Zelfverzekerde Beckmann verveelt nooit

Tentoonstelling: 'Die Nacht'. T/m 30 nov. Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Grabbeplatz 5, Düsseldorf. Di t/m zo 10-18u. Vrij tot 20u. Catalogus: DM 45,-

De enige die in het schilderij huilt is een hond. Terwijl de hond huilt draait een man met een verband om z'n hoofd en een pijp in zijn mond iemand de arm om, terwijl iemand anders diezelfde persoon wurgt. Een vrouw die door een kerel als een rol tapijt wordt gedragen, kijkt zowel gekweld als medelijdend, bijna verlekkerd, naar een andere vrouw die wijdbeens zit vastgebonden. Op de grond verlicht een paar kaarsen de scène. Door het raam schijnt de maan en op de vloer ligt een mes.

We kijken hier naar Die Nacht van Max Beckmann, het middelpunt van een gelijknamige tentoonstelling met negentig schilderijen, tekeningen en grafiekbladen die nu te zien is in de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen in Düsseldorf. De bewuste scène toont vier mannen en drie vrouwen van verschillende leeftijden die verwikkeld zijn in een ijzingwekkende martel- en verkrachtpartij, waarschijnlijk op een zolder.

Wat de Guernica is voor Picasso, dat is voor Max Beckmann (Leipzig, 1884-New York, 1950) Die Nacht. Maar Beckmann, een schilder met een vergelijkbaar talent als Picasso, stelde met zijn sleutelstuk uit 1918/19, dat overigens van bescheiden afmeting is, geen politieke daad. Hij wilde de mensen met Die Nacht enkel een beeld van hun lot geven.

Getuige een handvol schetsen, of beter gezegd krabbeltjes, spookte de scène al een jaar door het hoofd van de schilder. Het lijkt wel alsof Beckmann de beelden letterlijk wilde vastleggen. Het doek is door enkele kubistische trucs, die hij toepaste op het interieur, zo beweeglijk van compositie dat alleen de verschoten, zacht ingeschilderde primaire kleuren voor enige rust zorgen. Het doek heet niet alleen Die Nacht, het lijkt ook zonder daglicht geschilderd te zijn, zo vreemd verhouden zich kleur en vorm.

Dat Beckmann gezien kan worden als een van de grootste Duitse schilders van de twintigste eeuw, komt in deze tentoonstelling in detail aan de orde. Om zijn voorgeschiedenis te duiden hangt daar zijn zelfportret uit 1915 in verplegersuniform; Beckmann diende als burger-ziekenverzorger tijdens de Eerste Wereldoorlog in Oost-Pruisen. Dat Beckmann zijn artistieke loopbaan begon als post-impressionist krijgen we niet te zien. Zijn Kruisafname uit 1917, vlak voordat hij Die Nacht maakte, is op te vatten als een breuk met zijn artistieke verleden. Het zou zijn laatste doek zijn met een bijbelse voorstelling. In deze periode legde hij de basis voor zijn zo zelfverzekerde hoekige stijl met scherpe en soms stevige zwarte contouren. “Mijn hart klopt voor ruwe, vulgaire kunst, die niet tussen een slaperige, sprookjesachtige stemming en poezië in hangt, maar juist regelrecht toegang geeft tot wat beangstigend alledaags en imposant is en tot de gemiddelde banaliteit van het leven.”

Aan het werk van Lüpertz en anderen die tot de generatie Duitse schilders behoren, die in de jaren tachtig expressief gingen schilderen, is te zien dat ze goed naar Beckmann hebben gekeken. Toch mag je Beckmann geen expressionist noemen. Zijn stijl was overdacht, zakelijk en hij moest niets van sentimentaliteit hebben. Als je hem wees op symbolische betekenissen in zijn voorstellingen dan keerde hij je de rug toe. Daar moest hij niets van weten.

Wat vooral opvalt in de tentoonstelling is Beckmanns kwaliteit als schilder. Je krijgt stillevens en (familie-)portretten te zien, maar voor je gevoel zit je toch naar iets anders te kijken, naar elementaire schilderkunstige aangelegenheden en die vervelen nooit. Het is Beckmanns kracht om het zo dicht bij huis te zoeken, ondanks de veelvuldige verwijzingen naar mythologieën, vooral in zijn triptieken.

Beckmann was een achterdochtig man. Een mopperende pessimist die in Nederland - in 1937, een dag na de opening van de Entartete Kunst-tentoonstelling in München, waar negen van zijn doeken hingen, had hij de wijk naar Amsterdam (Rokin 85) genomen - weinig geliefd was. Sandberg moest niets van hem hebben. Jonkheer Roe, destijds directeur van het Rijksmuseum, was een van de weinigen die iets van hem kochten, en dat terwijl men in Duitsland en Amerika allang overtuigd was van de importantie van zijn werk. “Hoe lang moet ik dit nog verdragen?” schreef hij in zijn dagboek na een fietstochtje op een zomerse dag naar Hilversum met zijn vrouw Quappi. In 1947 nam Max Beckmann de boot naar New York, waar hij drie jaar later overleed. De ironie wilde dat de man, die in moord- en doodslag het lot van de mensheid beschoren zag, zelf stierf aan een hartaanval tijdens een wandelingetje in Central Park.