Uitzendkracht wil ook hypotheek

Een balans tussen flexibiliteit en zekerheid in de arbeidsvoorwaarden, daar zijn werkgevers zoals Philips naar op zoek. Maar ook uitzendbureaus zitten te springen om moderne wetgeving. Vanavond debatteert de Tweede Kamer met minister Melkert over een nieuwe flex-wet.

ROTTERDAM, 23 OKT. Uitzendkrachten en andere 'flex-werkers' zonder vast dienstverband hoeven bij de bank niet aan te kloppen voor een hypotheek. Sparen via het bedrijf voor een aanvullend pensioen is er voor hen niet bij - flexibele werknemers moeten het op hun oude dag hebben van een paar zelf afgesloten koopsompolissen. Flexwerkers worden door de werkgevers de hemel in geprezen, maar in de praktijk tot een soort tweederangswerknemers gedegradeerd.

Daar moest wat minister Melkert (Sociale Zaken) betrof zo snel mogelijk een einde aan komen, maar hij slaagde er eind 1995 niet in zijn visie daarover in het kabinet erdoor te drukken. Flexibiliteit en zekerheid leidde tot een ouderwetse vleugelstrijd: de PvdA-ministers wilden onder aanvoering van Melkert zoveel mogelijk zekerheid, de VVD- en D66-bewindslieden (Zalm - Financiën, Wijers - Economische Zaken en Sorgdrager - Justitie) vonden dat de balans sterker door moest slaan naar flexibiliteit.

Die patstelling is er nog, getuige de tegenovergestelde opvattingen van Melkert en Wijers over de wijze waarop Philips naar een flexibilisering van de arbeidsvoorwaarden wil. Voor de multinational vallen deze plannen onder 'employability', ofwel werknemers moeten zo flexibel zijn dat ze optimaal kunnen worden ingezet. Een ontevreden Melkert vatte de berichten over Philips op als het begin van het einde van de zekerheid van een vaste baan, waar Wijers tevreden vaststelde dat Philips zich gedraagt als een bedrijf dat midden in de moderne tijd staat door flexibiliteit zo nadrukkelijk te onderkennen. Premier Kok liet een reactie horen die precies tussen Melkert en Wijers lag: flexibiliteit is onmiskenbaar van deze tijd, maar laten we de zekerheid van werknemers niet uit het oog verliezen.

Omdat het kabinet er destijds niet uitkwam, werd de opdracht 'zoek de balans' naar de sociale partners in de Stichting van de Arbeid (STAR) doorgespeeld. Waar het kabinet faalde, slaagden de sociale partners. De overlevering wil dat aan de keukentafel van de huidige FNV-voorzitter Lodewijk de Waal begin 1996 het flex-akkoord tussen de vakbonden en de werkgeversorganisaties werd gesloten, met hulp van Randstad-directeur F. van Haasteren.

In dit akkoord wordt niet de flexibele arbeid aan banden gelegd, maar krijgen werknemers met tijdelijke contracten meer rechtszekerheid. Mede omdat werkgevers en werknemers unaniem tot dit advies kwamen, heeft Melkert de aanbevelingen vrijwel geheel overgenomen in het wetsvoorstel dat morgen in de Tweede Kamer wordt behandeld. Tegelijkertijd zal de Kamer zich buigen over het wetsvoorstel Allocatie arbeidskrachten door intermediairs, waarmee het vergunningstelsel voor de uitzendbranche wordt afgeschaft.

De bemoeienis van een directeur van de grootste Nederlandse uitzendorganisatie bij het flex-akkoord is niet zonder reden. De uitzendbranche kijkt al maanden reikhalzend uit naar duidelijkheid over de rechten van de flex-werkende uitzendkracht en de rol van uitzendbureaus. Voor hen is het belangrijkste voordeel dat de maximale uitzendduur (nu zes maanden), wordt afgeschaft. Dat betekent dat uitzendbureaus - tot nu toe vooral sterk in het leveren van tijdelijke krachten voor functies in het lagere- en middensegment - zich ook kunnen gaan roeren op de profijtelijke markt van detachering van hoger opgeleide werknemers.

In ruil voor die marktuitbreiding moeten de uitzendbureaus wel een behoorlijke prijs betalen. Zo gaan werknemers die langer dan een half jaar in opdracht werken van een uitzendbureau voor het eerst ook een aanvullend pensioen opbouwen. Wie via het uitzendbureau langer dan anderhalf jaar bij één opdrachtgever te werk is gesteld, krijgt straks een vast dienstverband. Wie langer dan drie jaar bij één uitzendbureau werkt, maar steeds voor wisselende opdrachtgevers, komt eveneens in aanmerking voor een normaal arbeidscontract. Dat betekent dat deze uitzendkrachten ook betaald moeten worden als er (tijdelijk) geen werk is èn dat ze alleen ontslagen kunnen worden met een vergunning van de directeur arbeidsvoorziening.

De wetsvoorstellen bieden niet alleen de uitzendbureaus meer armslag op de markt voor tijdelijk werk. Alle werkgevers krijgen in de nieuwe wet meer mogelijkheden om mensen op tijdelijke contracten aan het werk te houden. Nu is het zo dat een tijdelijk contract eenmaal verlengd mag worden, en dat de werkgever voor beëindiging van dit verlengde contract een ontslagvergunning nodig heeft. Onder de nieuwe wet mogen werkgevers hun personeel driemaal achter elkaar een tijdelijk contract aanbieden. Ook deze werkgevers moeten een prijs betalen voor deze versoepeling van procedures: wie gebruik maakt van op- en afroepkrachten moet deze werknemers in dienst nemen als blijkt dat zij iedere week wel een keer moeten komen òf als ze per maand ten minste 20 uur zijn ingezet.

Met de nieuwe wet zouden de honderdduizenden flexwerkers in Nederland het stigma moeten verliezen van tweederangswerknemers. Of dat automatisch zal leiden tot meer flexwerkers is nog maar de vraag. Hoewel - mede door bijvoorbeeld de publiciteit rond Philips - het gevoel bestaat dat het flexibele werken razendsnel om zich heen grijpt, is het aandeel flexwerkers op de Nederlandse arbeidsmarkt al jarenlang bijna stabiel. Vorig jaar werkte 9,5 procent van de werkende beroepsbevolking op een flexibel arbeidscontract - tien jaar geleden was dat 8,2 procent. En weliswaar is Nederland koploper op het gebied van uitzendwerk, maar dat komt vooral omdat in het buitenland het taboe op uitzendkrachten nog zo groot is. In Nederland werkte vorig jaar 3 procent van de beroepsbevolking via een uitzendbureau, tegen iets minder dan 1 procent in de Europese Unie en 1,6 procent in de Verenigde Staten.