel samengebalde geleerdheid. In drie dikke delen is alle informatie te vinden over alle reizen die de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) ooit naar de Oost en terug hebben ondernomen: de datum van vertrek en aankomst, de naam van schip en schipper, gegevens over koers en navigatie, over de lading, over de samenstelling van de bemanning. In de twee eeuwen die de Compagnie heeft bestaan, hebben bijna één miljoen personen de zeereis naar Indië ondernomen. Ongeveer de helft van hen was uit het buitenland afkomstig en onder die vreemdelingen vormden Duitsers de meerderheid. Niet meer dan één op de drie schepelingen en soldaten die de reis hadden aangevangen, keerde levend naar Europa terug.

Maar wat men in deze bronnenpublicatie niet kan vinden is wie deze zeelieden en soldaten waren, hoe ze leefden, wat ze dachten en voelden, hoopten en vreesden. Wat bezielde hen zo'n hachelijk avontuur aan te vangen, hoe beleefden ze het harde bestaan aan boord en in de Oost? Het beeld dat in de geschiedschrijving van de gewone varensgasten bestaat, doet het ergste vrezen. Het zouden armoedzaaiers zijn, leeglopers en bandieten, een ratjetoe van afgedankte soldaten, gefailleerde kooplieden en gesjeesde studenten, het uitvaagsel van Midden-Europa. Dat beeld gaat terug op uitlatingen in de zeventiende eeuw, vooral van degenen die in de hogere rangen dienden. De chirurgijn Nicolaas de Graaff gaf in zijn in 1701 verschenen Oost-Indise Spiegel een uiterst negatief beeld van het scheepsvolk, dat tot op heden heeft standgehouden. Maar de stem van het scheepsvolk zelf, lijkt het wel, is voor altijd verstomd.

Nieuwsgierigheid naar het leven van de 'gewone' VOC-dienaren, heeft Roelof van Gelder, historicus en journalist, aangezet tot een veelomvattend onderzoek waarop hij deze week aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde. Behalve brieven, waarvan er maar weinig bewaard zijn gebleven, werpt slechts één type bron een helder licht op het dagelijkse leven van de schepelingen en soldaten die het 'Oost-Indisch avontuur' hebben ondernomen. Een betrekkelijk groot aantal VOC-veteranen blijkt van zijn belevenissen verslag te hebben gedaan in geschriften die het midden houden tussen autobiografie en reisverslag. Omdat een groot deel van het VOC-personeel uit het Duitse Rijk afkomstig was en juist veel van hèn zich in geschrifte hebben geuit, beperkte hij zich tot Duitse reisverslagen. Een zoektocht door vele tientallen bibliotheken en archieven tussen Rotterdam en Dantzig en tussen Kopenhagen en Sankt Gallen leverde een rijke oogst op van 79 gedrukte en ongedrukte teksten van 47 verschillende auteurs.

Reisverslagen

Die reisverslagen heeft Van Gelder verwerkt tot een soort collectief portret van de schrijvende VOC-dienaren vóór de grote mast. We volgen de Duitsers op hun tocht naar Nederland, op zoek naar werk en avontuur. De meesten kwamen uit de Lutherse steden en staten van midden-Duitsland, ze waren gemiddeld zeventien jaar oud toen ze het ouderlijk huis verlieten en 24 jaar toen ze voor het eerst bij de VOC aanmonsterden. De meesten hadden toen al een ambachtelijke opleiding achter de rug en monsterden aan als soldaat. Wat zochten deze Duitsers op dit 'Kirchhof der Europäer'? Sommigen waren door oorlog van huis en haard verjaagd, anderen ontvluchtten de ronselaars die op zoek waren naar flinke jongens voor de vele legers die Europa in deze eeuwen afschuimden. Maar ze werden ook aangetrokken door de mogelijkheden van de dienst in de Oost, door het fortuin dat ze er hoopten te verdienen of door de wonderen die ze er verwachtten te aanschouwen.

De meesten zal dat avontuur dan bitter zijn tegengevallen. Dat begon al wanneer de werkzoekenden, meestal platzak en berooid, in Amsterdam aankwamen. Vaak moesten ze een flinke tijd wachten voordat er weer een vloot naar de Oost vertrok. In de tussentijd hadden zij voedsel, een bed en een dak boven hun hoofd nodig. In die behoefte voorzagen de 'zielverkopers', handige en soms gewetenloze herbergiers die zich over de immigranten ontfermden en hen van een scheepskist en verdere uitrusting voorzagen. In ruil voor deze service tekenden de schepelingen in spe een overeenkomst die de zielverkopers recht gaf op een deel van hun in de toekomst te verdienen gage.

Eenmaal aan boord van een VOC-schip zullen velen met heimwee hebben teruggedacht aan hun bekrompen Amsterdamse logies. De zeeziekte, de koude in de noordelijke wateren en de ondraaglijke hitte rond de Linie, de stormen en in een enkel geval de schipbreuk, de meedogenloze tucht aan boord, het slechte voedsel en het bedorven water, de scheurbuik en de dysenterie, de ondraaglijke stank en het gekerm op het tussendek waar de hangmatten met de zieke en stervende zeelui en soldaten hingen, het verdriet om het verlies van een goede vriend - dat alles komt ruimschoots aan de orde in de reisverslagen. Het beeld dat naar voren komt, is dat het leven hard en onzeker was, zowel aan de wal als aan boord van de Oost-Indiëvaarders. Drie 'strategieën' stonden de opvarenden ten dienste om hun overlevingskansen te vergroten. De eerste was het vinden van een betrouwbare kameraad, om samen sterk te staan in een vijandige wereld. Daarnaast zocht men protectie bij een hoger geplaatste die misschien voor promotie kon zorgen, en bovenal stelde men zijn vertrouwen in God.

