Rusland hoeft 'Marshallhulp' niet

De grootscheepse kapitaalinjectie die West-Europa na de Tweede Wereldooorlog ontving zou volgens sommigen nu ook aan Rusland ten deel moeten vallen. Maar de jaren '40 zijn de jaren '90 niet en Rusland heeft niet zozeer een kapitaal-

probleem maar vooral een institutioneel probleem, betoogt Bert van Selm.

Wim Kok en Frits Bolkestein hebben Rusland ontdekt als een interessant politiek slagveld. Zij hebben diametraal tegenovergestelde posities ingenomen ten aanzien van het Westerse hulpbeleid aan Oost-Europa. Kok denkt dat Rusland een infrastructuur ontbeert, en wil grote sommen Westers kapitaal uittrekken om het Oosten te voorzien van hogesnelheidslijnen, Maasvlaktes, Schiphollen en Betuweroutes. Bolkestein is daar tegen, omdat Rusland geen markteconomie kent (NRC Handelsblad, 3 oktober). Beiden hebben ongelijk. De vergelijking van Rusland in de jaren '90 met West-Europa na de Tweede Wereldoorlog snijdt geen hout, 'infrastructuur' is niet het centrale probleem in de Russische economie, en Rusland kan wel degelijk een 'markteconomie' worden genoemd.

De overgang van planeconomie naar markteconomie werd in Rusland ingezet met de liberalisering van de meeste prijzen in januari 1992. Het debat over het nut van grote sommen financiële middelen vanuit het Westen om dit overgangsproces te ondersteunen is in de eerste jaren uitgebreid gevoerd, zowel in de academische literatuur als binnen de grote internationale financiële instellingen (de Wereldbank en het IMF). Koks voorstellen en Bolkesteins reactie daarop hebben dus een hoog mosterd-na-de-maaltijd-gehalte.

Voorstanders van een Marshallplan voor Rusland betoogden in de periode 1992-1994 dat Rusland nu net als destijds West-Europa behoefte had aan forse leningen om de economie over een dood punt te kunnen tillen. Het meest krachtige pleidooi voor big bucks om Rusland in zijn overgang te helpen kan men vinden in het werk van Harvard-econoom Jeffrey Sachs. Zijn argumenten voor grootschalige externe financiële hulp aan Rusland gedurende de eerste jaren van de overgang van plan naar markt zijn nadrukkelijk niet gebaseerd op een verwijzing naar de situatie in West-Europa na de Tweede Wereldoorlog. Terecht, want Rusland is West-Europa niet, en de jaren '40 zijn de jaren '90 niet.

Rusland kampt op dit moment vooral met een institutioneel probleem. Na meer dan zeventig jaar communisme moeten eigendomsrechten opnieuw worden gedefinieerd, kapitaalmarkten worden gecreëerd, er moet een nieuw belastingstelsel en een nieuw stelsel van sociale zekerheid worden ingevoerd en de centrale bank krijgt een heel andere rol dan voorheen. De instituties en wetten die horen bij een markteconomie verschillen radicaal van de instituties die horen bij een planeconomie, en de nieuwe instituties en wetten komen niet vanzelf tot stand. Rusland zit op dit moment middenin dat proces van institutionele verandering.

Europa had na de Tweede Wereldoorlog vooral een kapitaalprobleem: een hoog opgeleide bevolking kon weinig produceren, omdat de oorlog het aanwezige materiaal grotendeels had verwoest. Het lag dus voor de hand om de West-Europese economie met behulp van een kapitaalinjectie uit het dal te trekken. Het lag ook voor de hand om dat te doen met overheidskapitaal (van de Verenigde Staten), omdat particuliere internationale kapitaalmarkten na de Tweede Wereldoorlog een geringe rol speelden in de wereldeconomie. Dit in tegenstelling tot de situatie van vandaag. Er bestaat nu een omvangrijke particuliere internationale kapitaalmarkt waar landen kunnen lenen, en Rusland maakt in toenemende mate gebruik van die mogelijkheid. De vergelijking tussen Europa toen en Rusland nu gaat dus mank.

