Seriële, eeuwige liefde

Een op de drie à vier huwelijken eindigt in echtscheiding. Het huwelijk is niet meer 'heilig' en scheiding niet langer 'een schande'. Een kleine sociologie van de echtbreuk.

WAAROM TROUWEN mensen? Omdat ze van elkaar houden, en in de verwachting met elkaar en door elkaar gelukkig te worden. Dat spreekt vanzelf. Maar zo vanzelfsprekend was dat enkele generaties geleden nog niet. Vroeger, voor de Tweede Wereldoorlog en ook nog enige tijd daarna, bestond het uit liefde gesloten huwelijk natuurlijk ook, maar het was bij lange na niet de enige reden om voor elkaar te kiezen. Economische en praktische motieven waren vaak belangrijker. Er was het vooruitzicht op onderlinge hulp en bijstand, 'tot de dood ons scheidt'. En op kinderen die later voor je zouden kunnen zorgen. De verzorgingsstaat verkeerde nog in statu nascendi. Recht op bijstand leek een utopie.

De maatschappij had meer samenhang dan nu, de kerken hadden nog invloed en ieders rol lag min of meer vast, zeker wat het huwelijk betreft. De man verdiende geld voor zijn gezin. De vrouw had een zware taak aan het huishouden, zonder alle huidige tijdbesparende machinerieën. Maar wat gaf het? Geen 'dochter van' maar 'mevrouw zijn' gaf financiële zekerheid (en ontsnapping aan laagbetaald, geestdodend werk) en status. En dat woog ruimschoots op tegen het verlies aan juridische zelfstandigheid, een regeling die pas in 1951 werd opgeheven.

Van 'persoonlijke groei' of 'zelfontplooiing' had niemand gehoord. Daarvoor was een mens niet op aarde gekomen, dat beseften zowel religieuzen als a-religieuzen. Het ging om het welzijn van de grotere of kleinere gemeenschap waarvan je deel uitmaakte, daarvoor had je je plicht te doen. Als je al zou weten hoe dat moest, kwam je door tijdgebrek en moeheid niet toe aan het vervullen van elkaars emotionele behoeften. Dat werd ook niet verwacht.

Het gevoel niets meer met elkaar te 'hebben', uit elkaar gegroeid te zijn, werd op de koop toe genomen. Scheiden, dat was de algemene opvatting, was een persoonlijk echec, een schande. Het kwam ook maar mondjesmaat voor: als een van de partijen zich ertegen verzette, kon het jaren en jaren duren voor een huwelijk werd ontbonden. Ach, wat was geluk gewoon in die dagen!

In 1900 waren er per 10.000 gehuwde mannen 6,6 gescheiden. In 1950 waren dat er 30,5 en in 1974 57,9. Men verwacht dat een op de vier nu te vormen huwelijken ooit zal stranden. Een verklaring voor die spectaculaire groei geven cijfers niet. Is er iets mis met al die honderdduizenden die niet bij elkaar konden blijven? Is scheiden sinds 1971 te gemakkelijk geworden, toen de wet werd gewijzigd en slechts 'duurzame ontwrichting' van het huwelijk moest worden aangetoond?

Mensen denken haast altijd dat zijzelf niet voldoende hun best hebben gedaan als het huwelijk strandt. Er was ontrouw in het spel, ze zijn van elkaar vervreemd - het waren en zijn de meest gegeven redenen om uit elkaar te gaan. Hun karakters sloten niet aan, ze konden niet 'communiceren'. Houden van, affectie, is omgeslagen in onverschilligheid of erger: in haat, nijd en agressie, zeker als bijvoorbeeld een van beiden bijzonder agressief van aard is of alcoholist. Ze zijn boos en teleurgesteld omdat van hun - extreem hoge - verwachtingen van de liefde zo weinig is uitgekomen. Een willekeurige blik in de kennismakingsadvertenties leert dat de heer van stand die een dito dame zoekt, is verdwenen. De jong-middelbare heren van nu verlangen naar 'aantrekkelijke, ontwikkelde, romantische, heel vrouwelijke, maar ook sportieve, avontuurlijke en cultuurminnende vrouwen', en met gevoel voor humor. Terwijl de 40-plus-dames op hun beurt op zoek zijn naar 'een maatje'; een aantrekkelijke, warme man, uiteraard ook met humor, krachtig en kwetsbaar. Die 'houdt van De Dijk en Callas, van Abeltje en Sartre, niet zoekend naar een moeder of een dochter'. Zo'n man, zo'n vrouw wil de mens ontmoeten en liefhebben, om met een lekker glas wijn, en zonder sigaret, mee voor het open haardvuur te zitten en om 'alles' mee te delen. Het romantische ideaal uit lang vervlogen dagen, van eeuwige liefde en totale overgave, is er niets bij.