Wachtlopen

Onbeschrijfelijk zal de opluchting zijn geweest van wie gezond en wel op de rede van Batavia aankwam. Maar de meesten waren niet gezond: 160.000 Compagnie-dienaren zijn in het Binnen-Hospitaal in Batavia gestorven. Degenen die de reis overleefd hadden, wachtten vele jaren van wachtlopen op een van de vele vestigingen van de Compagnie en deelname aan militaire expedities. Hierbij ontmoetten ze evenzoveel nieuwe kansen de gezondheid, het gezichtsvermogen, één of meer ledematen of het leven zelf er bij in te schieten. Maar daar stonden ook positieve elementen tegenover: de Aziatische samenleving was vreemd en anders, en de reizigers werden gefascineerd door de godsdienst en de vreemde seksuele gewoontes van de inlanders en natuurlijk door de uitbundige natuur, de vele onbekende planten, vruchten en dieren en de wonderbaarlijke manieren waarop die gebruikt konden worden. Sommigen Compagniedienaren hadden het zo naar hun zin dat ze in India, op Ceylon, op Java of op de Molukken bleven: ze leerden de taal, trouwden een inlandse en kochten wat slaven. Maar de meeste Duitse gastarbeiders hoopten toch naar Europa terug te keren om daar, met het geld dat ze verdiend hadden, een fatsoenlijk bestaan op te bouwen.

En dus volgt Van Gelder hen terug op hun reis, eerst naar Nederland, dan naar Duitsland. Opnieuw zijn de meeste schepelingen doodziek wanneer hun schip op de rede van Texel of Hellevoetsluis het anker laat vallen. Voor de matrozen - voorzover niet te zeer verzwakt - volgde dan een periode van uitbundig potverteren in kroegen en bordelen. Een Duitse soldaat beschreef in 1696 hoe drie matrozen elk drie rijtuigen voor vier gulden per stuk hadden gehuurd. In het voorste lag de hoed van de matroos, in het tweede zijn pijp en tabaksdoos, in het derde zat hij zelf. Zo lieten ze zich rondrijden, totdat alles op was en de vertrouwde gang naar zielverkoper en het kantoor van de VOC opnieuw begon.

De meeste Duitsers hadden evenwel niet als zeelui, maar als soldaten dienst genomen. Hun VOC-periode had slechts als opmaat gediend voor een ordentelijk burgermansbestaan in hun geboortestad. Het blijkt dat de meesten een aardig kapitaaltje hadden vergaard van gemiddeld enkele honderden, in een enkel geval zelfs een paar duizend gulden. Samen met de opbrengst van de in hun scheepskist meegebrachte goederen - thee, porselein, naturalia, Javaans zilverwerk, textiel, Japanse lakdozen - was dat nog altijd verscheidene malen het jaarloon van een geschoold ambachtsman. Het was voldoende om zich de toegang tot respectabiliteit te kopen: een eigen huis, het burgerschap van een stad, een herberg of het lidmaatschap van een ambachtsgilde en, als kroon op het werk, een echtgenote.

De laatste fase van het Oost-Indisch avontuur was het te boek stellen van zijn herinneringen. Er waren vele motieven om de pen op het papier te zetten, maar belangrijk was dat het reisverslag als een instrument tot maatschappelijke integratie diende: vele schrijvers droegen hun herinneringen op aan een landvorst of aan de burgemeesters van hun stad, die hen op hun beurt beloonden met een ambt dat hen in staat stelde een behoorlijk bestaan te leiden.

Zo blijkt dat niet alle Oost-Indiëgangers tot het uitschot van de samenleving hebben behoord. Althans de 47 onderzochte memoiresschrijvers (maar hoeveel gewicht hebben zij onder bijna een miljoen Indiëgangers?) waren fatsoenlijke lieden, die konden lezen en schrijven en die blijk hadden gegeven van een gezonde dosis nieuwsgierigheid. We moeten daar natuurlijk van aftrekken dat alle auteurs in de eerste plaats zichzelf hebben willen rechtvaardigen. Hun lezers huiverden over hun schouder mee over de ruwheid van de (andere) varensgasten, de onbarmhartigheid van de scheepsofficieren, de zeden- en goddeloosheid van de Aziaten. Inderdaad, alleen door grote oplettendheid en een rotsvast godsvertrouwen hadden de reizigers hun tocht tot een goed einde weten te brengen.

Op zoek naar de sporen van Duitse Indiëvaarders heeft Roelof van Gelder zijn netten wijd uitgeworpen. Hij heeft een groot aantal onbekende en fascinerende bronnen opgedoken en diep gegraven naar aanvullend materiaal, veelal in obscure Duitse bibliotheken en archiefbewaarplaatsen. Het resultaat is een geleerd boek, literatuurgeschiedenis en sociale geschiedenis tegelijk, over mensen van vlees en bloed.