Zelf Tutsi worden

Je kunt het de ironie van de geschiedenis noemen en je kunt het natuurlijk ook anders noemen, maar opmerkelijk is het verschijnsel in ieder geval wel. Terwijl wij in Europa hardnekkige pogingen doen om van de almacht van de natiestaat af te komen, doet men in Afrika hardnekkige pogingen om de natiestaat tot stand te brengen dan wel in stand te houden.

Nog ironischer is het feit dat de natiestaat in Afrika nu juist door de Europeanen is geïntroduceerd. De Europeanen stichtten er immers koloniale staten en die zijn na de dekolonisatie als zelfstandige staten voortgezet. De verwachting was dat deze net als in Europa zouden uitgroeien tot nationale staten, maar dat is niet of nog niet of niet helemaal en in ieder geval niet overal gebeurd. Vandaar de rampzalige conflicten in verschillende delen van Afrika, die ook in Europa de aandacht trekken en tot discussies leiden.

Veel van wat over dit onderwerp wordt gezegd en geschreven, berust op schuldgevoelens en onmacht en niet op serieuze overweging of analyse. Zo wordt vaak gezegd dat de grenzen van Afrika willekeurig zijn getrokken en geen rekening houden met etnische en culturele verschillen. Of dat de staat door de koloniale overheersers van bovenaf is opgelegd. Die opmerkingen zijn niet onjuist, maar ze zijn ook niet erg relevant, want hetzelfde geldt voor verschillende andere delen van de wereld. Indonesië is een product van de Nederlandse koloniale overheersing. Ook daar zijn de grenzen het resultaat van het Westerse kolonialisme en hebben zij op verschillende plaatsen (Borneo, Nieuw Guinea, Timor, om slechts enkele voorbeelden te noemen) tot willekeurige scheidslijnen geleid. Ook daar bestaan grote etnische en culturele verschillen. De Indonesiërs zijn er echter kennelijk in geslaagd op basis van deze koloniale staatsvorming een Indonesische natievorming tot stand te brengen. India is een ander voorbeeld van een koloniale staat die against all odds een natiestaat is geworden en gebleven.

Ook in Europa zijn de meeste staten van bovenaf opgelegd en zijn de meeste grenzen willekeurig getrokken. De Spaanse staat bijvoorbeeld is ontstaan door de vereniging van de kronen van Castilië en Aragon. Dat was een dynastieke beslissing, die met nationale ideeën of gevoelens niets van doen had. Dat Catalonië, Galicië en Baskenland wel tot Spanje behoren en Portugal niet, heeft weinig met natuurlijke grenzen te maken. Een soortgelijke geschiedenis zien wij in Frankrijk en Engeland. In Frankrijk bestond wel een zeker streven naar frontières naturelles, maar dat heeft het land meer kwaad dan goed gedaan. Italië daarentegen heeft de meest natuurlijke grenzen van Europa, maar toch is op dat grondgebied pas eind vorige eeuw een nationale staat ontstaan. Hiermee is niet gezegd dat er geen verschillen bestaan tussen de staats- en natievorming in Europa en Afrika. Die zijn er wel en ze zijn van betekenis. Maar het gaat niet om volstrekt verschillende verschijnselen en problemen. Er zijn ook overeenkomsten.

De grote verdienste van het artikel dat Catherine Coquery-Vidrovitch onlangs publiceerde in European Review, het tijdschrift van de Academia Europaea, is dat zij erop wijst dat de geschiedenis van Afrika op dit punt niet principieel verschilt van die van Europa. In beide gevallen gaat het in wezen om hetzelfde proces. Een natie ontstaat als gevolg van drie factoren: de schepping van een staat, de verzwakking van het etnisch regionalisme en een collectieve politieke keuze. Die elementen vinden wij overal. Er zijn echter wel verschillen in timing. In Frankrijk ontstond de staat al vroeg. De oplegging van een nationale cultuur door de overwinning van de regionale talen en culturen alsmede de democratische legitimering kwamen pas later. Toen dat gebeurd was, was de natievorming voltooid.

In Afrika is het proces anders verlopen. Ook in het prekoloniale Afrika was soms al sprake van natievorming, maar dit proces werd vaak verstoord door nieuwe staatsvormingsprocessen, zowel in de koloniale als in de prekoloniale tijd. Een van de verstorende factoren was de vorming en versterking van zogenaamde etnische groepen. In sommige gevallen waren die groepen een uitvinding van de koloniale heersers of werd etnische groepsvorming door dezen versterkt. Vroeger bijvoorbeeld, zo schrijft Catherine Coquery, waren Hutu's en Tutsi's sociale en geen raciale categorieën. Je kon, om zo te zeggen, zelf Tutsi worden, namelijk door meer macht te verwerven. Later werden deze sociale groepen bevroren in de vorm van etnische categorieën. Je bent nu Hutu of Tutsi. Tertium non datur. De natievorming is volgens de auteur door deze en dergelijke factoren vertraagd, maar een nationaal besef bestaat wel degelijk. “All Africans whatever their place in society today [...] have a national feeling”, zo luidt haar conclusie. Deze nationale idee kan en mag volgens haar echter niet gebaseerd zijn op een mono-etnische idee. De gedachte dat alleen een mono-etnische staat levensvatbaar is, noemt zij een “absurd and murderous notion”. De schrijfster, die zoals miljoenen in het land van Le Pen, afkomstig is van elders, in dit geval uit Joegoslavië, is uiteraard door de parallel met dat tragische land bijzonder getroffen. Vandaar waarschijnlijk deze krachtige taal.

De vergelijking van Afrika met Joegoslavië wordt tegenwoordig vaak gemaakt. Zo bijvoorbeeld ook door Mient-Jan Faber, die in een artikel in de Internationale Spectator (april 1997) de gebruikelijke platitudes - over willekeurige grenzen - en de gebruikelijke blunders - over de Conferentie van Berlijn - combineert met een ongebruikelijke oplossing: de schepping van een permanente troepenmacht van de NAVO voor interventies in Afrika. Het IKV denkt met u mee.

Interessanter dan de observaties van deze brandnieuwe Afrikakenner zijn die van de bekende auteur Basil Davidson, die oud en eerbiedwaardig is en daarom ongetwijfeld door sommigen de éminence grise van de afrikanisten zal worden genoemd. Davidson, die als inlichtingenofficier tijdens de oorlog in Joegoslavië werkte en daarna zijn leven wijdde aan de studie van Afrika, is net als Catherine Coquery met beide regio's zeer vertrouwd. Hij schreef een boeiend en veelgelezen boek over deze problemen, The Black Man's Burden. The Curse of the Nation State, dat eindigt met dezelfde hoopvolle conclusie als Catherine Coquery: een geleidelijke ontmanteling van de natiestaat in de vorm van supraregionale samenwerkingsverbanden en versterking van lokale bestuursorganen is de enige oplossing. Federalisme en decentralisatie zijn met andere woorden het parool. Het is een langetermijnoplossing, maar onmogelijk is zij niet, want zelfs in ons deel van de wereld, West-Europa, waar de natiestaat is ontstaan en groot geworden, is thans hetzelfde proces te zien. Ook hier gaat het langzaam en moeilijk, maar toch gebeurt het. Ook in dit opzicht lijken Europa en Afrika dus meer op elkaar dan men op het eerste gezicht zou denken.