In de Verenigde Staten, waar de echtscheidingsepidemie veel groter is, bestaat er allang een 'sociologie van scheiding'. Hier zijn de sociologen Kalmijn en De Graaf pas sinds enkele jaren bezig het hoe en waarom van gezinsvorming en scheiding in kaart te brengen. Zij toetsen onder meer de hypothese dat behalve bovengenoemde individueel-psychologische verklaringen ook cultureel-maatschappelijke veranderingen van invloed zijn op persoonlijke beslissingen. En vice versa.

In de afgelopen veertig, vijftig jaar is de maatschappelijke cohesie minder sterk geworden, evenals de sociale controle en de invloed van de kerk. De individualisering (tot volle bloei gekomen in het zogenoemde Ik-tijdperk van midden jaren zeventig, begin tachtig) is tot in de verste uithoeken van het land doorgedrongen. Er is een grote mate van seksuele vrijheid (al is de tijd van 'alles moet kunnen' over en de tolerantie over 'het slippertje' meetbaar afgenomen). De 'huwelijksmarkt' kan in extenso worden verkend.

Samenwonen is geen 'zonde' meer. Echtscheiding wordt gezien als jammer, maar normaal. Behalve in godsdienstige kringen is het huwelijk niet 'heilig' meer en de maatschappelijke druk om ten koste van alles toch samen te blijven veel minder groot. Op het aantal huishoudens heeft dat weinig effect: 40 procent van de vrouwen en 60 procent van de mannen hertrouwt op den duur, een onbekend percentage gaat samenwonen. De twintig jaar geleden door de Wageningse gezinssocioloog Kooy voorspelde serial monogamy lijkt werkelijkheid te worden, want tweede huwelijken zijn niet stabieler dan eerste.

Samenwonen op proef en dan trouwen geeft overigens ook geen steviger basis. Het is een van de risicofactoren die de echtscheidingssociologen hebben gevonden door representatieve groepen samenwonenden en nog-gehuwden te ondervragen. Zo is ook gebleken dat wie langer zoekt op de huwelijksmarkt, veel ervaring heeft met liefdesrelaties en wat ouder is, minder kans maakt te scheiden dan degene die op jonge leeftijd met de eerste de beste in zee gaat. Dat gebeurde op grote schaal in het begin van de jaren zeventig, toen men meer en jonger trouwde dan ooit tevoren of daarna. Tien jaar later was van dat cohort twaalf procent gescheiden, en in 1994 twintig procent, terwijl het eind nog niet in zicht is.

Kennelijk hebben de nu 40- à 50-jarigen ingezien dat scheiden mag, dat het een oplossing voor grote problemen kan zijn. Dat geldt echter niet voor de meer traditioneel georiënteerden, die direct na hun 'verkering' zijn getrouwd. Zij hebben een stabielere verbintenis, waarbij christelijk-politieke voorkeur en kerkelijkheid een rol spelen.

Verdere bevindingen leren dat kinderen van gescheiden ouders een 'beduidend' grotere kans lopen hetzelfde mee te maken. Het volksgezegde 'twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen' blijkt op te gaan. Ook is het effect te merken als paren uit een verschillend milieu of een verschillende cultuur komen, als het leeftijdsverschil groot is en als er grote verschillen in opleiding zijn. Als zij ouder is dan hij, of hoger opgeleid, is het risico van echtscheiding nog groter.