Vijf jaar geleden kon men op basis van goede en minder goede argumenten pleiten voor Westerse kapitaalinjecties in de Russische economie. Inmiddels is de situatie drastisch veranderd. De maatschappelijke situatie in Rusland heeft zich gestabiliseerd. De inflatie is teruggebracht tot 15 à 20 procent op jaarbasis. De externe waarde van de roebel wordt door de centrale bank van Rusland gegarandeerd door middel van een doelzone van tussen de 5.750 en 6.350 roebel per dollar tot aan het eind van dit jaar. De Russische overheid heeft nog steeds te maken met forse tekorten op de begroting, maar deze resulteren niet langer direct in inflatie doordat de tekorten niet langer monetair worden gefinancierd.

In maart 1993 begon Rusland met de uitgifte van overheidsobligaties om tekorten te dekken. Vorig jaar financierden obligaties tweederde van het tekort van de staat. Daarnaast heeft buitenlandse financiële hulp, vooral via het IMF, in 1995 en 1996 een belangrijk deel van het tekort van de Russische overheid voor haar rekening genomen. Het IMF zegde in april 1995 6,3 miljard dollar toe aan Rusland, en in maart 1996 nog eens 10,1 miljard dollar. In totaal zijn sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie volgens recente berekeningen van de G-7 landen zo'n tachtig miljard dollar in de Russische economie gepompt. Voor een economie met een bruto nationaal product in 1996 van 440 miljard dollar is dat niet niks.

De Russische economie en maatschappij hebben zich gestabiliseerd, mede dankzij omvangrijke Westerse fananicële bijstand. Niettemin groeit de Russische economie nog steeds niet. Het uitblijven van economische groei wordt vooral veroorzaakt door het gebrek aan investeringen. Zowel binnenlandse als buitenlandse investeerders hebben onvoldoende vertrouwen in de Russische economie. Na drie jaar paars lijkt het er echter op dat voor Kok de woorden 'infrastructuur' en 'economie' synoniemen zijn geworden. Onder het motto 'wat goed is voor Nederland, is goed voor Rusland' pleit Kok voor veel geld voor 'infrastructuur' voor Rusland. Hoe meer verplaatsingen, hoe welvarender de economie, zo lijkt de filosofie te zijn.

Ik raad Kok aan om het World Development Report 1997 van de Wereldbank eens door te bladeren. Onderzoek dat in het kader van dat rapport werd verricht onder ondernemingen in Rusland toont aan dat infrastructuur nu juist niet het probleem is waar bedrijven in deze regio mee kampen. Bedrijven werden gevraagd om aan te geven welke van acht geselecteerde potentiële 'obstacles to doing bussiness' voor hen inderdaad een belemering vormen. De ondernemingen gaven aan dat ze vooral hinder ondervinden van belastingen, veranderingen in overheidsbeleid, corruptie, en misdaad en diefstal, in die volgorde. 'Infrastructuur' belandde op een troosteloze voorlaatste plaats, nog na 'financiering' en 'inflatie'. Interessant is dat hetzelfde onderzoek laat zien dat 'infrastructuur' in andere regio's in de wereldeconomie wèl een belangrijke bottleneck is.

De uitdaging waar de Russische regering de komende jaren voor staat is om het land voor zowel binnenlandse als buitenlandse investeerders aantrekkelijk te maken. Cruciaal daarbij zijn volgens Russische ondernemingen meer politieke stabiliteit, een doorzichtiger belastingwetgeving, en een betere afbakening en bescherming van eigendomsrechten. Westerse financiële hulp kan een bijdrage leveren aan de overgang naar een markteconomie zolang de Russische regering er niet in slaagt om tekorten op de begroting weg te werken of via uitgifte van obligaties te financieren. Wanneer de overheid tekorten monetair financiert, zal de met veel moeite gewonnen relatieve prijsstabiliteit immers weer verloren gaan.

De Russische regering krijgt echter in toenemende mate toegang tot particuliere internationale kapitaalmarkten, zodat ook het financieren van tekorten op de Russische overheidsbegroting geen taak meer hoeft te zijn van overheden van andere landen die over meer middelen beschikken. Een Marshallplan voor Rusland is dus anno 1997 een slecht idee.