De echtscheidingssociologen toetsen ook een 'economische' hypothese, die er vanuit gaat dat vrouwen minder baat hebben bij een huwelijk dan vroeger. Zij zijn hoger opgeleid en in staat hun eigen boterham (en die voor hun kinderen) te verdienen. Echtelieden worden nu ook veel vaker 'partners' genoemd, een woord dat gelijkwaardigheid aangeeft. Paren met een sterkere en traditionelere rolverdeling (man werkt buitenshuis, zij is huisvrouw) blijken gemiddeld stabielere relaties te hebben dan paren waarvan de vrouw economisch zelfstandig is. Deze niet-traditionele vrouw heeft - in tegenstelling tot vroeger - nu een 'exit-optie'. Ze kan de arbeidsmarkt weer op of, tijdelijk, in de bijstand (43 procent van de nu gescheiden vrouwen zit daar op dit moment in).

Er is ook veel meer dan vroeger sprake van een 'machtsstrijd'. De taakverdeling ligt niet meer vast. Ook mannen kunnen zich nu ondergewaardeerd of gedomineerd voelen, terwijl vrouwen de mannelijke superioriteit niet meer zo gauw pikken. Beide partners kunnen het gevoel krijgen dat er met hun belang te weinig rekening wordt gehouden, dat de ander te veel bepaalt wat er gebeurt. Als de partners beiden een volle baan hebben, en er zijn ook kinderen, dan betekent dat een zodanige stress, dat je over letterlijk alles ruzie en problemen kunt krijgen. Problemen die op zichzelf - zonder die onderliggende strijd - makkelijker oplosbaar zouden zijn. En dat ook kunnen worden, mits er duidelijke afspraken zijn, er voldoende 'affectie' is en beiden bereid zijn een paar bezigheden buitenshuis te laten vallen ten behoeve van de gemeenschappelijkheid. Een gedachte waar de huidige generatie zelfbewuste vrouwen wel mee blijkt te kunnen leven. 'Zelfontplooiing' gaat niet meer boven alles.

Zo'n twintig jaar geleden dacht men dat kinderen meer zouden lijden onder de voortdurende onmin van hun ouders, dan van een scheiding. Inmiddels weet men beter (tenzij er sprake is van excessen) en proberen al meer mensen er ter wille van hun kroost nog iets van te maken en echtscheiding uit te stellen. Met als mogelijk resultaat dat echtparen met kinderen ongelukkiger zijn dan kinderloze stellen. Vooral mannen lijken zich dat goed te realiseren. Een scheiding betekent voor hen doorgaans een beperkte omgang met hun kroost en tevens een groter sociaal isolement, want de contacten buiten de deur worden meestal door de vrouw onderhouden. Hoe meer mannen in de relatie 'investeren' en zich met de opvoeding bezighouden, hoe meer huwelijkssatisfactie bij hun vrouwen. Het scheidingsrisico van paren zonder kinderen is 1,7 maal zo groot als van paren met één kind, en 2,8 maal zo groot als van paren met twee kinderen.

Intussen kijken de sociologen met spanning naar de tijdgeest. Staan gemeenschapszin, huwelijk en gezin weer wat hoger in het vaandel? Is de hier en daar doorgeschoten individualisering op haar retour? Zou ook de scheidingshausse over haar hoogtepunt heen kunnen zijn? Feit is dat het niet meer helemáál bon ton is te scheiden. Iedereen heeft wel eens wat, en wie garandeert dat het in die volgende verbintenis beter zal gaan?

Misschien zien de wat oudere jonge mensen die nu trouwen het leven wat realistischer in en zijn de wederzijdse verwachtingen wat minder overspannen. Zijn de vooraf afgesproken regels duidelijker: ik werk, jij ook, van het begin af aan. We zorgen samen voor de kinderen. En voor het inkomen dat ons een grotere kans op luxe biedt dan onze ouders ooit hadden. We houden van elkaar en we steken energie in onze relatie. Als het voortaan zo zou gaan, zou dat een hoop gedoe schelen.

Bronnen onder anderen: dr. M. Kalmijn, vakgroep sociologie Universiteit Utrecht. Prof.dr. A. Lange, hoogleraar klinische psychologie Universiteit van Amsterdam.